Terug in de tijd

Terwijl ik zo wat verhaaltjes zit terug te lezen moet ik ineens denken aan uitgenodigd worden om te gaan jagen in Frankrijk, maar dan een paar honderd jaar geleden. Hoe zou dat zijn gegaan? Nu informeer je per telefoon of per e-mail of het gewenste bungalowtje, hotelletje of de bewuste campingplek nog beschikbaar is. Nu boek je dat per internet. Per vliegtuig of per auto zit je in een paar uurtjes op je geboekte jachtadres aan een drankje te praten met de jachthouder. Voor diegene die niet in één keer de rit per auto willen maken maar tussentijds overnachten is er de mogelijkheid om ergens nog halverwege een hotelletje of een bed & breakfast te pakken welke weer van alle gemakken voorzien zijn.

Bij aankomst wordt per mobiele telefoon, hetzij mondeling hetzij per Whatsapp, aan het thuisfront gemeld dat je goed en veilig bent aangekomen. Daarna neemt een ieder een verfrissende douche. Per auto ga je nog even naar een hypermarché om daar wat boodschappen voor de komende dagen in te slaan. Het vlees en de andere bederfelijke waar wordt netjes in de koelkast of het vriesvak bewaard. Met een boot met jetstream-aandrijving bekijk je in een paar uurtjes de volledige kustlijn waar het jachtrevier naast ligt. Je maakt de nodige foto’s en video-opnamen om je familieleden thuis te laten zien hoe mooi het was tijdens de jachtdagen in Frankrijk.

Bij thuiskomst melden we via Facebook aan vrienden  en familie hoe het geweest is. Allemaal snelle en moderne verbindingen die we niet meer uit ons dagelijks leven weg kunnen denken. Hoe anders was dit in de middeleeuwen. Ik stel mij het dan als volgt voor:

Als je richting Frankrijk ging moest je zorgen voor een schoudertas, een zadeltas, je wapen bijvoorbeeld een speer of pijl en boog en een warme deken. Je zwaard en je mes had je in een schede om je heup hangen. Je wist tenslotte maar nooit wat je onderweg tegenkwam. Met wat proviand voor de eerste dag vertrok je dan. Na een rit van zo’n veertig kilometer werd er gestopt. Het paard was moe en bezweet en zelf ging het lopen na het afstijgen ook niet geheel moeiteloos, dan liep je het eerste uur laat ik maar zeggen ‘met-je-armen-wijdbeens’. Het paard werd aan de boom geknoopt. Tegenwoordig doen ze dat op een iets andere manier met een hond die overbodig is geworden, maar goed. Je moest in het buurtschap waar je was aangeland zoeken naar een herberg. Je bestelde bij de waard van de herberg een pul bier en vroeg en passant of hij onderdak voor de nacht had. Gelukkig bleek dit het geval te zijn. In deze herberg liepen ook de nodige dames rond met een decolleté waar de rondingen praktisch uitvielen. De waard vroeg beleefd of je zin had in nog een bier en een warm bed. Je bent tenslotte alleen. Na de nacht duwde je je hoofd in een drinkbak die buiten stond. Met dit koude water waste je lekker je gezicht. Er werd bij de waard afgerekend en je vervolgde je weg weer richting het zuiden. Onderweg werd op een met gras begroeid weggetje je leven bedreigd door twee onverlaten welke beide vervaarlijk met een sabel in jouw richting zwaaiden. Gelukkig had je veel ervaring in het zwaardvechten en werden deze schurken met een paar wel geplaatste steken dood achtergelaten samen met wat andere stukken afval. Na ongeveer vijftig kilometer voelde je je rug en je achterwerk aardig branden van de inmiddels ongemakkelijke houding in het zadel. Wederom werd er een herberg aangedaan. Opnieuw was er gelukkig weer plaats. Wederom was het bed warm, niet door de elektrische deken, maar door een vrouwen lichaam. Haar naam wist je nog niet. Toch maar even vragen, dat was wel zo netjes. Ach, ze bleek nog maar zeventien te zijn. Lekker jong en fris dus. Tegenwoordig word je voor de gedachte alleen al opgepakt en vastgezet. De volgende dag in de vroege ochtenduren sprong je even in de sloot om je eens goed te wassen. Eenmaal aangekleed nam je het gekochte stuk brood en at je dit in het zadel samen met het restant van het geroosterde konijn welke je gisteren met een strik gevangen had. Gelukkig nog maar 1260 kilometer, ongeveer 31 dagen rijden, het schoot al op!

Na 30 dagen bereikte je de streek waar je uitgenodigd was voor de jacht. Langs het zandpad stond een enorme muur met daar achter een grote hoeveelheid wijnranken. Rustig dirigeerde je het paard richting het in de verte zichtbare huis. Even later rende een vrouw gillend tussen de wijnranken door richting het huis. Je riep nog: ”Deerne, waarom schreit gij?” Wel beeld, maar geen geluid zal ik maar zeggen. Geen antwoord. Halverwege het pad kwam een man met een zwartkruit geweer naar je toe. Het geweer werd op je gericht en de man zei: ”Bonsoir. Comment vous appeler? Ou est votre compagnon de voyage?” (Goedenavond. Hoe heet u? Waar is uw medereiziger?). Maar ja, je verstond geen woord van wat die man zegt. Gelukkig wist je de man te overtuigen dat je geen kwaad in de zin had en mocht je in het hooi blijven slapen… samen met de vrouw die eerst gillend voor je weg rende. Hè,… heerlijke ‘vakantie’. Na twee weken besloot je weer terug te gaan naar Den Nederlanden, een reis van 31 dagen met de nodige gevaren. Als je na 74 dagen weer op het kantoor van de schout terugkeerde zag je dat er iemand anders achter jouw katheder stond. Vreemd, je bent tenslotte maar twee weken in Frankrijk geweest om een weekend te jagen. En even een fax versturen ging toen nog niet!

Hoe zou dat eigenlijk geweest zijn in de prehistorie? Dan gromde je naar je vrouw die boven een houtvuur in de grot een holenbeer aan het roosteren was? Dan gromde je twee keer en dan kreeg je een bordje warme holenbeer of zo iets?

Komkommertijd of vakantieperiode

De Tour-de-France is voorbij. Voor mijn gevoel dreig ik nu in een gapend gat te vallen, ik luisterde of keek elke dag. Boeiend vind ik de etappes, de omgeving waar gefietst wordt, maar bovenal de uitspraken van de commentatoren Maarten Ducrot en Herbert Dijkstra. De betekenissen ontgaan mij in ieder geval vrij vaak. Ik noem er maar even een paar voor de beeldvorming:

  • ‘Bij kilometer 9 zal hij alle duivels los moeten laten’;
  • ‘Hij heeft zijn benen weer gevonden’;
  • ‘Hij heeft zijn 2e leven gevonden’;
  • ‘Hij is de meubelen aan het redden’;
  • ‘Hij zit nu echt te preluderen’;
  • ‘Hij heeft de kussens wel opgeschud’;
  • ‘Die gast rijdt met zijn platte bek in een bontjas’;
  • ‘Hij rijdt in de chasse-patat’;
  • ‘Het peloton begint nu te vibreren’;
  • ‘Ze gaan nu uitbollen’;
  • ‘Ze zijn nogal druistig gestart’;
  • ‘Hij snokt nog 1 keer’;
  • ‘Hij zit achterstevoren op de fiets’;
  • ‘Ze zetten het even op de kant’.

Zomaar wat uitspraken waardoor het voor mij extra levendig werd. Nu is het weer komkommertijd. Ik merk dat als ik bedrijven bel en de contactpersonen zijn met vakantie of kunnen niets afspreken omdat collega’s met vakantie zijn. Ik merk het ook in de straat; caravans nog net niet in rijtjes geparkeerd van buren die met vakantie gaan. Bij de een staat de caravan een maand lang voor de deur met een groot verlengsnoer richting caravan, de ander haalt de caravan en is de volgende dag vertrokken. Weer bij andere buren zie ik dat de dakkoffer op de auto gemonteerd wordt. Als je dan bedenkt dat zij over twee weken pas vertrekken dan snap ik de haast met het monteren van de dakkoffer niet. Van een buurman zag ik dat ie aanstalten maakte om te vertrekken. Gekleed in bermuda broek liepen man en vrouw om en in de caravan. Allerlei spullen werden naar de auto gedragen. Aan de spullen die in de auto en caravan verdwenen ziet het er naar uit dat ze 4 maanden wegblijven. Zelfs de boodschappen moeten mee; aardappelen, macaroni zie ik in een tas zitten. Dan zullen er op de plaats van bestemming vast geen supermarkten en overige winkels zijn. Ik schat zo in dat ze naar IJsland gaan met de caravan. Ik zie tenslotte ook allerlei drijfdingen die aan de binnenkant op strategische plaatsen van de auto worden  gepositioneerd. Och, voor de oversteek over water natuurlijk. Extreem survival-kamperen!

Ze gaan! De man koppelt de caravan vast aan de auto. Nee, ze gaan niet. Man en vrouw gaan weer naar binnen. Vanavond vertrekken ze waarschijnlijk. Ook niet! De volgende dag blijft de caravan achter de auto gekoppeld. Lijkt mij lastig als je nog even snel naar de winkel moet als die caravan er al achter hangt. En ook deze dag vertrekken ze niet. Dus al 2 dagen hangt de caravan er achter. Dan ineens verschijnt de man met opzetspiegels. Dit van die spiegels had ik kunnen weten, maar als je blij bent dat mensen weggaan ben ik niet zo’n kniesoor die let ik op die kleine details. Zo de spiegels zitten erop. En weer verdwijnen ze naar binnen. Een uur, twee uur blijft de deur gesloten. Maar dan verschijnen de kinderen, tieners ten tonele. Ze gaan in de voortuin op het bankje zitten. Elk moment zullen ze wel vertrekken denk ik. Maar nee hoor, pa en moe laten zich nog niet zien. Als ik na een uurtje of twee tijdens het maken van een kop koffie naar buiten kijk is de caravan er nog, maar zijn de kinderen weer weg. Pfff. Maar zonder ook maar enige waarschuwing of op een andere subtiele manier mij laten weten dat ze weggaan zijn ze ineens met auto en caravan verdwenen. Ben benieuwd of ze na het lange weekend nog terugkomen of dat het echt 4 maanden is dat ze wegblijven.

Verbouwen

Met de laatste kleine klusjes op mijn lijstje krijgt mijn jaren ’50-kantoor steeds meer de industriële uitstraling die ik voor ogen had. Het gevoel en de sfeer die mijn kantoor uitstraalt wanneer ik achter mijn bureau zit terwijl ik lekker aan het werk ben zijn perfect te noemen. Met regelmaat struinde ik internet af naar een olielamp, een industriële antieke fabriekslamp, een krukje, een oude radio of andere items om de sfeer nog beter te benadrukken. En natuurlijk ook was de gang naar een bouwmarkt noodzakelijk om het kantoor verder af te maken. Bij ons in de buurt is er in de buurt een echte mega-bouwmarkt. Het is er ook altijd druk. Het assortiment wat aangeboden wordt is er ook mega, zo ook het personeel. Echt veel personeel loopt er rond. Wel af en toe personeel dat, als ik er verantwoordelijk zou zijn, er toch iets anders bij zou lopen en zich anders zou gedragen. Achter een van de kassa’s zat een jonge vrouw, van top tot teen onder de tatoeages. Tot op haar hoofd aan toe. Natuurlijk zegt dit niets over haar kwaliteiten als caissière, maar het oog wil ook wat. Ook valt mij op dat ze bij haar polsen flink wat snijwond-littekens heeft. En ook dit zegt weer niks, maar ik verbond er toch ongemerkt een oordeel aan. Ik wandelde verder door naar de houtafdeling voor wat planken. Terwijl ik aan het zoeken was riep de natuur mij en moest ik een plas maken. Grote bouwmarkt, tja en dan ook druk bij de toiletten. Bij de damestoiletten stond zelfs een rij. Vlak voor mij liepen twee stevige bouwmarkt-medewerkers, ik schat beiden op 0,12 ton, richting de heren toiletten. De een stekeltjes, de broek half op de kont, de ander lang haar met aan de zijkant van het hoofd de boel kaal geschoren. Even kijken ze naar de rij bij de damestoiletten. Met een stem als ware zij degene die de Gauloise-sigarettenfabriek stevig sponsorde: “He Son, mij te druk ik ga even bij de heren”. “Prima Alie, ik ga met je mee!” Ik vind daar wat van. Mijn gedachten gaan dan met mij aan de haal. Ik stel mij dan dingen voor die er waarschijnlijk niet zijn, maar ik schrijf ze hier even.

Terwijl de dames richting heren toilet lopen verwachtte ik eigenlijk dat zij naar de wc-potten zouden gaan, maar beide dames liepen in een ruk naar de urinoirs. Beiden haalde een plastuit uit de kontzak. Met elk een hand bij de schaamstreek en een arm over de schaamschotten stonden ze te plassen. Ik hoorde het gesprek aan: “Ben je al klaar met het vullen van het rek met 1/2 duimse pijp?” “Nee joh Son, ik heb een breuk in mijn schaamlip. Ja joh, opgelopen bij het stapelen van die zakken betonmortel”. Sonja keek de man naast haar urinoir aan en bitst hem toe: “He lul, hou je eigen plastuit vast ja!” En ze vervolgde haar gesprek met Alie: “Ja joh, hij blijft openhangen.”

Ik vraag mij dan ook af of zij na einde werktijd hun bezem starten om naar huis te gaan of dat zij zich zouden omkleden volledig in het zwart.

APK

Zoals door de RDW per brief aangegeven is het vandaag tijd voor de APK van mijn Nemo bestelwagentje. Een afspraak bij mijn garage heb ik een week geleden hiervoor gemaakt. Nadat ik de auto gebracht heb en net thuis aan een bakkie koffie in de tuin zit word ik door de garage gebeld: “Hallo Jan, de APK zal geen problemen opleveren nadat we de massa-storing van de achterlichten hebben verholpen”. “Mooi zo”; zeg ik nog. Maar op mijn reactie krijg ik gelijk nog even een opsomming wat er nog meer mis is met mijn bestelhobbeltje: ruitenwissers, distributieriem, kleine beurt moet echt een grote beurt worden want het luchtfilter zit zowat volledig verstopt. En oh ja, houdt er ook rekening mee dat binnen een aantal maanden de versnellingsbak aan vernieuwing toe is, want de lagers zijn goed te horen.

Ik ben blij met de monteurs van deze garage. Het zijn echt vaklui, maar toch op een of andere manier gaat mijn verstand met de werkelijkheid op de loop. Terwijl ik de monteur aan de telefoon heb glijden mijn gedachten weg. Het gaat ongeveer zo:

“Hallo Jan, de APK zal geen problemen opleveren nadat we de massa-storing van de achterlichten hebben verholpen”. “Mooi zo”; zeg ik nog. Maar op mijn reactie krijg ik gelijk nog even een opsomming wat er nog meer gedaan is. ruitenwissers, distributieriem, kleine beurt moet echt een grote beurt worden want het luchtfilter zit zowat volledig verstopt. En oh ja, houdt er ook rekening mee dat binnen een aantal maanden de versnellingsbak aan vernieuwing toe is want de lagers zijn goed te horen. We hebben ook gelijk maar een zwaailicht op het dak gemonteerd want we zagen het bordje met faunabeheer onderaan de voorruit. Wel zo handig een zwaailicht. Tevens hebben we een aanhanger voor je besteld, want het betreft wel een kleine bestelauto waar je in rijdt. En zo kun je toch meer kwijt met een aanhangwagen erachter. Ook hebben we van je diesel een elektrische versie gemaakt. We zijn tenslotte goed voor het milieu. Daar komt bij dat we voor je huis gelijk 10 zonnepanelen hebben besteld zodat het opladen van de accu’s van je Nemo niet direct in de papieren lopen. En och, bijna vergeten; we hebben gelijk de adoptiepapieren voor je in orde gemaakt. Je krijgt nog een nakomertje. Je lijkt mij zo’n leuke vader”.

En bedankt!

Als geluk tastbaar is

29 graden en volop zon. Geen zuchtje wind en de vooruitzichten zijn veelbelovend.

Als God in Frankrijk. Wie kent dit spreekwoord niet? Voor een ander zal er wellicht een ander land kunnen staan, bij mij is dat echt Frankrijk. Laatst mochten we weer een week genieten van de heerlijkheden van dit land. Zon, ruimte, rust, kaasjes, worsten, culinaire hoogtepunten.

Met enige regelmaat verblijven we in Frankrijk in een Troglodyte, een grotwoning, in La Bournee, een buurtschap in de buurt van Saumur. Uitgehouwen zandsteen onder het maaiveld. De rivier de Loire dicht in de buurt. Jachtvelden om de hoek.

Voor de opening is dan een nette voorgevel gemetseld, natuurlijk van zandsteen. Op het dak (het maaiveld) de normale begroeiing, in dit geval een leuke tuin. De honden kunnen lekker rennen in de tuin op het niveau van de woning. Vogels van allerlei pluimage fluiten alsof hun leven ervan afhangt. Een gekrakeel van vogelgeluiden, heerlijk. Voor de rest niets, geen bijgeluiden uitsluitend vogels. Met regelmaat zie je een hagedis of een slang langs de wanden van de uitgraving een nog beter plekje zoeken om op te warmen in de zon.

We besluiten Tours te gaan met een tussenstop in Montsoreau. Even een ontbijtje met koffie en een croissant op een terras, maar vanwege de drukte zat dat er niet in. Iedere 2e zondag van de maand is er antiekmarkt. Eentje waarvan de kwaliteit en de diversiteit aan spullen tot buiten de landsgrenzen bekent zijn. Langzaam schuifelden we van kraam naar kraam. Wat mij het meest intrigeerde was een kraam met gesmeden sloten en sleutels van wel zeer oude deuren. En, alles nog goed werkend. Even twijfelde ik om zo’n slot mee te nemen voor bijvoorbeeld onze tuindeur of zo. Maar ja, veel te groot, te robuust. Nadat we echt alles gezien hadden liepen we op ons dooie akkertje naar de auto om onze weg te vervolgen naar Tours.

Tours, zo’n gezellige stad met een oud en een nieuw centrum. Ik ben meer voor dat oude centrum met zijn vakwerk huizen. Het lijken wel huizen en winkels uit een attractiepark. Ik geniet. Winkeltjes met outdoor spullen, winkels met wijn, met ambachtelijke nougat, een winkel van een couturier waar echt alle kleding nog maatwerk is, een snoepwinkel. Ik kwijl nog net niet.

Wandelen maakt dorstig! Als we op het centrale plein van het oude centrum komen omarmen de terrassen elkaar. Een ruim aanbod; restaurantjes, bistro’s, cafeetjes. We besluiten het er even van te nemen met een glaasje wit en een Frans biertje, die ijskoud is. Ik realiseer mij dat in dit geval geluk tastbaar is. Even helemaal niets moeten, nergens aan hoeven denken of ergens mee rekening moeten houden en dan mensen kijken genietend van een koud biertje. Proost!

DSCN1868

antiekmarkt van Montsoreau

 

Flashback

Het is koud, -7 met een gevoelstemperatuur van -17 graden Celsius. Hier en daar sneeuw. Vanuit mijn werk onderweg naar huis, over de A2. Het schiet maar langzaam op. Het begint al wat te schemeren. Kinderen schaatsen op het ijs. Een leuke sliert met jongens en meisjes vermaken zich op het ijs.

Het is koud, -10 op de thermometer. Overal ligt sneeuw. Vanuit school spullen thuisbrengen, schaatsen pakken en naar het ijs. Het schoot maar langzaam op. Op de Lede ligt goed zwart ijs. Jongens waren bezig een echte goede baan op het ijs te maken. Aan de rand van de sloot ging ik op een oude krant zitten om mijn schaatsen aan te trekken. Ik had ze net nieuw gehad. Met enige kracht trok ik de beschermers van de schaatsen en legde ze naast mijn schoenen op de kant. Wat onstabiel maakte ik mijn eerste slagen op mijn nieuwe noren. Ik was er groots mee. Het schaatste lekker, maar zo nu en dan moest ik mijn evenwicht nog wat hervinden. In de verte kwamen twee meisjes aan schaatsen. Een met donker haar. Dat is het enige wat ik mij van haar kan herinneren. Welke kleding zij droeg en op wat voor schaatsen zij schaatste kan ik mij niet meer voor de geest halen. Van het andere meisje weet ik nog elk detail; schouderlang hoog blond haar, oorbelletjes in de oren, een zilverkleurig donsjack aan met een skinny spijkerbroek eronder en schaatsend op witte kunstschaatsen. Al babbelend schaatste zij mij tegemoet. Onze blikken kruisten elkaar. Ik probeerde mij letterlijk staande te houden op het ijs. Wat was ze leuk. Terwijl ik naar het einde van de oneindige sloot schaatste merkte ik op dat haar vriendin weg was en zij kort achter mij aan schaatste. Ze had de beschermers van haar schaatsen in haar handen en zwierig kwam ze langszij. “Wil je mij helpen? Ik kan nog niet zo goed schaatsen”; zei ze. “Als je mijn beschermer ook vasthoudt lukt het mij vast beter”. Ik pakte de beschermer vast. Samen schaatste we verder. Ze loog trouwens, ze kon schaatsen als een tierelier, maar dat boeide mij op dat moment maar weinig. Hier schaatste ik samen met een voor mij wild vreemd meisje, een heel mooi meisje. We schaatste van het ene einde naar het andere einde van de sloot. De tijd vergleed. “Kom, geef me je hand, zei ze, dan heb ik wat meer houvast”. En teder schoof ze haar hand in de mijne. Ik voelde mijzelf gloeien,…wellicht door de kou. De straatlantaarns gingen aan. Vijf uur, tijd om naar huis te gaan. Maar ik wilde niet. Zij moest naar huis zei ze; ‘Want als de lantaarns gaan branden is het vijf uur en daarna gaan we eten”. We deden onze schaatsen uit, onze schoenen aan en liepen over het besneeuwde gras naar de straat. Ze zei gedag en op een holletje rende ze linksaf richting de Brink. Ik heb haar het hele eind nagestaard want ze was zo leuk.

De volgende dag wist ik niet hoe snel ik vanuit school naar huis moest rennen om mijn schaatsen te pakken en richting het ijs te gaan. Terwijl ik richting het ijs liep en op oude kranten plaatsnam om mijn schaatsen aan te trekken speurde ik de sloot af of ik haar ook zag. Maar nee, ik zag haar nergens. Teleurgesteld schaatste ik naar het andere einde van de sloot. Ik zag haar nergens. Ineens werd ik vanachter in mijn rug gebonkt. “Jij was er eerder, maar ik kon je niet bijhouden”. Ze hield mij met beide handen vast. “Kom dan gaan we weer”; zei ze. “Geef me je hand” zei ik stoer. Direct klemde ze haar hand in de mijne. Aan het andere einde van de sloot stopten we even. Ze kwam voor mij staan en omhelsde mij. Haar hoofd legde ze tegen mijn borst. “Leuk he, zo samen schaatsen?” Leuk, ik vond het hemels. Voor mijn gevoel heeft er twee maanden ijs gelegen. Toen het ging dooien zag ik haar niet meer. Hoe zij heette weet ik niet want ze heeft haar naam nooit genoemd. Hoe oud was ik? Ik schat dertien jaar.

De auto achter mij toetert, we schuiven weer vier meter op in de file. Een sliert met jongens en meisjes vermaken zich op het ijs.

Winter

Als je naar buiten kijkt lijkt het geen winter, eerder lente. De crocussen steken hun koppie boven de grond, de zon schijnt uitbundig en de zonnewarmte wint aan kracht. Maar als je buiten loopt zegt de temperatuur toch anders, -5. En dat terwijl we niet eens met wintersport zijn, maar gewoon in ons eigen kikkerlandje duiken de temperaturen naar beneden. -10 tot -13 in de vroege ochtend bij een gevoelstemperatuur van -14 tot -17 graden. Eigenlijk heb je geen thermometer nodig, je merkt het vanzelf dat het hard vriest als je struikelt over de hondendrollen in plaats van dat je er door uitglijdt.

Vanmorgen even met Frits wezen sporten in het park. Even, want ik kotste zowat mijn hart uit. Al dagen aan het kwakkelen, hoesten, wat verhoging. De laatste oefening deed mij bijna de das om. Maar goed, ik heb weer wat gedaan. Een paar spierpijnopleverende oefeningen, waarvoor dank Frits. Een half uurtje oefeningen gedaan. Echt koud had ik het niet, totdat… door het even op adem komen en het stilstaan ik het gevoel had dat mijn tenen los in mijn schoenen lagen. Maar al met al weer bewogen en daardoor 10 gram afgevallen onder mijn ogen. Het is het waard!

Nu de 11 stedentocht nog en het is echt winter. Het wordt tijd.

Bereikbaar

Met veel plezier schrijf ik over geneuzel wat ik meemaak. Soms kijkend over de schouder van een ander, soms vooraan staand bij de dingen die er toe doen. Dan weer over zaken die totaal onbelangrijk zijn, maar wel leuk om er op papier over te zeiken en te ouwehoeren. Heerlijk vind ik dat om te doen. Zou ik niet schrijven, dan moet ik proberen teveel leuke dingen te onthouden om hierover later ooit nog eens te kunnen vertellen.

Je moet het willen zien.

Op mijn dooie gemak rijd ik met de auto door het dorp. Hierbij passeer ik regelmatig bushaltes. Bij de verschillende bushaltes die ik passeer staan reizigers te wachten tot de bus arriveert. Wat mij opvalt zijn die reizigers. Allemaal met het hoofd omlaag. Kijkend op hun mobiele telefoon. Een toeterende auto wordt niet eens opgemerkt. Allemaal zijn die reizigers verzonken in hun telefoon. Twitter, Snapchat, Facebook, Badoo, Tinder of God mag weten welke app heeft hun aandacht. Niemand praat met elkaar. Vind ik ook zoiets; Facebook, een mooi medium waardoor ik met overzeese familie alweer een tijd contact heb. Ik zie op foto’s en berichten hoe het mijn oom, tantes, neven en nichten vergaat. Maar als ik dan de keerzijde van de medaille bekijk; ik krijg van de meest onbekende mensen uit zowat elk deel van de wereld vriendschapsverzoeken. Of ik met hen ‘ vrienden’ wil worden. Geen idee waarom die mensen met mij bevriend willen zijn. Zij spreken mijn taal niet, ik die van hen niet (mijn Swahili is de laatste tijd slecht te noemen). Iedereen leeft maar op de automatische piloot. Dat deed ik zelf overigens ook. Zeker in dit nieuwe jaar ben ik bewuster gaan leven, bewuster gaan nadenken. Ik ben dankbaarder geworden voor hetgeen ik mijn ‘ bezit’ mag noemen. Het woord ‘ bezit’ is hier eigenlijk relatief. Maar als je je bewust bent hoe gezegend je eigenlijk bent, sta je toch weer met beide benen op de grond in het leven. Laat het maar komen zoals het komt, wees er bewust van.

Even terug naar het leven met het gezicht naar beneden, kijkend uitsluitend naar al die app’s op de telefoon. Ook zoiets door uitsluitend snel te reageren en direct door te gaan naar een ander bericht of app maak je soms snel schrijffouten die nogal knullig overkomen. Zo las ik van een vrouw dat ze het fijn vond dat ze op die bewuste pagina ‘gelikt’ wilde worden. Dan zou haar pagina meer mensen trekken. Ja, dat kan ik mij dan wel voorstellen.

Ik denk terug aan zo ongeveer 1993, het ontstaan van de mobiele telefoon. Was je een echte zakenman, dan had je een mobiele telefoon. Zo’ n grote accu, loodzwaar, met een grote telefoonhoorn. De eerste auto’s werden uitgerust met een telefoon die je op de haak kon gooien. De meeste jonge mensen weten niet eens hoe een bakeliet telefoon eruit zag. Daarna kregen we de Kermit, een platte mobiele telefoon, die je van greenpoint naar greenpoint moest brengen. Alleen bij zo’n greenpoint was een antenne waar je bereik had. Later kregen we van allerlei merken zaktelefoons. Hiermee kon je uitsluitend bellen. Later kwam hier het sms-en bij. Denk maar eens aan die beruchte Nokia 3310, wie had hem niet. En nu, nu kunnen we zo te zien niet meer zonder. Ja natuurlijk vind ik een mobiele telefoon handig. Echter, af en toe vind ik het een straf. Standaard als we met vakantie zijn zet ik dat ^%%$#-ding uit en lever ik het bij MijnLief in. Onbereikbaar voor iedereen die geen familie is!

Ook zoiets; stel je eens voor dat je in plaats van reageert met een duimpje, hartje, boze- of trieste-emoticon gewoon eens life tegen mensen aanpraat. Stel je gaat langs bij je buren in de straat om je kleinkind te laten zien of je komt met je geweer aan de deur. Ik vraag mij dan af of er ook een duim omhoog gaat. Je buurman staat de auto te wassen en je loopt naar buiten en roept ” Vind ik leuk”. Volgens mij komen dan die mannen in witte jassen je ophalen en doen ze je een pyjamajasje aan waarvan de mouwen op je rug vastgemaakt kunnen worden en nemen ze je mee om ergens te gaan logeren. Tja, dan ben je even niet ‘ bereikbaar’.

Functioneel lanterfanten

Na een lange periode van keihard werken geconfronteerd worden met stotteren, niet kunnen praten en een gevoel van onmacht neem ik nu het heft weer in eigen hand. Tijdens de feestdagen had ik soms tijd om van binnenuit te reflecteren. Gewoon mezelf afvragen waar ik stond, wat mijn doel is en welke stappen ik zou nemen om dat doel of die doelen te bereiken. Een van de dingen was mij heel duidelijk, afvallen hoorde bij een van die doelen. Een tweede doel was, net als wat ik vroeger deed, functioneel lanterfanten. Functioneel lanterfanten klinkt negatief maar is dat zeer zeker niet. Standaard had ik altijd een dag in de maand waarbij ik een ‘ Tour de coffee’ deed. Een dag per maand waarbij ik een afspraak maakte met klanten, voormalige klanten en potentiële klanten. Niet om werk binnen te halen, maar gewoon een praatje pot, gewoon eens informeren hoe het met de mens achter de functie gaat. Hoe is het met zijn/haar dochter? ‘ Zij speelt toch op redelijk hoog niveau hockey?’ ‘ Hoe gaat het met je paard? En hoe gaat het met de dressuurwedstrijden?’ Gewoon interesse hebben in deze mensen. Met regelmaat sprak ik met deze mensen af in mijn buitenkantoor. Als de mensen dan op de opgegeven straatnaam aankwamen waren ze soms best wel verbaasd dat ik hen uitnodigde om met mij een boswandeling te maken. Ik merkte dat ik op zo’n dag volop inspiratie kreeg en andere dingen ondernam, zoals naar het Alblasserbos gaan naast Natuur- en Vogelwacht. Daar wandelde ik dan door het bos en langs de velden. Kop in de wind, stom voor mij uit kijken en het hoofd leegmaken van het negatieve en inspiratie toelaten en afsluiten met een kop koffie bij de Natuur- en Vogelwacht. Het laatste jaar deed ik dat niet meer vanwege de grote hoeveelheid werk. Nu merk ik dat ik zo’n dag nodig heb om weer even te ‘zekeren’, ‘ te aarden’. Vandaag is zo’n dag; pure noodzaak. Functioneel lanterfanten. Ja, ik weet het; vandaag had ik de boekhouding moeten afronden. Dit moet maar even een paar dagen wachten. Ik ben kapot. Vanmorgen wezen sporten met Frits. Ik zit echt helemaal stuk. Deze dag heb ik gewoon voor mijzelf nodig!

Het mooie is dat tijdens de feestdagen dit veranderen al door mijn hoofd speelde en net voor oud en nieuw kreeg ik een App van Frits, eigenaar van EasyFit Drunen. Het begon met ‘Genoeg geluld’. Even later volgde: ‘Kom zaterdag sporten. Nina, de voedingsdeskundige, neemt je onder haar hoede. Op dinsdag sporten we samen. Je sport dan 2x per week. Jij gaat vanzelf afvallen’. De toon was gezet en die kans greep ik met beide handen aan. Ik verander een groot deel van mijn levensstijl; gezond eten, aandacht voor mezelf als dat nodig is, aandacht voor mijn gezin en mijn kleindochters Lara en Romy, aandacht voor anderen als ik mij daar zelf goed bij voel en gezonde aandacht voor mijn opdrachten en opdrachtgevers.

Functioneel lanterfanten betekent ook mijn gedachten weer van mij afschrijven, vaker dan ik de laatste tijd deed. Tijd maken voor rustmomenten en bezinning. Mezelf afvragen wat mensen bedoelen met ‘het normale leven is weer begonnen’; als je hen in het nieuwe jaar spreekt. Wat is normaal? Of eigenlijk wat vind ik normaal?

Functioneel lanterfanten betekent voor mij ook: tijd maken voor het schrijven van een blog en het schrijven van een nieuwsbrief. Dat moet niet even snel-snel, daarvoor moet ik gedegen de juiste woorden en zinnen vinden. Ik ga nu weer verder met functioneel lanterfanten.

Overdenking

Door werk en drukte had ik al een tijd de kerk niet bezocht. Op de zondagochtend geef zweethondentrainingen. Een groot gedeelte van de deelnemers is jager, Bijzonder Opsporings Ambtenaar of voorjager. Door de weeks hebben deze mensen geen tijd omdat zij hun werk hebben, zaterdags is het meestal schadebestrijding of jagen, dan blijft de zondag over. En aangezien de hondentrainingen een deel van mijn inkomen is zit een kerkbezoek er dan niet voor mij in.

Zoals gezegd al een tijd niet meer naar de kerk geweest en nu in een periode met ingeplande rust vond ik weer tijd om te gaan. Als ik ga ben ik altijd ruim op tijd. Gewoon zitten in die bank en bezinnen op wat er was en wat er komen gaat. Ongemerkt hoor ik de conversatie van twee oudere heren achter mij. Ik schat ze dik in de zeventig. “He broeder, daar. Kijk dan. Die jurk!” “Waar, daar rechts opzij?” “Nee joh, links. Daar links in het midden.” Doordat er meerdere mensen de kerk betraden, zowel echtparen, alleenstaande mannen als alleenstaande vrouwen kon ik niet uit hun informatie opmaken op wie zij doelden. Grappig vind ik dat. Er wordt nog steeds naar vrouwen gekeken. Al begreep ik niet of ze de vrouw leuk vonden of dat ze de jurk afgrijselijk vonden. Ik hoor het geroezemoes van pratende mensen. Mijn gedachten glijden weg en maakt plaats voor die mooie herinneringen.

In gedachten verzonken denk ik aan mijn verblijven in de verschillende jachtvelden die ik met enige regelmaat mag bezoeken. In deze verschillende gebieden zie ik Gods wonderen als ik nog midden in de nacht de bossen en velden betreed of als ik ’s avond wanneer het aarde donker is geworden de bossen en velden weer verlaat en huiswaarts keer of richting hotel rijd. Wilde zwijnen horen en zien in de schemer, reeen en vossen zien of horen terwijl anderen achter de televisie wachten tot het tijd is om naar bed te gaan betreed ik mijn kansel of aanzitladder en zie de wonderen voorbij lopen. Vuurvliegjes lichten op in het donker. Als kleine lantaarntjes bewegen ze voor mij in de lucht. Een sterrenhemel zo vol,  prachtig om te zien. En daar zit je dan. In het donker. Langzaam wennen je ogen aan het maanlicht. Er is gekwetter. Het koren beweegt. Er is duidelijk leven in het koren. Even laten ze zich zien, de spelende dassen. Ik zie ze spelen door de kijker van mijn geweer. Afschieten was de opdracht vanwege de schade aan de fauna die ze aanbrengen, maar ik laat ze. Dit is te mooi om het leven te nemen. In de verte hoor ik in het donker de zwijnen gillen. Een paar hebben duidelijk ruzie. Zien doe ik ze niet. Geeft niet, hen horen is ook al een genot. Nee, ik bezoek niet frequent de kerk, maar ik denk dat ik dichter bij God ben als menig kerkganger die voor in de kerk de liederen meezingen. Ik zing de liederen met mijn hart, daar hoog op een aanzitladder turend over het landschap: ‘Tel je zegeningen een voor een. Tel ze allen en vergeet er geen….’

In gedachten verzonken werd ik op mijn schouder getikt. Dominee Piet die even een praatje kwam maken. “Jan, wat leuk je weer te zien. Ik heb het idee dat ik je al een hele tijd echt ken. Maar ha, komt door Facebook hoor”; zegt hij. “Ik lees regelmatig je verhalen en je posts op Facebook.” Een goeie vent die Piet, hij gaat echt met zijn tijd mee. Hij heeft een Facebook-account en bereikt zo mensen die niet regelmatig de kerk bezoeken, en daar reken ik mijzelf ook onder. Piet is een dominee die bij Cookers, een eetgelegenheid, zit en met soms wildvreemde mensen of mensen die dat nodig hebben een praatje maakt of een bemoedigd woord spreekt. En hij betaalt dan de koffie of thee. In de dienst welke als thema Vriendschap had liet hij via de beamer ook een nummer van Thé Lau zien en horen. Dat nummer was vlak voor de dood van Thé Lau gemaakt. Een eenvoudig maar indringend nummer, als je tenminste de woorden begrijpt. Soms leidt Piet een dienst die in het teken staat van een artiest als Johnny Cash of U2. Bijzonder toch? Altijd met veel overgave en schijnbaar zonder dat het hem moeite kost weet hij mij te boeien. Zo ook nu. Bedankt Piet!

Plant controller en SOA-ontwikkelaar

Ook zo iets die verwarring over een beroepsnaam. Dan ben je plant controller, maar wat doe je dan? “Is dat ook een beroep, iemand die planten controleert?”; kreeg ik als vraag. Ik legde thuis uit dat je dan vestigings cijferneuker bent. “Huh?”; kreeg ik als reactie. Dan ben je verantwoordelijk voor de financien van een vestiging. Toch een vragende grimas op het gezicht. “Oh dat, waarom noemen ze dat dan niet gewoon boekhouder?” Nou, ik heb ook geen idee eerlijk gezegd.

Zo zijn er meer benamingen die om enige uitleg vragen. Voor mijn onderneming ben ik veel op internet actief. Zowel via social media mijn onderneming profileren, als ook in den lijve op zoek naar potentiële klanten en werk  bij netwerkbijeenkomsten. Wat je dan af en toe op internet tegenkomt blijft mij verbazen. Zo ook weer deze: een vacature voor SOA-ontwikkelaar. Ik krijg daar direct rare gedachten bij zodra ik dat lees. Ik stel mij dan voor dat je bij een bedrijf wordt aangenomen met de mededeling ‘direct contact te leggen met een straatprostituee, haar eens flink van jetje te geven en te wachten hoe een en ander zich ontwikkelt’. Nader onderzoek met behulp van Google leert dat het in werkelijkheid gaat om een ‘service-oriented architecture (soa)’, ICT dus. Iets héél anders.

En zo realiseer ik mij dat sommige betekenissen van woorden ook de nodige verwarring kunnen veroorzaken. Wat voorbeelden? Wat dacht je van houtduiven? Een houtduif is een vogelsoort, niet te verwarren met een kleiduif. Of als we het hebben over een kleinwildjager bedoelen we niet dat de jager een klein persoon is, maar iemand die jaagt op kleinwild zoals konijnen, eenden, fazanten enzovoort. Een grofwildjager is iemand die jaagt op grote hoefdieren zoals reeen, herten en wilde zwijnen. Beslist niet te verwarren met een rokkenjager. Soms is de klemtoon hoe iets gezegd wordt al wenkbrauwfronsend. Wat denk je van deze: “He joh, blijf van mijn Pilaf”. Volgens mij heb je dan ook wat uit te leggen.

Laatst haalde een conducteur diep adem en blies hard op de fluit ten teken dat de trein kan vertrekken. De schrille toon schalde over het perron. Zei een mevrouw: “O meneer, wat heeft u een harde fluit.” De conducteur werd lichtelijk rood.

Daar zit ik ook ineens aan te denken: iedereen wenst elkaar ‘Prettige kerstdagen’ of ‘Prettige Pasen’, maar wat moet je ervan denken als iemand jou ‘Prettige hemelvaart’ toewenst.

Nog zo een. Een zwarte doos is iets waarop de vluchtgegevens van een vliegtuig opgeslagen worden. Hier wordt dus niet de vagina van een donkere vrouw bedoeld.

Als een leuke vrouw twee leuke karakters heeft wordt er door mannen niet bedoeld dat de vrouw schizofreen is, maar… moet ik dat ook uitleggen?

Gevulde hertenreet met verstopte zwanenhals met een mandoline gesneden op een bedje van biet. Dat op de kaart zien staan in een restaurant. Nee, dat klinkt echt raar. Ik moet niet zo veel nadenken.

Trofee

Altijd ben ik op zoek naar een trofee. Altijd maak ik ook vooraf een lijstje met dingen die ik graag wil hebben. Nee, het heeft niets met jagen op wild te maken. Ik ben altijd op zoek naar bijzondere dingen. Die dingen zijn gebruiksvoorwerpen of objecten, van een industriële lamp, een oude locker, een oude buisradio, een metalen uienmand, een waterspuitfles, een oude handkoffiemolen enzovoorts. Maar een bijzondere steen uit een bepaalde streek of een stuk kurk rechtstreeks zelf van de kurkboom gehaald is voor mij net zo waardevol. Altijd heb ik een lijstje bij mij met zaken waar ik blij van word als ik die aan mijn bezit toe mag voegen. Laatst waren dat 5 grote stukken zandsteen uit de Loirestreek, die nu als als deel van onze border dienst doen.

We zijn onderweg naar Montsoreau in de Loirestreek. Ik had gelezen dat hier in het weekend met regelmaat een brocantemarkt moet zijn. We rijden letterlijk langs de oevers van de Loire, een fabelachtig uitzicht. We passeren een camping waar de auto’s buiten de poort tot ver langs de weg aan weerskanten geparkeerd staan. We rijden verder en zien het dorp in de verte. Nog steeds aan weerskanten van de weg staan overal auto’s geparkeerd zelfs op de zebrapaden. Onverwacht zie ik een auto wegrijden die bijna naast de brocantemarkt geparkeerd stond, een buitenkans om toch dichtbij te parkeren en kilometers wandelen besparen. Met een glimlach parkeer ik de Berlingo. Als we uitstappen zien we dat we echt aan het begin van de brocantemarkt zijn. Altijd is het maar afwachten wat het aanbod van de verkopers is. De dingen op mijn lijstje kom ik hier niet tegen. Wel zie ik mooie dingen. Mooie schilderijen van onbekende meesters, mooie koperen scheepslampen, koperen navigatieapparatuur voor op zee, mooi meubilair. Ineens zie ik een doorleefde, industriele metalen stoel. Een groenig patina. Ik vond hem super! Als ik mijn vraag in mijn hoofd repeteer: ‘Combien la chaise, monsieur?’ en aanstalte maak om naar de koopman toe te gaan trekt vrouwlief mij aan mijn mouw. “Niet doen Jan, wat moet je met die pestzooi?” ‘Pestzooi’; zegt ze. Ik zie een prachtige stoel geheel van metaal. Mooi uiterlijk, stevig. “Wat moet je ermee? Waar ga je dat neer zetten?” Dan heeft ze mij. Ik sputter nog wat met: “Ik vind wel een plekje” en “Wellicht staat het prachtig in de tuin”. Het heeft geen zin. Het ‘mag’ niet. Als ik een leuk kastje zie haal ik mij maar niks in mijn hoofd om het ook maar te vragen. Ik weet het, ik ben een heel volgzaam type. Vandaar ook dat mijn naam op de BUITENKANT van de voordeur staat.

Eenmaal thuis en tijdens het schrijven van dit stuk heb ik nog steeds spijt dat ik mijn zin niet heb doorgedreven. Het was een mooie stoel. Ik had er best een leuke plek voor gevonden.

DSCN1868

Troglodyte

Ja, zoek maar even op: Troglodyte. ‘Zeer op zich zelf levend’; ‘grot’; ‘holwoning” ; ‘grotwoning’; zomaar wat betekenissen uit een woordenboek. ‘Grotwoning’ is de beste betekenis in mijn beleving.

Een aantal jaren geleden ontmoette ik Astrid. “Voor een goede kop koffie schuif ik bij u aan tafel voor een nadere kennismaking”; schreef ik. Astrid reageerde en een paar weken later zaten we bij elkaar aan tafel. Pratend over opdrachten, pratend over hoe een ieder in het leven staat, pratend over Frankrijk. Al snel kreeg het gesprek een andere wending, over onze wederzijdse voorliefde voor Frankrijk. Uitgebreid vertelde ik Astrid over ‘het witte huis’ in Alette die wij regelmatig huurde en die verkocht was. Dat we ons nu aan het oriënteren waren naar een andere vakantiebestemming. Rust, ruimte en vrijheid zo vertelde ik haar waren de sleutelwoorden. En ineens nam het gesprek een andere, prettige wending. “Uhmmm…., misschien is ons huis in Frankrijk dan wat voor jullie”. De prijs-kwaliteitsverhouding is super. De ligging prachtig. De temperatuur helemaal prima. De omgeving is formidabel.

In het tijdschrift ‘Leven in Frankrijk’ heb ik in Berck-sur-Mer een longiere, een langgerekt huis, te koop zien staan. ‘Net’even te duur om het als tweede huis er op na te houden. Gedachten vullen mijn hoofd; ik word drukker, bijna euforisch. Ik laat vrouwlief de advertentie zien. Een eigen huis in Frankrijk. EMIGREREN! En dan alle bestaande klussen opzeggen. Leven van de royalty’s van mijn boeken. Nou dat wordt dan een karig belegde boterham. Als bijverdiensten een B & B beginnen. Bij het huis in Berck-sur-Mer zijn ook wat bijgebouwen, een B & B zou dus kunnen. Een opvallende oude auto erbij als publiekstrekker. Ik denk dan aan een Citroen HY, een oude Renault 4, een 2 CV, een Volkswagen Kubel of een ruige VOLVO C303 als vervoermiddel of zo, en meer van dat soort gedachten. Ze kijkt mij meewarig aan, dan enige stilte en dan: ….”Ben je wel helemaal goed? Je knapt dit huis al niet op en dan wil jij er eentje bij? Dusss….” De realiteit komt langzaam terug. Ja, ik ben niet zo van het klussen. En nee, ik ben geen Bed & Breakfast-man. En nee ik zie mijzelf niet als uitbater. Eigenlijk zie mijzelf meer als 2e huis-bezitter.

April. Met een werkvakantie naar de Franse Loire-streek in het vooruitzicht besef ik dat ik degene ben die een Francofiel is, vrouwlief een heel stuk minder. Ja, zij houdt ook van Frankrijk maar wil de rest van de wereld ook nog zien.

Door alle drukte heen is de datum van vertrek naar Frankrijk een feit. Ongemerkt kwam de datum dichterbij. De Citroen Berlingo laad ik in. Bij het inladen vraag ik mijzelf hardop af of we wel met ons tweeën een week naar Frankrijk gaan, gezien de hoeveelheid tassen. Maar ja, het is voorjaar en het kan dan warm of koud zijn. Van zwembroek tot fleecetrui zal ik maar zeggen..

Na een rit van 9 uur komen we in de schemer aan in ‘ons’ dorpje La Bournee. In de opgegeven straat zoeken we naar nummer 14-B. Nummer 14-B ligt in mijn beleving dicht in de buurt van nummer 14 lijkt mij. Hier niet. Nummer 14-B ligt naast nummer 13, tegenover nummer 14. Maar goed, gevonden. Ik daal het steile paadje af naar onze Troglodyt, onze grotwoning. Te vergelijken met een caravan met voortent. De voortent symboliseert de zandstenen voorgevel van een huis, de caravan symboliseert de grot. Er heerst een constante temperatuur van 15 graden Celsius. Dat betekent dat er toch regelmatig vuur gemaakt moet worden in de cantou, de openhaard waar je gewoon rechtop in kunt staan, om het aangenaam in huis te krijgen.

Deze streek staat bekend om zijn Troglodyt-woningen en om zijn wijnen; de Chinon Blanc en zijn Cabernet D’Anjou. Maar Frankrijk leent zich ook als smulpapenland. De rilettes, de kazen en worsten mmm… Onze vakantiewoning staat aan de rand van een dorpje. Rust, ruimte en natuurschoon, meer heb ik niet nodig om lekker te ontspannen. De volgende ochtend worden we gewekt door vogelzang van putters, geelgorzen, staartmezen, zwartkopmezen en wat dies meer zij. Tijd om naar een bakkertje op zoek te gaan. In het dorpje is er geen winkel te bekennen, dus maar de auto gepakt. In alle rust tuf ik over de landweggetjes naar het volgende dorp. En jawel, er is een bakkertje. Binnen is het net zo ongezellig als de buitenkant deed vermoeden. Door de bel die door het openen van de deur zijn geluid afgaf komt er een kort, dik manneke (ongeveer net zo groot als een Oscar-beeldje) helemaal onder het meel het aangrenzende woonhuis uit. Ik bestel een stokbrood en drie croissants. De croissants lijken wel ritueel verbrand. Niet een croissant is ongeschonden. Als ik de bakker in mijn steenkolen-frans vraag om ongecremeerde croissants zegt hij: “Bwah, désolée eh”. Ik krijg de minst zwarte mee. Bij thuiskomst zijn ze niet te vr..ten; droog, hard, verkoold. Morgen maar een ander bakkertje zoeken in een ander aangrenzend dorpje. De volgende dag tref ik in een ander dorpje een beter bakkertje aan. De croissants smaken voortreffelijk!

De dagen vliegen om. En ook nog gezocht naar accommodatie voor trainingsmogelijkheden voor managementtraining en hondentraining. Ook dat bracht ons op bijzondere plekken. Al met al hebben we bijzondere dingen gedaan, zelfs in een grot gepist.

Augustus. Binnenkort gaan we weer naar ‘onze’ Troglodyte. We weten nu wat we kunnen verwachten. En donders wat verheugen we ons er al op. Het aftellen is begonnen.

Penseé gribouillis 2

Daar zit ik dan. Verse koffie ingeschonken. Lekker ontspannen. Franse radio aan. Ik kijk wat vakantiefoto’s van de afgelopen jaren op mijn laptop. Er zaten ook nog wat filmpjes bij. En ja hoor, de nostalgie drijft weer binnen. Mijn gedachten glijden langzaam weer naar Alette in Frankrijk. Naar de beek.

De sleutel draai ik om en hop we staan binnen. Binnen, in een klam en steenkoud huis. Maar geweldig, we zijn er weer! Eén van de eerste dingen die we doen is rap de haard aanmaken. Mevrouw Brand meet met haar thermometertje een temperatuur van 13 graden; binnen in huis dan hè. We stoken het vuur flink op en langzaam, heel langzaam klimt de temperatuur weer wat omhoog. Het is zelfs al 15 graden geworden in huis, heerlijk zeg. Allemachtig, dat is toch wel fris. Je zou er een kleine Arie van krijgen.

Als we ’s avonds naar bed gaan ben ik vrouwlief toch zo dankbaar dat zij een ouderwetse kruik voor in bed heeft meegenomen. Dat zorgt ervoor dat het in bed behaaglijk is. De honden nemen weer hun vertrouwde plaatsen voor het slapengaan in. Na een rusteloze nacht ben ik de volgende morgen voor dag en dauw wakker. Tien voor half zeven zegt mijn telefoon. De ramen van de slaapkamer zijn beslagen. Ik kijk op of het raam boven het bed ook beslagen is. De honden zien beweging en denken: ja, de baas is wakker. Druk doen! Keten. Plassen. Poepen. En wel nu! Snel schiet ik een shirtje en een broek aan. Trui erover. Dikke sokken aan, schoenen aan, hop riemen om en snel naar buiten. Niet veel later sta ik verkleumd bij twee plassende, maar bovenal blije honden. Ik had duidelijk een jas aan moeten doen! Koud! Al rondkijkend zie ik overal groene bollen in de verschillende bomensoorten. Ik kan in eerste instantie niet ontwaren wat het nou precies is. Totdat ik dichterbij kom. Maretak! Of zoals de Engelse zeggen: mistletoe. Elke boom lijkt ermee besmet.

Elke dag lopen we twee keer de route langs de beek. Nu ook. Dibbes, de Duitse staande draadhaar, en Bram, de ruwhaar Teckel, lijn ik aan. Ze gaan lekker mee en dan weer of geen weer, linksaf de deur uit en de heuvel op het landweggetje volgend met aan de rechterkant de Engelse buurman. Bovenop de heuvel kiezen we het pad naar beneden, langs een groot weiland. Een koe kijkt nieuwsgierig over de heg. We lopen langs een paar huisjes en gites. Bij de kruising is het bruggetje waar de beek onderdoor raast. Niet diep, maar wel kraakhelder water. Linksaf lopen we langs wat huizen tot aan de volgende kruising en gaan rechtsaf. We passeren het bakkertje en de mairie. Een klein stukje verder gaan we weer rechtsaf langs wat lemen huizen een heuvel op. Een groot deel van de huizen zijn opgebouwd uit een raamwerk van hout en stevige takken. Dit wordt dan aan weerskanten dichtgesmeerd met een dikke laag leem vermengt met stro om zo een dikke isolerende laag te krijgen. Deze leemlaag wordt, als deze laag hard is, wit gekalkt. We vervolgen onze route langs wat weilanden en huizen. Ik kijk naar rechts in een soort dal. Op de heuvel aan de andere kant van het dal staat het statige witte huis. Pal langs het pad waar we nu lopen banjert aan de rechterkant van het pad de beek. Een klein stukje verder is een klein watervalletje waar het water anderhalve meter van een vervallen soort stenen bruggetje naar beneden valt. Het is een soort mini-ruïne. Links zie ik het mooie huis uit 1786 en het koolzaadveld. Een huis zoals het vroeger was. De honden vinden het net als wij heerlijk om hier te wandelen en dat twee keer per dag. We lopen op ons dooie akkertje verder langs de grote boerderij. Op het einde van het weggetje slaan we rechtsaf en nemen bij de V-splitsing de linker weg naar boven. Na 300 meter zijn we weer bij het witte huis aangekomen. 45 minuten duurt deze wandeling. Heerlijk! De honden zijn letterlijk uitgelaten en zijn vrolijk. We gaan naar binnen en lijnen de honden af. Allebei krijgen ze een kluif en hebben al geen aandacht meer voor ons.

Na het avondeten wandelen we met de honden in de nabijheid van het huis om de omgeving verder te verkennen. Na het slingerpad wat naar boven de heuvel op leid treffen we een oprijlaan aan. Een oprijlaan die geflankeerd wordt door twee enorme kastanjebomen. Deze bomen nemen al het daglicht weg waardoor de oprijlaan wat donker en luguber aan doet. Tussen het grind groeit welig het onkruid. Bij de poort aangekomen zien we dat deze op slot zit. We werpen een blik op het domein en zien dat dit een ruïne is. Een enorm huis aan de linkerkant. Een toren in het midden. Volgens mij heeft deze toren dienst gedaan als graanopslag of iets dergelijks. Recht vooruit staat ook nog een gebouw die dienst heeft gedaan als woning. Direct ernaast is er een soort garage of koetshuis. Ik moet moeite doen om het gebouw aan de rechterkant door de poort te kunnen zien. Maar ook dit pand heeft dienst gedaan als woonhuis. Het domein is helemaal ommuurd. De ramen staan overal open. Vogels vliegen in en uit. Ook kom ik te weten dat de eigenaar sinds anderhalf jaar gestopt is met het herstellen en renoveren van de objecten. De muren en het dak zijn in perfecte staat. De rest is aan vervanging toe. Het is van een vermogend echtpaar geweest waarvan de kinderen op de leeftijd van studeren zijn. Vader en moeder hebben dus ook maar een optrekje in Duinkerken gekocht. De toren dateert uit 1100. De gebouwen zijn er eind 1800 rondom heen gebouwd. Le vieux Chateau de Montca, zo heet het. Gelijk zie ik dan mogelijkheden. Emigreren, opknappen en uitbaten die handel. Jachtworkshops, B & B, jachtreizen, paarden- en fietsenverhuur. Zomaar wat activiteiten die direct door mijn hoofd spoken. Man, ik zie het helemaal zitten.

Om zeven uur loop ik al met de honden buiten. De lucht is compact. Het is koud, mistig en vochtig. Toch is het eind augustus, wat voor mij vaak betekent dat het dan warm  en aangenaam hoort te zijn. Nu dus even niet. De kerkklok van het ene dorp geeft aan dat het zeven uur is. Nou ja, één slag,… even niks. Vier slagen…, niks. Drie slagen…, niks. En nog één slag voor de lol. De andere kerkklok geeft aan dat het tien voor zeven is. Hoe laat is het nu? Mijn horloge geeft echt aan dat het zeven uur is. Na het uitlaten van de honden stap ik op mijn fiets richting bakkertje. Na een ritje van een minuut of acht stop ik voor de deur van de boulangerie. Er zijn drie dames voor mij. Het bakkersvrouwtje is uitgebreid in gesprek met één van hen. Nadat de mevrouw geholpen is en afgerekend heeft gaat ze niet weg. Ditzelfde gebeurd met de twee andere dames,. Ook zij blijven wachten nadat zij geholpen zijn en hebben afgerekend. Dan ben ik aan de beurt. In mijn steenkolen Frans bestel ik een stokbrood en wat croissants. Beleefd vraag ik aan het bakkersvrouwtje: “Ca va?”, hoe gaat het? Het gaat goed zegt ze. Mijn bestelling wordt netjes in orde gemaakt. Ik reken af en groet haar en de dames en stap de deur uit. Met de croissants en een stokbrood stap ik weer op mijn fiets om terug te gaan. Als ik thuis kom vraagt vrouwlief waar ik zolang bleef. Tja, de dames wilde kennelijk wel even zien wie deze vreemde meneer was en wat hij bestelde. En na afloop natuurlijk even met elkaar bespreken waar deze vreemde meneer vandaan kwam. Na een uitgebreid ontbijt stappen we in de auto richting één van de vele stranden om lekker uit te waaien. De zon breekt door en al snel loopt de temperatuur op naar de 22 graden. Op de terugweg even langs de hypermarché om eten te kopen voor de komende dagen. U kent dat wel, stukje vis, stukje lamsvlees, lekkere kazen en worsten, flesje Grenache wijn, flesje cider. Heerlijk en dat twee weken lang. Niks moet, alles mag.

Het gastenboek van Dick en Marianne ligt op tafel. Nonchalant blader ik het door. Tot het moment dat ik geraakt word door de lieve woorden van de verschillende mensen van divers pluimage: van hun dochter, van hun zoon, hun schoondochter, van hun vrienden, neven, nichten, van mensen die zij spontaan hun vakantiehuis aanboden (o.a. aan ons). Ik heb de behoefte er ook wat in te schrijven. De juiste woorden komen vanzelf. Wat een hartelijkheid als je dit allemaal leest. Door de verhalen in het gastenboek lees je eigenlijk hoe het huis stukje bij beetje gerestaureerd wordt. Mensen schrijven eerst over wanden van leembroodjes opbouwen tot ‘het campinggevoel’ van de poepemmer en douchen met een gieter. Later lees je dat de ‘eerste mensen’ eindelijk naar een normaal toilet kunnen en warm kunnen douchen.

Later op de dag besluiten we een wandeling langs de beek te maken. Een mooi rondje van ongeveer een kleine driekwartier. Laarzen aan. Waxjassen aan. Leren hoed op, ik lijk wel zo’n cowboy. Zodra we een voet buiten de deur zetten. Begint het te regenen. Eerst zachtjes, maar niet veel later hard. Ja hoor het komt nu met emmers tegelijk uit de hemel. Alsof ze in de hemel aan het hozen zijn. Uiteindelijk zijn onze bovenlichamen droog, maar de broeken zijn finaal doorweekt. Water druipt vanaf mijn broek mijn laarzen in. Na een veertig minuten, waarin we werkelijk door de hemel zijn gedoucht, staan we weer bij de voordeur. De regen stopt vrijwel direct en niet veel later breekt de zon door. Het is niet eerlijk. Het zal een veeg teken zijn.

Dat vind ik ook altijd zo bijzonder, de verschillen bij het naar buiten gaan van mensen en honden. Met name als we de honden gaan uitlaten. Wij als mensen: ondergoed aan, shirtje aan, spijkerbroek en dikke sokken aan. Lekkere warme trui aan. Laarzen, jas, shawl aan en soms hoedje op. De honden krijgen hun riemen aan en… al, klaar. Dat was het. Voor de rest helemaal niks. Of het nou winter, voorjaar, zomer of herfst is. Of het nou regent of bloedje heet is. Voor de hond maakt het geen verschil.

De volgende dag als ik met de honden langs het vervallen château loop ben ik met stomheid geslagen als er plots een Landrover voor ‘mijn’ château stopt. Een vrouw stapt aan de bijrijderkant uit en opent knarsend en piepend het prachtige, hoge  gietijzeren hek. De Landrover rijdt door de poort en het hekwerk wordt weer door de bewuste dame gesloten. De auto rijdt verder het landgoed op en parkeert bij het enige gebouw wat helemaal gerestaureerd is. De man stapt ook uit en samen wandelen ze verder over het landgoed richting de bijgebouwen. Ik ben best een beetje pissig. Mijn dromen aan duigen. Wat nu? Verdorie, ik ben er best wel een beetje kwaad over. Als ik tijdens de terugwandeling met de honden nog even naar binnengluur zie ik dat de bijrijdermevrouw in de rijtuigenkamer allerlei dingen in haar hand houdt. Ze houdt het omhoog legt het weg en pakt een volgend item. Ik kan net niet zien wat het steeds is. Mijn dromen vervliegen. Ik zag ons al zitten op het erf met de honden in het zonnetje en een glaasje lekkers. Wachtend eigenlijk op de volgende gasten voor workshops en hondentrainingen hangen we lekker in de stoelen. Ja ja, het had zo mooi kunnen zijn. Een beetje ontdaan loop ik naar ‘ons eigen’ huis. Vrouwlief meld ik wat ik gezien heb. Ook zij is verrast, haalt haar schouders op en vraagt verbaasd wat ik dan verwacht had. We gaan er toch niet wonen. Zelfs niet als in een buitenproportioneel vakantiehuis er vakantie vieren. Dus waar maak ik mij druk over.

Ik wil wat gaan doen. Maar alles is te nat. Te nat om met de kettingzaag haardhout te zagen, te nat om onkruid te wieden of met de bosmaaier te raggen. Er ligt een  grote hoop met takken en half vergaan onkruid wat verbrand moet worden. Dat vind ik zo heerlijk van Frankrijk, je hebt een hoop zooi. En hop, de brand erin! Mag gewoon. Maar alles is kletsnat. Dus branden zal het niet.  Uit pure frustratie ga ik binnen maar verder met het schrijven van dit boek.

Vind ik ook zoiets moois van dit huis: al poepend kun je zo naar buiten, naar de heuvel kijken hoe de vogeltjes bekvechten. Al poepend met je gezicht in de zon kan dat gewoon. Mooi toch? Na het nodige gekreun en geweeklaag komt mevrouw Brand poolshoogte nemen. “Wat is er? Heb je je zeer gedaan?” Welnee lieverd ik zit gewoon met mijn gezicht in de zon te poepen en het is een zware bevalling. Dat is alles.

Terug aan tafel kijk ik om mij heen. Er is niets extra’s in dit huis zal ik maar zeggen. Geen televisie, geen wasmachine, geen centrale verwarming, geen magnetron. Een radiootje dat wel, maar die krijg ik niet aan de praat. Zelf zingen? Nee, dat klinkt als een hond die op zijn donder krijgt. Dat betekent dat je jezelf moet zien te vermaken. Nou dat lukt best aardig altijd. We doen spelletjes. Ik schrijf boeken. We rommelen wat. We klussen wat. Er zijn de nodige tijdschriften en boeken van thuis meegenomen. We vermaken ons altijd wel.

De volgende plannen liggen klaar: naar Cap Blanc-Nez en Cap Gris-Nez en daar zelf mosselen oogsten. Bij dezelfde stranden die aparte stenen meenemen om thuis de onderkant van de barbecue mee te kunnen versieren. De mooie kerk van Hesdin bezoeken. De steden Arras, Rouen en Amiens bezichtigen. In het plaatsje St. Omer ronddwalen. Naar Le Touquet, strandwandelingen maken en lekker winkelen. Worsten en kaasjes kopen op de markt van Le Touquet. Een mooie wandeling maken over de stadsmuren van Montreuil. Montreuil ligt aan de rand van een plateau boven de Vallée de la Canche. Het is net of je terug bent in de Middeleeuwen als je door dit stadje wandelt. De stadsmuren zijn, daar waar nodig, gerestaureerd om het mooie aanzicht voor het nageslacht te bewaren.

Bram zit als een oud wijf op een stoel uit het raam te kijken. Nog net niet achter de Franse geraniums. Hij kijkt naar de spaarzame wandelaars die voorbij komen. Hij wordt altijd pislink als hij niet naar buiten kan kijken. Dat laat hij dan ook graag horen. Waar de honden allebei ontzettend kwaad van kunnen worden: lelijke mensen. We hebben ze dit niet aangeleerd, maar ze vinden sommige mensen raar. Neem nou bijvoorbeeld die lelijke vrouw. Met snor. Zo’n dikke snor, een vent zou er jaloers op zijn. Ze gillen dan gewoon, die honden, en hangen in de lijn. Een hele pikzwarte man snappen ze ook niet. Woest zijn ze. Ze blaffen dan alles bij elkaar. Gênant gewoon. Een man met een bochel? Ja hoor, ze gaan af. En hoe dat nou komt? Ik heb geen idee.

Och de radio doet het eindelijk. Ik vond een aan-en-uit-schakelaar aan de achterkant van het apparaat. We hebben muziek. Franse muziek. En een oliekacheltje heb ik ook gevonden. Nou ja gevonden, die stond in de eetkamer naast een kast. Ik had geen idee wat het was totdat ik het ging bestuderen en ja, toen bleek het een oliekacheltje wat met elektriciteit de boel verwarmt. In ieder geval, nu ik dat kacheltje aan de praat heb is het ineens twee volle graden warmer in de eetkamer. Ook heb ik een pallet die ik op het erf vond kort gemaakt. Tja, bij gebrek aan droog brandbaar haardhout moet je weleens improviseren. Maar branden doet het.

Straks maar even met schobberdebonkkleding aan en mijn leren hoed op struinen door het landschap. Gelijk nog even met een emmertje de bewuste stenen voor mijn stenen barbecue zoeken. Die misvormde kiezelstenen zo groot als halve bakstenen liggen niet alleen op de stranden, maar ook hier op en door de geploegde grond. De grond zit er werkelijk vol mee. Ook worden ze in stadsmuurtjes en onder het asfalt verwerkt. Overal vind je die kiezels. En ook liggen de velden bezaaid met ‘mooie vondsten’. Ik vond nog twee erg oude terracotta dakpannetjes. Ongeglazuurd. En een stuk van een aarden pot.

Na het avondeten wandel ik om mijn dooie akkertje even zonder honden naar het dorpje. Naast de kerk staat een bouwval. Het blijkt dat in deze bouwval nog een vrouwtje van in de negentig woont. Ik ga nog wat foto’s van dit bouwvalletje maken. Gat in het dak, wanden staan scheef, zelfs de schoorsteen staat scheef. De tuin volledig verwaarloosd. Weer terug bij het huis breekt de zon echt goed door en loopt de temperatuur achter het huis al snel op tot negentien graden. Heerlijk na een fors aantal dagen van regen en kou. Met een boek neem ik plaats in zo’n oude stoel. De zon brand op mijn huid. Het is een mooi uitzicht op de heuvel. Ik geniet er van. Het is een ware herrie van vogelgeluiden. Twee baardgrasmussen zijn aan het kibbelen. Een buizerd zweeft door de lucht en roept een soortgenoot. De specht laat horen dat hij beschikbaar is door op een boom te roffelen. Een sijs tjilpt. De honden scharrelen lekker op de heuvel. Brammetje zit achter een muis aan en probeert die uit te graven als de muis in zijn holletje verdwijnt. Dibbes gelooft het allemaal wel en met een diepe zucht legt hij zijn kop op zijn voorpoten. Loom sla ik mijn boek open en droom weg in een wereld over Frankrijk, de Franse zon en de lokale wijnen.

Ons uitzicht vanuit het huis is zo anders dan in de zomer. De velden staan er geel bij. Geen zonnebloemen, maar koolzaad. Zover als het oog reikt. Alsof onze Lieve Heer het zelf geschilderd heeft, wat een kleuren!

Voor ons volgend verblijf hier heb ik al een paar ‘projecten’ om hier op te snorren: een metalen uienmand, een Frans rivierkreeftenfuikje (is anders van vorm), oude kledinghaken, een spuitwaterfles, een wandkoffiemolen en een geëmailleerde emmer. Met dit soort projecten kijk je met een andere blik over de brocantemarktjes. En zeker in de zomermaanden zijn die er hier maar zat.

Ik schrik op uit mijn gedachten en zie Beer, de Teckel een aanval doen richting mijn schoen. Drink ik eigenlijk nog wel eens warme koffie?

nieuwsgierige koe

nieuwsgierige koe

 

Pensée gribouillis (gedachtenkronkels)

Zo tussen de opdrachten in ben ik bezig mijn visie op mijn bedrijf beter te omschrijven. Zinvol vind ik. Af en toe eens stilstaan hoe en waarom ik bepaalde zaken of klanten benader.

Een tamme vlieg zoemt steeds rond mijn hoofd. Het moet wel een tamme zijn want hij komt steeds terug. Nippend aan mijn koffie kijk ik naar buiten, naar het troosteloze weer. Na een periode van extreme warmte nu ineens regen, regen, regen. Klaagregen. Eerst was het te droog en te heet en nu is het errug nat. En voor ik er erg in heb verglijden mijn gedachten: ‘De Tour de France is afgelopen val ik nu in een gat?’; ‘Zal ik een tattoo laten zetten?’; ‘Een Volvo C303 aanschaffen voor het jagen is ook een goed plan!’;  ‘Files, opgeworpen door Franse boeren op de heenweg naar ons vakantieadres, brrr’; ‘Wat als het tijdens onze vakantie in Frankrijk regent? Neh, niet aan denken!’; ‘Frankrijk’; ‘Frankrijk’; ‘Nog een keer Frankrijk’ en ‘ Weer verblijven in een Troglodyte‘, ja zoek maar even op.  Sommige gedachten zijn onzinnig, op het absurde af, andere weer heel realistisch. Maar dat mijn gedachten met enige regelmaat naar Frankrijk afdwalen is ook niet zo raar. Het heeft ook te maken met het feit dat ik altijd de Franse webradio Nostalgie.fr op de achtergrond aan heb staan.

Maar dan gebeurt het onvermijdelijke, ik glij weg:…… ‘Op de heuvel bij het lange, witte huis, een longiere in Alette. Het gebeurde met enige regelmaat dat het mooi weer was en ik niet kon stilzitten. Bij een huisje in Frankrijk is er altijd wel wat te doen. Wat te denken van hout zagen voor de koude periodes. Of het gras op de heuvel maaien. Met een zitmaaier was dat niet te doen, te steil. Dus zoiets pakte je aan met zo’n bosmaaier, zo’n stang met aan de onderkant een keihard ronddraaiende draad. En achterop je rug aan die stang een benzinemotor. Dat mannelijke gevoel begon al met het controleren van de benzine en het oliepeil. In orde? Nou dan startte je de motor en gordde je dat ding op je rug met twee van die banden. Als je gas gaf snorde dat ding als een tierelier. Horen en zien vergingen je dan wel. Wat nou gehoorbescherming? Een echte vent… Nou, na een paar keer leer je vanzelf dat je niet met een korte broek, zonder gezichtskap en gehoorbescherming moet gaan maaien. Dat is dom. Maar goed zoiets leer je, daar groeide je vanzelf in. Even te dicht maaien langs een molshoop gaf zo’n prachtige stofwolk van bruine droge grond. Al kuchend ging je verder. Of een steentje dat lekker goed je wang aantikte, zo ongeveer 1 centimeter naast je neus en 1 centimeter onder je rechteroog. Het was net of je met oogschaduw een blauwe stip had gezet. Of je maaide net door een takje heen wat als een projectiel tegen je blote been aankwam. Na ongeveer 5 minuten zat er door de herrie een tuut in je oor die niet snel wegging. Maar zoals gezegd, je leerde vanzelf door de bijna ongelukken en bijna doofheid. De volgende keer wist je precies hoe je jezelf moest prepareren. Ik was dan een paar uur zoet met het maaien van de heuvel. Toen ik met maaien klaar was kwam mijn vrouw even poolshoogte nemen. Ze zag een man in het groen, maar dan echt groen. ALLES was groen door het gras. Gras in mijn haar, op mijn kleding, op mijn armen en benen. De rest van de dag was ik bezig om hooibergjes te maken. Na een aantal dagen waren die hooibergjes zo droog dat ik ze op 1 grote hoop kon harken. Op een open plek op de heuvel maakte ik dan één grote hoop met hooi en onkruid. Een echt grote hoop. Dan een lucifer er in en het hele dorp dacht dat er een crematie aan de gang was. De vlammen kwamen huizenhoog. De eerste keer dat dat gebeurde raakte ik toch wel een beetje in paniek. De wind joeg de vlammen nog net niet tegen de appelbomen aan. Temperen met de tuinslang? Als een gek ging ik zenuwachtig op zoek naar een tuinslang in de schuur. Zoeken en zoeken. Jammer dat de tuinslang al achter het huis lag. Met regelmaat checkte ik of ik niet te laat was met blussen. Toen ik de tuinslang eindelijk gevonden had waren de vlammen al aardig getemperd. Met een zucht ben ik toen in de buurt van de hooibrand op enige afstand gaan zitten om gecontroleerd het hooi en ook onkruid te laten uitbranden. Een dag later begon ik dan aan het knippen van de haag. Met de hand hè, want dan krijg je hem pas echt goed recht. Daarna onkruid wieden in de kruidentuin en in de bloementuin.’ En zo had ik allerlei karweitjes waar ik ‘druk’ mee was. Mooie tijden! Zucht…’

Donders… weer koude koffie!

DSCN1572

Gezeik

Nog een paar weekjes dan is het weer zo ver. Dan zijn wij weer aan de beurt. Heerlijk richting Frankrijk, wederom naar de Loirestreek. We konden de troglodyt, de grotwoning weer huren. Wat een heerlijke omgeving. Rust, ruimte en een goede temperatuur. Toch mis ik het witte huis op de heuvel in Alette (Noord-Frankrijk) wel. We zaten er lekker dicht bij het strand, ongeveer 20 minuten rijden, en dicht bij het bos. In La Bournee is de omgeving prachtig en de temperatuur is er wat hoger. Alleen het strand van La Sable ‘d Olonne is toch nog 2 a 2 1/2 uur rijden. Maar goed, dat is voor ons ook geen probleem. Wel zijn er in de Loirestreek meer kastelen. Elk gerenommeerd dorp lijkt een kasteel te hebben. En niet te vergeten, de wijn. Overal vind je wijnvelden. Namen als D’Anjou en Chinon zijn toch wel bekende ‘merken’ in deze streek. Ja, ik zie er weer naar uit. Aan Frankrijk heb ik veel goede herinneringen.

Moet ik ineens aan denken: een paar jaar geleden op het punt van vertrek uit Ile D’Oleron, een eiland  voor de westkust van Frankrijk, besluiten we nog even naar de hypermarché (enorme supermarkt) te gaan om voor de lange terugreis croissants en ander Frans proviand in te slaan. Met een tas vol boodschappen besluit ik om toch nog even te gaan plassen. Een vader komt met zijn zoontje de toiletten binnen. Nederlanders. Hoe oud zo het manneke zijn geweest, vijf, zes jaar? Aan de hand van zijn vader loopt hij naar een urinoir, zo’n lage. Het manneke gaat op zijn tenen staan en het plassen neemt een aanvang. Alsof er 6 Bar druk op staat pist het ventje zo wat het glazuur van de pot. “Zo, moest je nodig?”; vraagt de vader. “Nou zeker!”; zegt het manneke. Als het manneke de deur open wil maken roept de vader hem toch even tot de orde: “Na het plassen altijd…?” “Handen wassen!”; vult het ventje aan. En na het handen wassen lopen ze de deur uit. “MAMAAAA…”; hoor ik nog roepen.

Na twee weken is mijn Frans weer wat opgekrikt, dus ik ben niet bang voor een conversatie. Ook niet met een Fransman in het toilet. Staand voor een pisbak komt er een Fransman naast mij staan. Met de schaamschotten tussen ons in hoor ik de man zijn gulp openzippen. Een geweldige kreun en prompt houdt de man met beide handen de schaamschotten aan weerskanten van hem vast. ‘Hangt die vent hem in het water of zo’ denk ik nog. Het geluid wat ik hoor is alsof er een volle emmer water in een volle badkuip wordt gestort. Laten we zeggen dat het aardig plonst. De man begint in voor mij onbegrijpelijk Frans te lullen: ”C’est une vache qui ri. Avec fromage de champignon. Oui! Avec grote blote poten. Et une pomme du beurre tussen de benen. Non, un frikadel avec mayonaise hangt daar tussen. Oui. Et un punaise de messing dans la batterie. Le maire est un cheval. Mais non, la fille c’est un garçon avec un zonnebril. C’est un homofile ou une travestiet. Oui, oui! Sur ile D’Oleron. Avec un cognac de Remi Martin. Et une maillot de baigne pour le zwembad. O la la!” Ik kan er werkelijk geen touw aan vast knopen. In de boeken van Peter Mayle, een naar Frankrijk geëmigreerde Engelsman, en van Ilja Gort, de Nederlandse reclameman die een wijnchateaux in de buurt van Bordeaux heeft, had ik gelezen dat als je maar af en toe binnensmonds gromt zo van: ”Bwahhh” en af en toe ”Oui” zegt en daarbij je schouders ophaalt dat het goed komt. Dus terwijl de Fransman maar doorratelt zeg ik met tussenpozen een soort binnensmondse oerkreet: ”Bwahhh… Ici?… Oui!” Nadat ik dit gezegd heb ziet de man dat ik hem ‘begrijp’. Ik voel kennelijk met hem mee. Eindelijk iemand die naar hem luistert! Omdat ik echt ben uitgeplast loop ik naar de wasbak, was mijn handen en groet de man. Mijn vrouw stond al een tijdje op mij te wachten en zei: ”Nou, dat duurde lang.” ”Tja” zei ik. ”Met een Fransman gesproken.” ”Wat zei hij dan?” wilde ze weten. ”Geen idee. Ik heb er geen woord van verstaan.”

Pluk de dag

Op mijn dooie gemak rijd ik richting Adriaan, de jachthouder. Het watertje meandert met mij mee terwijl ik de weg volg. Het gesprek gaat over het gebruik van zijn jachtveld in Duitsland om de zweethondencursus met een praktijkweekend af te sluiten en om te zien of er mogelijkheden zijn om managementtrainingen te combineren met jacht. Uitvoerig spreken we over dit onderwerp. Ook Adriaan weet ik enthousiast te krijgen en hij stemt toe. Eind juni zal het weekend plaatsvinden.

De volgende stap: cursisten informeren over de mogelijkheden en de daarbij horende kosten. Willen ze wel mee? Is er wel animo voor? Als ik dit bespreek zo ongeveer 3 lessen voor het einde van de cursus melden er 3 cursisten zich definitief aan. Ook mijn 2 Belgische cursisten, man en vrouw, stel ik de mogelijkheden voor en ook zij zijn enthousiast. Er is een maar, de man is zojuist aan een hersentumor geopereerd en is nog aan het herstellen. Verschijnselen: snel moe en zware benen. ‘Maar’ zo bezweert hij mij ‘Ik ga koste wat het kost mee. Ik wil dit voor geen goud missen’.

21 juni. Met een speciale e-mailnieuwsbrief vertel ik hen de laatste details zoals wat zij mee moeten nemen, hoelaat zij in Duitsland worden verwacht, het programma voor het weekend en dat zij weinig slaap zullen krijgen vanwege de vele aanzitmomenten. Van allen krijg ik een reactie terug, behalve van het Belgische stel. Er gaan een paar dagen overheen en nog steeds niets vernomen. Ik besluit het alsnog een e-mail te sturen. Geen reactie. Dan pak ik de telefoon en toets hun nummer. Voicemail. Dat is niets voor hen. Zeker de man is heel erg punctueel. Hummmm.

Eind juni. Het praktijkweekend is daar. In colonne rijden we via de Belgische Ardennen en Luxemburg naar Duitsland. Het is 32 graden. Nog steeds geen bericht van mijn Belgische cursisten. Na een rit van vierenhalf uur draaien we de parkeerplaats van het hotel op. Adriaan verwelkomt ons aller hartelijkst. Ik wijs de cursisten op de mogelijkheid hun benen te strekken en de honden van wat beweging te voorzien door hen een route langs en door een beek en bos te laten lopen. Het geeft mij wat bewegingsvrijheid om oefensporen te leggen voor de andere dag en geeft Adriaan de ruimte om indelingen te maken welke cursist met welke jager op de kansel zal gaan.

In alle rust zoek ik mijn weg door het grote gebied. Bij de grillplaats, een soort picknickplaats welke je bij de gemeente kunt vastleggen, besluit ik mijn sporen te maken. Al mijmerend leg ik de sporen. En, nog steeds niets gehoord van het Belgische stel. Zorgelijk vind ik dat. Maar goed, het zou zomaar kunnen dat als ik bij het hotel terugkom zij er ineens staan. Afwachten maar. Ik besluit nog even te genieten van het fabelachtige uitzicht. Gewoon even een Jan-momentje. Er is niets, geen geluid dan alleen van de verschillende vogels en het ruisen van de wind door de bomen. In de verte zie ik een jonge vos lopen. Traag maak ik aanstalte om naar de auto te gaan, met tegenzin. Het is hier zo rustig en zo mooi. Ik stap de auto in en rijd over de verschillende bosweggetjes weer richting bewoonde wereld en zo naar het hotel. Inmiddels is het etenstijd geworden. De cursisten hebben inmiddels kennisgemaakt met ‘hun’ jagers. Babbelkous bij babbelkous, outdoormens bij outdoormens en de ene cursist met geweer als ‘stand-alone’ met een eigen plek op de kansel.

Na het Duitse eten met als uitgangspunten Veel, Vet en Voedzaam geef ik een presentatie over het nut en de noodzaak van het zweethondenwerk en over de veiligheid in het algemeen en de veiligheid tijdens de nazoeken in het bijzonder. Er is veel interactie tijdens mijn presentatie en daar houd ik van. Ervaringen worden gedeeld, zo ook de kennis. Na de presentatie deelt Adriaan de jagers en cursisten in op de verschillende kansels in het jachtveld. Zodra een ieder zijn plek weet vertrekt een ieder. Als iedereen weg is besluit ik ook mijn plek voor die avond op te zoeken; een kansel aan de rand van het bos met uitzicht op een koolzaadveld en een weiland met koeien. Na een kwartier rijden kom ik op mijn bestemming aan en ontdoe mijn kogelbuks van foudraal, pak 4 patronen en doe die in het magazijn en hang mijn rugzak om. Ik ben er klaar voor. Rustig en zo onhoorbaar mogelijk schrijd ik door het veld naar de kansel. Rustig bestijg ik de ladder en installeer mij op mijn plek. Het uitzicht is fenomenaal. Hier zit ik dan met mijn gedachten. Gedachten aan het feit dat dit niet voelt als werk. Gedachten aan mijn vrouw thuis. Gedachten aan het stel wat er niets is. ‘Er zal toch niets gebeurd zijn? Het is niks voor hen om niets van zich te laten horen. ER IS WAT GEBEURD, DAT MOET WEL!’ Okay, ik weet mijn gedachten uit te schakelen en maak voor mijzelf het verschil tussen kijken en zien. Rustig tuur ik het veld af. Ik zie een haas. Ik zie spechten. Leeuweriken staan biddend stil in de lucht. En ineens, als in een flits, rent er een vos het veld op. 70 meter voor mij begint hij te muizen. Zich van geen kwaad bewust loopt ie jagend de muizenholletjes langs. Hij staat geen moment stil. Toch besluit ik de safe van de kogelbuks te halen. Ik richt. Rustig adem ik in, ik adem uit en druk af. Met 4 poten komt de vos los van de grond en sloft het koolzaad in. Na even nadenken besluit ik de plaats van aanschot te bekijken. Geen enkele aanwijzing dat ik hem geraakt heb is er te zien. Toch maar nazoeken ter controle vind ik.

Inmiddels is het 22:40 uur en is het genoeg geweest vind ik. Met mijn auto rijd ik door het inmiddels donkere bos richting hotel. Moe stap ik onder de douche en kruip hierna mijn bed in. De wekker stel ik in om 03:30 uur. Als ik na een paar uurtjes wakker word door de wekker kijk ik verbaasd om mij heen. Waar ben ik? Langzaam dringt het weer tot mij door: het is zaterdag en ik ben in Duitsland! Het onweert enorm. In alle stilte kleed ik mij aan ter voorbereiding op een nieuwe aanzit op de zelfde kansel. Binnen 2 seconden volgt de klap op de voorafgaande flits. En het blijft doorgaan. Hmmmm. Eventjes maar op het balkonnetje kijken hoe een en ander zich ontwikkeld. Verschillende koppeltjes jager-cursist zie ik in de auto vertrekken. Ik wacht. Het onweer wordt niet echt minder. Het lijkt ook of het onweer in het dal ronddraait. Na 20 minuten besluit ik uit veiligheidsoverwegingen vanochtend niet de kansel op te gaan. Ik kleed mij weer uit en ga nog een paar uurtjes naar bed. Tijdens het ontbijt hoor ik van de anderen dat zij in de auto geschuild hebben of gevlucht waren voor het noodweer. Inmiddels schijnt de zon alweer brandend aan de hemel. Zoals in het programma al vermeld stond is deze dag gewijd aan oefensporen en schadeherstel in het veld. Maar al bij het bespreken van het programma merk ik op dat ‘mijn’ vos toch wel nagezocht dient te worden. Een andere jager had exact het zelfde met een big van een wild zwijn; wel beschoten maar niet binnen. Ook nazoeken dus. Gedisciplineerd worden de nazoeken uitgevoerd, maar er wordt niets gevonden. Al met al hebben deze nazoeken de gehele ochtend in beslag genomen. Dus op naar de grillhut voor een lunch met broodjesgezond, zwijnenburgers en, ganzenworst. In een sliert van verschillende auto’s rijden we langs korenvelden, koolzaadvelden, bos en weilanden. Adriaan en zijn zoon Joop staan al klaar om de groep van eten en drinken te voorzien. Gretig vinden de broodjes aftrek. De middag wordt besteed aan schadeherstel. Langs de korenvelden wordt mensenhaar gestrooid om de zwijnen af te schrikken. Een werkje wat een paar uur duurt om de percelen aan de buitenzijden langs te lopen. Inmiddels is het weer tijd voor het diner. Dus ook nu spoeden we ons richting hotel. Tijdens het eten volgen de verhalen van wat er is gezien en waarop is geschoten.

De avondaanzit is weer een feit. Mijn kanseltje heb ik inmiddels weer beklommen en ik staar over de velden. Weer een haas, en weer wat spechten. Rustig scan ik het veld af. In de verte springt er weer een vos uit de dekking. Met mijn kijker van mijn kogelbuks zoek ik hem op. Het schot houd ik er in. In het verlengde van het beeld staat een koe. Daar moet je toch niet aan denken; schiet je op een vos, ligt er ineens een koe op het tableau. Nee dan maar niet. De vos drentelt verder bij mij vandaan. Nog steeds kan ik niet schieten. Op 140 meter loopt hij schuin weg. Als ik tussen mijn tanden sis staat hij stil, draait zich naar mij richting en staat op dat moment precies dwars. Rustig adem ik in, dan weer uit en druk af. De vos heeft nooit geweten wat er is gebeurd. Het is goed geweest voor vanavond. De buks leg ik steunend op de rugzak weg. Ik hurk bij  de vos en bedank hem voor zijn leven. Als jager en als mens beslis je op zo’n moment over leven en dood, dat besef ik mij terdege. Het blijft voor mij altijd wat dubbel. Het zijn zulke mooie dieren, maar zorgen voor de nodige overlast door reekalfjes aan te vallen. Natuurlijk vijanden zijn er niet voor hen. Dan zit er maar 1 ding op; reguleren van de aantallen.

Ik haal mijn vuilniszak en mijn handschoenen tevoorschijn en neem de vos in de zak mee voor op het tableau. Wederom geniet ik van de omgeving als ik met mijn auto de weg door het donkere bos zoek naar de verzamelplaats. Ik ben de eerste. Geeft niks, na het parkeren van de auto wandel ik naar de top van de heuvel en bewonder het majestueuze uitzicht. Het is zo mooi! Een voor een komen de jagers en cursisten binnen. Hetb tableau wordt gelegd. Een jaarling reebok, een big en 2 vossen. Ze krijgen de breuk op hun flank gelegd en de laatste beet in hun bek geschoven. Adriaan pakt zijn jachthoorn en voor elke diersoort wordt met alle respect met een melodie het dier ‘doodgeblazen’. Hierna volgt een ander jagersritueel; het overhandigen van de breuk (eikentakje) aan de jager die het dier geschoten heeft. Respectvol neem ik de breuk in ontvangst. Bij de jachthut worden de dieren ‘doodgedronken’. Ook zo’n ritueel. Tijdens de borrel volgen de verhalen: ‘Hij kwam langs, liep op 140 meter…’

In alle rust rijden we weer door het donkere bos richting het hotel. Het is laat, nacht. Stilletjes zoek ik mijn kamer op en ga nog even douchen. Met een voldaan gevoel kruip ik onder het dekbed. Nou ja, voldaan? Ik ben blij dat ik deze vos heb kunnen bemachtigen, maar wat is er aan de hand met mijn Belgische vrienden? Toch maak ik mij zorgen. Uiteindelijk val ik in slaap.

Er wordt niet meer aangezeten op deze zondagmorgen. Wel nog een nazoek op een vos wat uiteindelijk niets oplevert. Toch nog te vroeg besluit ik nog even naar de grote stad te gaan. Geld halen om de hotelkamers te betalen. De oude hoteleigenaar is nog steeds onbekend met zijn pinapparaat. Ja, hij heeft er eentje staan, maar hoe die werkt is hem een raadsel.

Na het ontbijt wil ik nog van de mensen weten wat er voor verbetering vatbaar is en hoe zij het gehad hebben. Een enkel verbeterpuntje komt hieruit, maar donders, wat heeft een ieder het naar zijn zin gehad. Na deze evaluatie worden de auto’s opgezocht voor de terugreis.

Maandag. De telefoon gaat een +32-nummer, België. Het is de vrouw. Haar man is met verlammingsverschijnselen opgenomen in het ziekenhuis. “Heeft hij je nog gebeld Jan?” Ik antwoord ontkennend: “Nee, ik heb niets van hem vernomen”. “Ik dacht het al. Hij vertelde mij dat hij met jou zo’n fijn gesprek had gehad.” “Hij wilde zo graag met jou mee naar Duitsland. Maar de dokters hebben nu meerdere tumoren in zijn hersenen gevonden. Hij is niet meer te redden. Mogelijk heeft hij nog twee weken…” en dan is het stil. Ik slik. Ik heb kippenvel over heel mijn lichaam. “Misschien twee weken heeft ie nog te leven, misschien iets meer” gonst het in mijn hoofd. We praten zo goed en zo kwaad nog wat verder. De rest van de middag is mijn productiviteit weg. Met regelmaat moet ik aan deze Belgische vriend denken; buitenmens, paardenman, Bourgondiër, ondernemer, man vol levenslust. Dat ben ik ook. Dat had ik kunnen zijn! Dan maar wat minder geld en gezond en genietend van het leven. Pluk de dag, het kan zomaar je laatste zijn!

kogelbuks

Ergernis

Even tussen twee opdrachten in heb ik weer tijd om na te denken. Echter mijn gedachten gaan naar ergernissen. Niet goed dacht ik nog, maar het overkomt mij gewoon.

Samen met Beer, onze ruwhaar Teckel, loop ik door het parkje bij ons in de wijk. Al snuffelend baant Beer zich een weg door het hoge gras. Na plasnummer 34 sommeer ik hem weer te volgen; we gaan weer op huis aan. Achter mij klinkt een fietsbel. Aangezien er geen fietspad is en ik op het voetpad loop schenk ik er eigenlijk geen aandacht aan. In gedachten verzonken wandel ik verder. Nu klinkt de fietsbel alweer, alleen nu erg dichtbij. “He joh, ga eens aan de kant!” Ik schrik op uit mijn gedachten. Een vrouw op een fiets kijkt mij woest aan. Als ik haar vertel dat ik op dit voetpad geen voorrang hoef te geven aan auto’s, brommers en fietsers, simpelweg omdat die hier verboden zijn word ik uitgemaakt voor alles wat mooi en lelijk is. De vrouw passeert slingerend over het gras en raakt mij net niet.

Een dag later rijd ik met mijn witte bestelwagentje de wijk uit op weg naar een afspraak. De weg met fietspaden en trottoirs aan beide kanten van de weg is best breed. Bij de kruising geef ik aan linksaf te zullen slaan. Geen fietsers of brommers van links. Rustig maak ik aanstalte om op te trekken en linksaf te gaan. Haastig zet een vrouw aan om aan de verkeerde kant van de weg nog snel even voorlangs te schieten. Bijna ligt ze op de motorkap. Als ik het raampje naar beneden laat zakken krijg ik geeneens kans om de vrouw aan te spreken want direct komt er een scheldkanonnade op mij af met woorden als: ‘ik kom van rechts’, ‘voorrang’ en ‘opletten’ en dat soort dingen. Als ik aangeef dat zij nergens recht op heeft omdat zij aan de verkeerde kant van de weg fiets krijg ik te horen wat ik volgens haar ben: lul, klootzak, teringlijer, zijn wel de meest gebruikte woorden.

Op weg naar een afspraak in Den Haag rijd ik op de snelweg. Rijdend op de rechter baan nader ik een auto die langzamer rijd. Mijn knipperlicht doe ik aan en haal in. Op het moment dat ik naast de langzamere auto rijd komt deze zonder richting aan te geven naar links. En bijna, bijna volgt er een aanrijding. Als ik naar rechts kijk en de man zijn porem zie krijg ik ‘de middelvinger’. Ik ga er gemakshalve maar van uit dat hij bedoelt dat ik nummer 1 ben. In Den Haag aangekomen valt het mij op dat er maar weinig automobilisten hun richtingaanwijzer gebruiken. Die dingen zitten er toch niet voor niets op?

In het weekend. Op weg naar de hondentrainingen in Ulvenhout rijd ik nadat ik door Ulvenhout-dorp gereden ben de bossen in naar de trainingslocatie. Aan beide kanten van de weg liggen er geasfalteerde fietspaden. Voor de grote groep wielrenners voor mij is dat geen optie. Want daar kun je niet met vijven naast elkaar hard door fietsen. Als ik achterop de groep rijd en even de claxon gebruik weigeren ze om maar een milimeter opzij te gaan. Na nogmaals toeteren zie ik geen enkele medewerking. Met de auto helemaal links van de weg en half door de berm rijdend passeer ik toch. Ik ga wat langzamer rijden en ‘schuif’ de groep langzaam maar zeker aan de kant. Als je alle vloeken weglaat is er eigenlijk niets naar mij geroepen.

Na een drukke dag werken en de nodige tijd in de file doorgebracht te hebben kom ik eindelijk bij ons thuis de straat in rijden. Nergens ook maar kans om de auto bij ons in de straat te parkeren, laat staan ergens in de buurt van de voordeur. 3 of 4 auto’s per huishouden, caravans en een aauhanger zorgen ervoor dat ik een straat verder mijn auto kwijt kan. Ons huishouden telt 1 auto. Niemand die daar rekening mee houdt. Dat is men ook niet verplicht, maar lijkt mij een gevalletje ‘goed fatsoen’.

Nog zoiets: mijn boeken verkopen redelijk. Ik zal er nooit rijk van worden, maar dat was in het beginsel ook niet de opzet. ‘Jaarlijks aan het einde van het eerste kwartaal” zo staat vermeld in het contract met de uitgeverij, ‘worden de royalty’s aan de auteur overgemaakt’. Een goed lezer weet dan dat dat eind maart is. In de maand juni voor de derde keer op rij werden er geen royalty’s uitbetaald. Toch maar even een e-mail verstuurd, ze zullen het druk hebben. Na twee weken nog geen antwoord. Ik volhard in het goede en stuur nogmaals een e-mail met mijn vraag “Joehoe, waar blijven mijn royalty’s?”. Na weken nog steeds geen reactie. Dan begint het aardig te broeden, te woekeren. Ik pak de telefoon en bel. Volgens de dame die ik aan de telefoon krijg komt dat door het nieuwe systeem wat ze hebben. Als ik vraag of zij elk jaar een nieuw systeem hebben (dit heb ik al drie achtereenvolgende jaren als excuus gehoord) wordt er direct gemeld dat de collega van de administratie op deze dag niet werkt.”mag mijn collega u terugbellen?” Natuurlijk mag dat, alleen gebeurt dat nooit. En inderdaad er gaat weer een week overheen en ineens als een soort Godswonder zijn de royalty’s gestort. Ik was blij en verrast, geen antwoorden op mijn e-mails, niet teruggebeld en zomaar, ineens HET BEDRAG gestort.

 

Ze zijn er weer!

Ze zijn er weer, en dan bedoel ik niet de Hollandse Nieuwe. Caravans, sleurhutten, dat bedoel ik. De straten worden er weer mee gevuld. De stekkers weer via lange verlengsnoeren van het huis richting caravan. Weken staan ze aangekoppeld aan het lichtnet. Overigens, geen idee waarom. Ik ben geen kampeerder dat is waarschijnlijk al duidelijk. Maar het fenomeen caravankampeerders boeit mij wel. Laten we ze Diederik-Jan en Petronella noemen. Hij werkzaam als notaris, zij als yoga-lerares. Vul daar nog een zoon en een hond aan toe en het beeld wordt completer.

Zoals gezegd: al weken voor de vakantiedatum staat hun oldtimercaravan voor de deur. Dagen voorafgaande aan het eigenlijke vertrek lopen ze in en uit de caravan met hun handen vol met spullen. Van boodschappen, fietsen, tuinstoelen, dekbedden, kussens, tennisrackets, een bal, een trekkerstentje, voortent, luchtbed, een hondenmand, etensbak, en ga zo maar door. Als de sleurhut vol zit mag je toch verwachten dat de reis naar de vakantiebestemming wordt ingezet. Maar nee, dat duurt soms nog dagen. Zoveel spullen die in de caravan mee moeten. Zoveel dingen in een voor mij veel te kleine ruimte.

90 kilometer per uur mag je met de auto rijden als er een caravan achter hangt. Met 110 a 120 kilometer per uur zie ik die combinaties mij dan vaak slingerend passeren. Te zwaar beladen? Teveel haast? Flink de vaart er in om zo snel mogelijk via de kortste weg op hun vakantiebestemming aan te komen. Zo ook Diederik-Jan en Petronella. Het blijft mij altijd verbazen.

Na een monstertocht van 1300 kilometer zonder tussenstop komen ze aan bij de camping van vakantiedorp El Delfin Verde in het noorden van Spanje. Na het neertellen van 920 euro voor twee weken met de caravan krijgen ze een ‘parcela’ toegewezen dichtbij het zwembad en de animatie. Beiden zijn moe en kriegelig. De hond moet een plas, zoonlief moet een plas. Petronella wil wat anders aan want ze plakt van het zweet. Zoon wil richting zwemband. Hond wil simpelweg gewoon pissen.Diederik-Jan rest niets anders dan in zijn uppie de caravan de positioneren. Een veld afgezet met haagjes geeft de grens aan waarbinnen de caravan mag staan. De oude caravan wordt met veel beleid losgekoppeld, hierna volgt het duwen en trekken aan het oude ding. Langzaam manoeuvreert hij de caravan op de juiste plek, rekening houdend met de stand van de zon, mogelijke inkijk, perfect uitzicht en mogelijkheden om wat schaduw op te zoeken. Na ongeveer een half uur manoeuvreren staat de sleurhut op zijn plek. Vanuit de tassen die in de achterbak van de auto lagen heeft Petronella zich inmiddels omgekleed, schuilend achter een van de haagjes. Zoonlief had zijn zwembroek en een handdoek gevonden en is hem inmiddels gepeerd richting zwembad. De hond is even kwijt maar wordt gevonden bij een caravan bij een ander stel waar hij zojuist en passent de loopse teef heeft gedekt. “Sorry, sorry, sorry. We waren hem kwijt. Nou ik hoop maar dat het mooie pups worden”; zegt Petronella tegen het ziedende stel.

De voortent wordt met zorg in de rails gefrummeld. De tentstokken worden vakkundig geplaatst. Alleen het trekkerstentje voor de zoon moet nog worden opgezet. Als dat gelukt is zijgt Diederik-Jan in een klapstoel neer. “Ik doe helemaal niets meer”; zegt hij en voegt de daad bij het woord.

Het is warm. 33 graden en de avond daalt langzaam neer over de Spaanse kust. Iedereen is luchtig, zomers gekleed. De zoon heeft inmiddels vrienden gemaakt met wat Franse en Nederlandse jongeren en heeft afgesproken bij de tafeltennistafels vlakbij het zwembad. Samen besluiten Diederik-Jan en Petronella richting de boulevard te lopen en een terrasje te pikken.

De avond valt in. De schemering maakt plaats voor het donker. Met een stuk in hun reet waggelen ze richting de camping. Op de camping aangekomen is het nog knap lastig om hun plek terug te vinden. Want was het nou nummer 66, nummer 99 of nummer 69 waar ze stonden? Het wordt dus nog aardig zoeken. Bij nummer 69 herkennen zij hun caravan en trekkerstentje. Moe ploffen ze in de klapstoelen neer. Zoonlief heeft inmiddels zijn slaapzak al gevonden want ze horen een regelmatig gesnurk uit zijn tentje komen. De hond is inmiddels onder de caravan gaan liggen vanwege de koelte daar. Na ongeveer een uur besluiten ze hun slaapbank op te zoeken. Het tafeltje wordt neergelaten en het middenstuk van de bank zorgt ervoor dat er op die manier een soort van 2 persoons bedje gecreëerd wordt. Ze kruipen tegen elkaar. Na wat amoureuze strelingen wordt het wat serieuzer. Er staat wat moois te gebeuren. Het bed blijkt toch wat krap en ongemakkelijk. Maar niet getreurd Diederik-Jan is heel inventief. “Kom maar lief, hier bij het keukentje”. Petronella volgt hem gedwee. Ze begint langzaam tegen hem aan te rijden. Hij kreunt. Hij kreunt hard. “Vind je het lekker lieverd?” vraagt ze. “Nee”; zegt hij ‘Het tennisracket schiet bijna in mijn hol’. Ze verplaatsen zich richting het aanrecht. Met een zwier tilt Diederik-Jan haar op het aanrecht. Ze zoenen hartstochtelijk. “Oh schat, dat was lekker. Je kwam goed”; zegt ze. Verbaast kijkt hij haar aan. “Dat was ik niet trut. Je zit op het zeeppompje!”. Nu weet Diederik-Jan de oplossing; hij zet haar op de keukenla en haalt langzaam de keukenla waar zij op zit heen en weer. “Mam, Pap? Wat doen jullie?” Haastig onderbreken ze hun paringsdrift en kleden zich aan. “Uhmmm…. we waren aan het rummikuppen en hoorde je niet zo snel”. En zo eindigt hun eerste, hete avond. Maar, ze zijn er weer!

 

“Shit man”

‘De shit uit je verleden, is de mest voor je toekomst‘ las ik laatst. Naarmate ik de woorden wat vaker uitspreek en herhaal merk ik dat diezelfde zin steeds dieper en beter indaalt. Zonder dramatisch te willen doen wil ik wel even kwijt dat ik de laatste jaren een aardige hoeveelheid shit, ellende, over mij uitgestort heb gekregen. Een bedrijf, opgezet met een compagnon redde het niet. Mijn schoonvader, schoonmoeder en moeder overleden in een relatief kort tijdsbestek. Zelf een tijdje in het ziekenhuis moeten verblijven. Opdrachten die maar niet doorkwamen.  Teleurstellingen, verdriet en andere shit waren zo vaak schering en inslag dat ik soms dacht dat ik maar beter kon stoppen met de dingen die ik deed. Vaak kreeg ik van bevriende ondernemers te horen dat ‘waar de ene deur dicht gaat en ergens anders een deur opengaat’. Tja dan moet je wel met je gezicht naar die geopende deur staan anders zie je het niet.

Met mijn vrouwlief aan mijn zijde heb ik heel vaak gesprekken gehad waarom we die shit over ons heen kregen. Serieuze gesprekken, waardevolle gesprekken. Het maakte ons sterker, standvastiger, meer vastberaden.

We zijn  er nog steeds van overtuigd dat zaken niet zonder reden gebeuren. En als je daarin gelooft weet je ook dat je er sterker van wordt. We hebben diep in de mest gestaan. Maar mest is ook een groeistof.

Langzaamaan veranderde alles, veranderde ikzelf. Ik geloof in mijzelf! Een kwestie van andere keuzes. Waardevolle contacten ontstonden. Nieuwe vrienden dienden zich aan. Opdrachten kwamen weer door.

Vanmorgen met een paar collega-ondernemers zitten klankborden over startups, ontwikkelen, innoveren, trainingen, kansen zien, kansen grijpen. Gouwe kerels. Bedankt Theo, Frits en Niek.

Ik geloof niet meer in wonderen, ik reken er nu op.