Fuck-it list en gedachten opruimen

Ken je dat, dat je ineens denkt: ‘Ik ben er helemaal klaar mee’? Nou, dat gevoel heb ik nu dus. Even een beeld schetsen hoe dit ontstond: de stortbak van het toilet was kapot. Vervangen was de enige optie, dus op richting bouwmarkt. Aldaar is het zoeken geblazen naar de juiste bak bij de juiste plee. Al zoekend kom je tot de conclusie dat een plee van 30 jaar oud en een modern hedendaags toilet even niet helemaal met elkaar verenigd willen worden. Iets met andere diameters en aansluitingen. Maar goed de oude stortbak verwijderd en de nieuwe opgehangen. Dan is het grote moment daar; nieuw aansluiten op oud. Dussss….. als je alle vloeken weglaat, dan heb ik een uur lang niets gezegd. Tijdens het omhelzen van de pot waarbij ik in een voor mij aardig onbekende houding lag werd er aangebeld. Gehaast wurm ik mij uit mijn ongebruikelijke positie, mijn knie nog even flink stotend aan de pot. Bezweet en geïrriteerd opende ik de deur en de reclamemachine in menselijke gedaante stak van wal: “Goeoeoede..middag, ik ben Pierre van Nuon en……” “Nou en!”; schold ik naar de man en smeet met een knal de deur dicht. Ik kreeg een vage indruk dat de man verbaasd was, maar goed, ik dook weer in mijn pothouding. Later dacht ik heel kort dat dit misschien niet geheel netjes was, maar fuck-it dacht ik. En zo kwam de gedachte boven borrelen van een fuck-it-list.

Dan wordt het tijd voor een soort algeheel gevoel van fuck-it allemaal. Niets kan mij op dit moment rotten. De moord ermee. Terwijl ik dit zo denk, ontstaan er al snel categorieën in mijn fuck-it list die ik best zou willen delen. Categorieën zoals: het stotteren, werk, vakanties.

Stotteren: Al bijna twee jaar stotter ik. Eerst hele dagen en op dit moment meestal alleen ’s avonds. Voor diegene die mijn berichten enigszins volgen weten dat dit door emoties en vermoeidheid de kop op steekt. Eigenlijk als gevolg van niet of onvoldoende rouwverwerking. Diverse fijne mensen heb ik naar hun laatste rustplaats mogen brengen. Mensen waarmee ik juist zo leuk en fijn onderweg was. Het begon zo’n beetje met Arie, de jagermeester, wat pijn in zijn buik en hij had een hekel aan artsen. “Ja hoor, die maken je beter, ja duhhuh”. Uiteindelijk moest hij eraan geloven en moest naar het ziekenhuis. Een operatie volgde en men kon niets meer voor hem doen. Het ziekenhuis, de plek waar hij niet meer uitkwam. En ja of Rick tijdens de uitvaart het orgel wilde bespelen. “En Jan, wil jij dan in de dienst spreken?” Natuurlijk. De anderen zouden Arie de kerk binnendragen. Bij het binnendragen van de kist in de kerk lag Arie’s patronengordel opgemaakt met bloemen op de kist. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonvader. Hij was niet zo lekker. De zuster van het zorgcentrum gaf aan dat hij maar vast naar zijn kamer moest gaan, ze zou zo bij hem komen met bloeddrukmeter. Even nog de buurman die stond te douchen met de voordeur op een kier de stuipen op het lijf gejaagd door een opmerking: “He Janssen, moet ik even je rug komen wassen, dan moet je wel even de zeep van de grond oprapen?” “Beemer donder op ouwe viezerik!” Hij ging lachend op bed liggen in afwachting van de zuster en sloot met een glimlach zijn ogen om nooit meer wakker te worden. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonmoeder die in een ander zorgcentrum verbleef piepte er ineens tussenuit. Hartinfarct, onverwachts. Eindelijk had zij rust. De dag na de begrafenis lag ik met zeer ernstige hartritmestoornissen getriggerd door een tekenbeet in het ziekenhuis waar de artsen vochten voor mijn leven. Ja, ik piepte er zelf bijna tussenuit. Toen preventief het stilzetten en weer op gang brengen van mijn hart op het programma stond bracht dit wel wat teweeg. Een routineklus, maar toch: “Mevrouw Brand, wilt u straks wel extra afscheid van uw man nemen? We bellen u wel als het gelukt is.” En MijnLief, had het hierdoor extra zwaar te verduren. Net haar moeder begraven en dan afwachten hoe het met mij af zou lopen. De dagen erna dagelijks naar mij op bezoek in het ziekenhuis. Na een week op de Eredivisie van het ziekenhuis mocht ik naar huis. Een jaar heb ik nodig gehad om er weer enigszins bovenop te komen. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn moeder voelde zich niet zo lekker. Dus onderzoek, en nog een onderzoek, nog een onderzoek, en weer een. Nog maar een onderzoek. Niets te vinden. Zo was ze al een jaar verder. Mijn vader wilde een second opinion. Wat het ene ziekenhuis niet vond, vond het andere wel. Alvleesklierkanker! Een k…..tziekte! “Maar snel opereren dokter”; was haar reactie. De arts gaf haar een antwoord wat niemand wil horen. “Mevrouw, al was u 21 en het zag er precies hetzelfde uit als nu dan zouden we ook niet opereren”. Op de vraag hoeveel tijd haar nog restte kreeg zij als antwoord: 3 maanden. Het werden er 3 1/2. Maanden waar ik mijn moeder zag interen van 85 kilo naar 32 kilo. Het maakte diepe indruk op mij!

Telkens was ik de vent die de rots in de branding was. De vent waar iedereen bij kon uithuilen. Mijn schouder was sterk en breed. Niets kon mij van mijn stuk brengen. En iedereen wist dat en maakte hier dankbaar gebruik van. En nu, nu ben ik een huilebalk. Zeker als ik weer niet kan praten of als het praten slechts wat gemummel is. Maar ik heb besloten het achter mij te laten. Alle fijne mensen die er niet meer zijn los te laten. Ik kan er niets aan veranderen. Wel kan ik omzien naar deze mensen met een een gevoel van mooie herinneringen die ik niet wil vergeten. Die herinneringen maken nog steeds diepe indruk op mij, maar met een goed gevoel. Ik ga verder!

Werk: 60 uur werkte ik per week, soms meer. De telefoon stond dag en nacht aan. Elk telefoontje, elk e-mailbericht zou wel eens een potentiële klant kunnen zijn. Dus ik was altijd bereikbaar. Alles moest wijken voor mijn werk. Geld was een geweldige bijkomstigheid. Maar wat als je van het geld niet kunt genieten? Wat als je het geld niet uit kunt geven omdat je het te druk hebt? Die tijd in het ziekenhuis heeft mij aan het denken gezet. 7 dagen lag ik op de Eredivisie van het ziekenhuis. Je hebt dan echt tijd om na te denken omdat de tijd toch stil staat. Na mijn ziekenhuisopname en de Eredivisie aldaar heb ik mij toen voorgenomen om alleen nog leuke opdrachten te aanvaarden. Opdrachten die mij inspireren. Opdrachten die mij een voldaan gevoel geven. Ja, er moet wel brood op de plank komen. Soms doe ik opdrachten gratis. De klanten die ik niets factureer staan soms met open mond te kijken en weten niet wat hen overkomt. Soms zijn opdrachten zo leuk en speelt geld op dat moment geen rol. En ik ga ervan uit dat als er bij hen ooit eens een vraag komt, dat zij mij aanbevelen. Een soort ambassadeurs van mij en mijn werk zijn ze dan. En het werkt!

Vakanties: Gewoon weer naar zonovergoten witte stranden met overal vrouwen met een klein bikinietje en een broekje met zo’n flosdraadje in hun bilnaad. Zo’n gevarendriekhoekje met touwtjes. Heerlijk! Heel gevaarlijk wat ik nu schrijf, want ik herinner mij zo’n voorval met een gevarendriehoekje met touwtjes. Een voorval van een paar jaar geleden in Schevingen. We hadden bij een strandtentje gereserveerd om eens lekker te eten en te genieten van de zonsondergang. Temperaturen van 30-plus was in die maand heel gewoon, met van die lange zwoele avonden. Heerlijk! Het buitenterras zat helemaal vol. Plots komt er een vrouw met kind van het strand het terras op lopen. De vrouw had niet de intentie om iets te willen eten of drinken, maar wilde vanaf het strand via de kortste weg de boulevard op. De dichtst bijzijnde trap van strand naar boulevard was wel dertig meter verderop dus….juist via het terras van het restaurant. Tot zover is er nog enig begrip voor de vrouw op te brengen, maar… de vrouw had niet zo veel kleding aan. Of eigenlijk ze had niets aan op een ieniemini bikinislipje. Slipje kan je eigenlijk ook niet noemen, het was meer een gevarendriehoekje met touwtjes. En het zat nog hartstikke strak ook. Ze was ook nog eens vrij gezet, had erg grote borsten, en die hingen bijna over haar knieën. Echt, dan schiet mijn schaamhaar zowat uit de krul he. Nee, het was geen fraaie verschijning. Terwijl ik dit met MijnLief bespreek hoor ik de twee jonge stellen achter ons tegen de vrouw zeggen: “Mevrouw, alstublieft zeg, we zitten te eten he?

Maar goed, dat terzijde. Ik ben er inmiddels achter gekomen dat 1 of 2 keer per jaar vakantie inplannen momenteel niet werkt om de ‘accu’ op te laden. Dus fuck-it we kunnen het nu betalen dus wat we sinds enige tijd doen is geen 2 lange vakanties inplannen, maar meerdere kleine vakanties. Weekendjes weg, een midweekje, een weekje naar Praag, Rome, New York, La Bournee, Saarburg, Maastricht, Londen, Aarhus, Dublin of iets dergelijks. elke twee maanden proberen we dit te doen. Telkens weer een lichtpunt om naar toe te leven. En het werkt!

Jagen voelt ook vaak als een soort mini-vakantie. Zeker als het meerdere dagen zijn. Daar moet ik ineens aan denken; jagen in Duitsland. Al weer een tijd geleden overkwam mij dit. Met de honden als drijver mee in een groot revier met uitgestrekte vlaktes, beboste steile hellingen en rotspartijen. De jagers waren al een tijd ervoor naar hun posten op hoogzitten en kansels gebracht. De drijversploeg ging op linie door het veld. Bij de steile hellingen aangekomen keek ik even naar mijn buurdrijvers hoe zij de helling zouden nemen. Nou, het was gewoon ieder voor zich bleek al snel. Met 2 honden door het veld ging heuvelopwaarts fantastisch. Het leken net 2 klimijzers. Ze trokken mij letterlijk omhoog. Toen neerwaarts. De honden zetten zich schrap. Ik ook, alleen hielp dat niet. De grip onder mijn laarzen verdween en voor ik het wist gleed ik met grote snelheid naar beneden, de honden aan de lijnen achter mij aanslepend. Nergens houvast. Ineens gleed ik langs een klein berkenboompje. Ik greep mij vast en niet veel later gleed ik met het berkenboompje in mijn hand verder. Een boomstronk stopte mijn val. Met mijn Knabbel en Babbel er bovenop. Het enige wat er dan door je heen gaat en langzaam ergens naar je buik kruipt is pijn. Zoveel pijn dat je wil kotsen en je ma wil bellen. Zo’n soort pijn. Mijn Knabbel en Babbel lagen als platgeslagen knaken in mijn broek. Vanaf een hoogzit en een kansel in de verte hoorde ik een vrouw roepen: “He Jan, wie geht es?” Onbegrijpelijk dat ik jagen nog steeds leuk vind na dit voorval, maar ja het ontspant zo lekker. Ook weer een gedachte die een plekje heeft gekregen.

Ik richt mij nu op de vakantieonderbrekingen, op mooie inspirerende opdrachten en op de fijne dingen. Fijne dingen zoals mijn nieuwe functie: family manager. Vroeger heette dat opa 😉

 

 

 

 

 

Advertenties

Terugblikken of vooruitkijken

Met de voeten net in het nieuwe jaar kijk ik terug op een bewogen jaar. In eerste instantie leek het vorige jaar een ver-van-mijn-bed-jaar te worden, echter de onrust kwam steeds dichter bij. De Nederlandse schaatsploeg die volop gouden medailles behaalden op diverse afstanden. Het Nederlands elftal op het WK, en nog door naar de derde plaats. Een passagiersvliegtuig wat van de radar verdwijnt. Mensonterende zaken in Syrië. Een vliegtuig met vakantiegangers op weg richting Bali welke door een raket boven Oekraïens grondgebied uit de lucht gehaald werd. Dat kwam gevoelsmatig al dichterbij. Mijn moeder die de diagnose krijgt dat zij kort te leven heeft. Beer, de jonge ruwhaar Teckel, die bijna doodgebeten werd.

Als ik er goed over nadenk is het overlijden van mijn moeder de meest ingrijpende gebeurtenis van het jaar. Voor een ieder heeft dit een andere impact. Voor mijzelf voelt het alsof ik ontworteld ben. De meest basale dingen  veroorzaken bij mij een emotionele aardverschuiving. En ja, dan heb ik last van emotionele incontinentie, ik hou het dan niet droog. Op de raarste momenten ben ik vergeten dat ze er niet meer is. Pannenkoeken bakkend houd ik er een paar over en maak aanstalte om er een paar in folie te rollen. Gewoon om even naar haar te brengen omdat ze mijn pannenkoeken zo lekker vond. En op het moment dat mij verteld wordt dat dit niet meer kan komt de confrontatie keihard binnen. Zo ook haar bellen dat Beer zo erg gebeten is. Ik toets haar nummer om mijn verdriet te delen en troost te zoeken. Prompt neemt mijn vader de telefoon op. Als ik vraag of ik haar mag spreken zegt hij dat dat niet meer kan. ‘Man doe niet zo raar, denk ik nog. Geef haar gewoon even!’ Of met de kerstdagen tuttifrutti willen maken en haar even bellen en naar haar recept vragen levert dezelfde emotie op. IK KAN HAAR NIETS MEER VRAGEN! IK KAN HAAR NIETS MEER LATEN ZIEN! ZE KAN MIJ NIET MEER HOREN!

Mijn vader accepteert haar verlies kranig, boven verwachting zelfs. Hij zorgt goed voor zichzelf. Hij wast, strijkt, kookt. Hij doet zijn boodschappen. Hij verzorgt zijn sociale contacten. Maar om de dag wandelt hij naar de begraafplaats om even haar graf te bezoeken. Laatst, toen ik hem ophaalde om samen met hem naar een tuincentrum te gaan zei hij dat we daar ter plekke koffie zouden drinken. Gewoon, gezellig. Op de terugweg, rijdend door de polder, kwam het gesprek op mijn moeder. Om de dag bezocht hij het graf van mijn moeder. “Ik kom er niet ontdaan vandaan, maar ik wil er gewoon even langs”, zei hij. Op mijn vraag of hij de dag ervoor naar de begraafplaats geweest was antwoordde hij ontkennend. “Ik zou eigenlijk vandaag weer even gaan”. “Zullen we samen even langsgaan?”vroeg ik. Volmondig antwoordde hij bevestigend. Bij de begraafplaats draai ik de auto de parkeerplaats op. Het is koud en winderig. Mijn vader kroop wat dieper zijn jas in. Langzaam liepen wij naar het hek van de begraafplaats. Langzaam opende mijn vader het hek. Hij zucht. “Kom, dan gaan we”. Knarsend verschuiven de stenen op het grindpad. Langzaam naderen we haar plekje. Voor het graf staan we stil. Ik zwijg. Mijn vader kijkt hurkt zich en schikt de paar plantjes die hij tijdelijk, totdat de steen wordt geplaatst, geplant heeft. Ik hoor hem mompelen: “Rini, ik ben er weer. We zijn weer even samen”. Ik brak.

Ik hoop toch zo dat dit nieuwe jaar ons veel vreugde zal brengen. Ik ben er zo aan toe.

Toen alles nog gewoon was of een brief aan mijn moeder

Eind juni. Familiegesprek in het ziekenhuis en wachten tot het slechte nieuws komt. Want dat dat komt is wel duidelijk. Maanden zijn er onderzoeken geweest zonder ook maar enige diagnose. Weer een scan, weer een bloedonderzoek. Kanker wordt voor 99,9 procent uitgesloten. Echoscopie; ook niets. Röntgenfoto’s… hummm, toch iets te zien.

In het gesprek wordt duidelijk dat kanker de boosdoener is, alvleesklierkanker met de nodige uitzaaiingen. Alle optie’s worden besproken. Opereren? Dat kan; als mijn moeders conditie beter is dan wat het nu is en als ze 23 jaar zou zijn. Chemotherapie? De behandeling blijkt ernstiger/heftiger dan de kwaal. Niets doen? Dan is het een kwestie van maanden in plaats van jaren voor mijn moeders einde nadert. De artsen doen hun uiterste best om het vervelende verhaal zo netjes en zorgvuldig mogelijk te brengen. Even komt het bericht binnen als een tijdbom. Mijn moeder is enorm emotioneel, logisch. Mijn vader is realistisch, nuchter. Hoe voel ik mij? Hoe gek ik het zelf vind: nuchter, krachtig, realistisch. Ze is er nog. ‘Tel je zegeningen een voor een. Tel ze allen en vergeet er geen.’ Daar moet ik aan denken. Tranen komen bij mij niet. Is niet nodig, ze is er nog. En als haar tijd gekomen is, dan zij dat zo. 77 jaar, 55 jaar gelukkig getrouwd en een mooi leven tot op heden. Waarom dan verdrietig zijn en treuren? Niet nodig! En toch, en toch… Is dat gek dat ik geen verdriet heb? Of zie ik echt overal het positieve in?

Later in het Erasmus MC. De artsen in het Erasmus MC vergaderen of zij wel of niet zullen/willen opereren. Alle onderzoeksresultaten worden geraadpleegd. Het besluit komt; eerst een goed gesprek met de patiënt zelf. Afwachten maar weer. De uitslag is overdonderend; er is niets meer aan te doen. Er wordt haar 3 maanden in het vooruitzicht gesteld.

Mijn moeder heeft de strijd gestaakt. Ze eet niet meer; geen eetlust, ze wordt er misselijk van. Eigenlijk is het wachten op het onvermijdelijke gestart.

Het is stil en toch is er herrie in mijn hoofd. Toen alles nog normaal was. Ja, daar denk ik aan. Al dagen schieten er herinneringen aan vroeger door mijn hoofd. Herinneringen die ik vergeten was of flarden ervan zoals mijn 5e verjaardag. Ik kreeg toen een prachtig speelgoed vliegtuig waarvan de propellers meedraaide met de wielen. Ik zie een oude zwart-wit foto voor me. Mijn haren in een strakke scheiding. Nieuwe kleren aan. Maar ook woorden schieten voorbij: Belga kauwgum voor 2 cent, VIVO, bommetje blauw, een pond gesorteerde koekjes, de schillenboer met paard, zoethout, VIM. Woorden met een herinnering. Een herinnering aan vroeger, toen alles in de wijde wereld niet boos en onveilig voelde.

Vervolgens flitst er een herinnering aan opa Brand door mijn hoofd. Mijn opa die van die mini-glaasjes water dronk. Raar. Er zat ‘dronkenschap’ in, zei hij dan. Dan weer, zo klein als ik was, leerde ik van hem shaggies draaien, want dat was makkelijk. Dan hoefde hij het zelf niet te doen.

Dan weer flitst er een herinnering van een verjaardag bij mijn opa en oma Voogt aan de Arenastraat in Rotterdam door het hoofd. Alle kinderen en kleinkinderen van hen zijn van de partij. De volwassenen in de huiskamer druk pratend en de kleinkinderen opeengepakt in een te kleine voorkamer, waar we her en der op de grond en zelfs onder tafel zaten. Op onze onvolwassen manier praten over de dingen van de dag.

Waarom die flarden door mijn hoofd schieten weet ik niet. Ik constateer gewoon dat het zo is. Wellicht heeft het te maken met de dood van mijn moeder.

Weer spoken er allerlei momenten door mijn hoofd. Nu weer van de fietstochten die ik met mijn vader samen reed. “Zullen we een eindje gaan fietsen zaterdag?” Nou, ja, waarom niet. Vervolgens blijkt dat de beste man een route had uitgestippeld van Rotterdam naar Zierikzee. Een tocht van 75 kilometer. Maar ben je daar, dan zul je toch echt nog eens terug moeten fietsen. Een optelsom die 150 kilometer aangeeft. Het laatste stukje van de fietstocht reed ik zowat op mijn wenkbrauwen terug. En mijn vader reed fluitend en zingend naast mij.

Ook de week dat wij mijn ouders in augustus 2012 meenamen naar ons vakantieadres in Frankrijk was voor hen een hoogtepunt. 8 dagen werden het in plaats van de geplande 7 dagen, waarin zij genoten. Zij wel. Ik voelde mij op dat moment net een taxichauffeur. Dit vanwege het feit dat mijn moeder ineens daar niet meer kon lopen. Alles ging ineens moeilijk. Ze vergat ook details. Om het hen naar de zin te maken en om hen toch te laten genieten van de prachtige omgeving reed ik ze overal naar toe. Naar plaatsjes, de kust, de heuvels. En ze GENOTEN. Dat feit, dat zij zo enorm genoten, werd mijn hoogtepunt. Na 8 dagen brachten wij ze thuis. Direct maakten wij rechtsomkeert om de laatste week in Frankrijk met z’n tweeën te genieten van de activiteiten die wij eerst niet konden doen. We probeerden twee weken in een week te proppen, een zinloze poging. Bij thuiskomst waren we kapot van het hollen, rennen en vliegen om toch nog zoveel mogelijk in ons tempo samen te beleven.

3 maanden na de gevreesde diagnose. Mijn moeder heeft geen kracht meer in haar benen en armen. Morfine onderdrukt de pijn. Ze ligt op bed en berust in haar lot. Vertrouwend op onze Hemelse Vader. In Zijn huis met de vele woningen, daar gaat ze naar toe zei ze.

Ondanks haar ziekte houdt ze vanuit haar bed de regie nog graag in handen. De was vouwen prima, maar wel op de juiste manier he. En dan flink bekloppen zodat het beter past in de linnenkast. Even swifferen, maar wel op de juiste dag van de week. Strijken, maar wel in de juiste volgorde en op de juiste manier. En ook zeker geen vreemde handen aan haar lijf. Voor hulp bij het douchen en naar het toilet gaan wordt steevast de hulp van mijn vader ingeroepen. Vooral dat laatste heeft ze de laatste weken en dagen uit handen gegeven omdat dit voor mijn vader fysiek echt een te zware opgave werd. Maar donders, wat ben ik trots op hem. Dat hij het zo enorm lang heeft weten vol te houden.

Over volhouden gesproken: De dokter zei de week voor haar overlijden nog:  “Nou mevrouw Brand, u houdt het wel lang vol.” Direct volgde mijn moeders antwoord: “Nou dokter u toch ook?” “Heeft u pijn?” “Nee hoor dokter!” Als ik dan verbaasd reageerde omdat ze net vertelde dat ze pijn hier en pijn daar had kreeg ik steevast als antwoord: “Ach joh, je moet niet alles willen voelen.”

Maar ook denkend aan die ene middag waarop mijn moeder wat in haar la rommelde en mij een armband gaf geeft mij een warm gevoel. “Voor jou Jan.” Ik was en ben oprecht blij. Maar toen ik opmerkte dat het een damesarmband was reageerde ze direct: “Nou en, alsof jij je ook maar een moment druk maakt om dat soort dingen.”

Ik kookte  die maanden regelmatig voor mijn ouders. Ouderwetse zelfgemaakte pannenkoeken waren haar favorieten.  Maar ook bruinebonensoep; in de zomer…

Die flarden, al die flarden, die herinneringen, realiseer ik mij nu, zijn hoogtepunten. Mijn hoogtepunten in mijn verleden. Wellicht dat de ziekte van mijn moeder mij onbewust heeft laten terugblikken op grote en kleine hoogtepunten in mijn leven, als verwerking van dit verlies.

Ze overleed een aantal weken geleden in de leeftijd van 77 jaar.

En zojuist heb ik weer  pannenkoeken gebakken, dit keer voor mijn gezin Er waren er nog een paar over. Straks even bij ma  langs brengen dacht ik en ik maakte aanstalten om ze op te rollen en in folie te doen. Toen kwam de realiteit keihard binnen. Die pannenkoeken hoeft ze niet meer! Ze is er niet meer. Ik kon de tranen niet meer bedwingen.

Afscheid nemen bestaat niet. Ma, wij gaan elkaar weer zien.

Alette ontbijt

Arie Snijders is niet meer

Het nieuwe jachtseizoen gaat bijna weer beginnen. Het beloofd veel goeds. In het veld heb ik aardig wat fazanten gezien, de nodige hazen en veel eenden. Ik denk dat het een mooi seizoen wordt met veel wildbraad.

Vanmorgen was ik voor schadebestrijding op de duiven bij de manege bij Stephanie, mijn dochter. Zij beheert de manege. Er zitten zo ongelofelijk veel verwilderde postduiven. Bovendien mankeren ze allemaal wel wat. De een heeft maar twee tenen aan een poot, de ander loopt op stompjes en weer een ander heeft rare uitslag rond de ogen of een zakdoek in de poot. Maar serieus. Stephanie had al aangegeven dat zij voor koffie zou zorgen.

Tijdens de koffie vertelde Stephanie nog over de keren dat zij mee mocht als drijver bij Arie Snijders. “Weet je nog pap bij Arie; met z’n allen in dat kleine hokkie eten na de jacht? Het was er zo klein en het zag er blauw van de sigarenrook. En die ketel met varkenskoppen pruttelend in de bijkeuken? De houtkachel werd door Arie zo hoog opgestookt dat een Zweedse sauna er niks bij was. Toen liet Arie mij nog proeven van zijn zelfgemaakte zure zult”. Ja, ik wist het nog. 

Het is inmiddels alweer bijna twee jaar geleden dat Arie op de dag van de opening van het jachtseizoen er tussenuit piepte.

Precies op die dag kwam ik 10 jaar eerder voor het eerst bij Arie. Op de kop af 10 jaar. Dat weet ik omdat toen mijn goede apporteur, Bengel de Golden Retriever dood ging. Arie vroeg aan de telefoon: of dat ik zin had om eens langs te komen; “Want jij schijnt een goede hond te hebben”. Dat was 10 jaar geleden.

Toen Rick mij verteld wat er gebeurd was stond Ik perplex, ik was sprakeloos en kon moeilijk de juiste woorden vinden. Rick had het ook moeilijk. Er vielen ongepaste pauzes in ons gesprek. Pauzes waarin we allebei ons probeerden te vermannen. Maar tevergeefs.

Arie, zo’n markant figuur. Het kan niet, het zal toch niet? Het is maar al te waar. Rick vertelde dat hij vrijdag nog bij Arie een bakkie deed en erna een borreltje. In het weekend werd Arie beroerd, misselijk, kotsen. De dag erna hoge koorts. Huisarts erbij. Naar het ziekenhuis concludeerde hij. In het ziekenhuis troffen de artsen een forse tumor bij de maag aan. Arie is niet meer wakker geworden. Heel de dag was ik mijzelf niet. Die dag zette ik mijn gevoelens op papier. In een brief aan Rina, zijn vrouw, gaf ik aan wat Arie’s dood met mij deed. Rick belde een dag later met het verzoek van Rina of ik mijn brief tijdens de uitvaartplechtigheid wilde voorlezen. Geen seconde hoefde ik hierover na te denken. Natuurlijk zou ik dat doen. Van Rick hoorde ik dat Arie’s jachtvrienden een prominente rol zouden spelen tijdens de uitvaart. Jaap en Erik waren twee van de dragers. Rick bespeelde het orgel en zou na mij spreken tijdens de uitvaart.

Twee dagen later viel de rouwkaart op de mat. Een nette typisch-Arie-kaart. Met naast de bekende bloemen een geweer en binnenin een afbeelding van een fazant. Dat was Arie.

Dan breekt de dag van de uitvaart aan. Ik voelde me wee. Zenuwachtig was ik niet om voor een grote groep mensen te spreken, maar ik voelde me raar, verdrietig, terneergeslagen. Er zat een rotgevoel in mijn systeem wat ik maar geen plek kon geven.

Als ik bij de kerkzaal kom ben ik veel te vroeg. Ik zoek een plekje in de kerkzaal. Schuifelend kwamen mensen binnen en langzaam stroomde de zaal vol. Toen de plechtigheid aanving werd de kist van Arie binnengedragen. Op zijn kist zag ik een klein net bloemstukje en een… een… Ik kon het niet goed zien. Dan zag ik dat het zijn patronengordel was die opgemaakt was met kleine bloemen. Nu had ik het echt even slecht. Ik moest mijzelf echt vermannen. En wonder boven wonder lukte dat. De begrafenisondernemer wenkte Rina en Marleen, Arie’s dochter, om naar voren te komen. Kranig waren beide vrouwen, echt kranig. Met zoveel verdriet toch een nette toespraak houden is niet iedereen gegeven. Het eerste lied schalde door de kerkzaal en niet veel later was het mijn beurt om te spreken. Met een diepe zucht begon ik met mijn brief. Het kostte mij moeite om de brief voor te lezen. Gelukkig met wat pauzes op de juiste momenten slaagde ik er in de brief netjes te verwoorden.

Na de kerkdienst sloten we in een stoet achter Arie’s kist aan op weg naar de begraafplaats. Arie werd toevertrouwd aan zijn laatste aardse rustplaats.

Arie, buitenmens pur sang. Hij was altijd met een vorm van eten bezig of praatte daar over. Een man naar mijn hart. Niet een prater als het over gevoelens ging, maar af en toe een praatjesmaker in de goede zin van het woord. Hij vertelde zijn verhalen met zoveel smaak: “Joh, ik schoot op 200 meter een spreeuw uit de lucht. 2 seconden later tijdens de val van het dier bleek het toch een duif te zijn. Niet veel later was het een eend. Maar uiteindelijk plofte er een Canadese gans naast mij op de grond.” Ja hoor, ‘tuurlijk, en mijn moeder heeft een kanarie van 60 kilo. En dat is ook gelogen. En dan te weten dat het bereik van een hagelgeweer dodelijk is tot op 30 meter afstand en zeker niet op 120 meter!

Die verhalen, ik smulde er van. Zo ook die keer dat Arie aan de slootkant onkruid aan het wieden was. Om onverklaarbare reden rolt de kruiwagen met net gekloofd haardhout de dijk af richting Arie. “Ik kon me omdraaien, de afgevallen blokken snel in de kruiwagen smijten voordat ik de kruiwagen stopte. Door de klap viel ik in het water. Maar nog voor ik het water raakte kon ik mijn shagbuil op de kant gooien zodat mijn shag droog bleef. Ik raakte het water en kon nog net 8 eendenpullen redden voordat ik op hen viel. Nou, gelukkig viel het mee. En toen ik het water uitstapte zat er ongeveer 10 kilo paling in mijn laarzen. Is het toch nog ergens goed voor geweest.”

Of die keer dat Arie zijn stuk dijk wilde ontdoen van onkruid. Met de hand wieden was ondoenlijk. Zo’n groot stuk. Ja dan heb je Arie weer, die snorde een vat petroleum op. Dop eraf. Gooide het vat op zijn kant en stak de petroleum aan en trapte het vat langs de berm van de dijk. Niet veel later stond heel de dijk in de fik.

Arie kookte ook gerust 30 liter erwtensoep. Er waren broodjes gekookt spek bij. ‘Plakjes’ spek van ruim een centimeter dik. Als toetje kreeg je nog een bordje bruine bonen met stroop en uitgebakken spekjes. En dan waren we met ons tienen. Hij verwachtte wel dat de 30 liter soep, de broodjes spek en de bonen met stroop en spekjes opging. Man, drie dagen lang liet ik winden. Van die grote groene wolken. Ik heb wat nachten op de bank geslapen. Mijn vrouw raakte zo vaak bewusteloos als ik toch in bed kroop. En zo kan ik nog uren doorgaan met het vertellen van verhalen over Arie.

En het betekende echt veel voor mij als Arie belde met een uitnodiging om te jagen. Voor Arie is het jachtseizoen definitief voorbij. Een moordvent!