Fuck-it list en gedachten opruimen

Ken je dat, dat je ineens denkt: ‘Ik ben er helemaal klaar mee’? Nou, dat gevoel heb ik nu dus. Even een beeld schetsen hoe dit ontstond: de stortbak van het toilet was kapot. Vervangen was de enige optie, dus op richting bouwmarkt. Aldaar is het zoeken geblazen naar de juiste bak bij de juiste plee. Al zoekend kom je tot de conclusie dat een plee van 30 jaar oud en een modern hedendaags toilet even niet helemaal met elkaar verenigd willen worden. Iets met andere diameters en aansluitingen. Maar goed de oude stortbak verwijderd en de nieuwe opgehangen. Dan is het grote moment daar; nieuw aansluiten op oud. Dussss….. als je alle vloeken weglaat, dan heb ik een uur lang niets gezegd. Tijdens het omhelzen van de pot waarbij ik in een voor mij aardig onbekende houding lag werd er aangebeld. Gehaast wurm ik mij uit mijn ongebruikelijke positie, mijn knie nog even flink stotend aan de pot. Bezweet en geïrriteerd opende ik de deur en de reclamemachine in menselijke gedaante stak van wal: “Goeoeoede..middag, ik ben Pierre van Nuon en……” “Nou en!”; schold ik naar de man en smeet met een knal de deur dicht. Ik kreeg een vage indruk dat de man verbaasd was, maar goed, ik dook weer in mijn pothouding. Later dacht ik heel kort dat dit misschien niet geheel netjes was, maar fuck-it dacht ik. En zo kwam de gedachte boven borrelen van een fuck-it-list.

Dan wordt het tijd voor een soort algeheel gevoel van fuck-it allemaal. Niets kan mij op dit moment rotten. De moord ermee. Terwijl ik dit zo denk, ontstaan er al snel categorieën in mijn fuck-it list die ik best zou willen delen. Categorieën zoals: het stotteren, werk, vakanties.

Stotteren: Al bijna twee jaar stotter ik. Eerst hele dagen en op dit moment meestal alleen ’s avonds. Voor diegene die mijn berichten enigszins volgen weten dat dit door emoties en vermoeidheid de kop op steekt. Eigenlijk als gevolg van niet of onvoldoende rouwverwerking. Diverse fijne mensen heb ik naar hun laatste rustplaats mogen brengen. Mensen waarmee ik juist zo leuk en fijn onderweg was. Het begon zo’n beetje met Arie, de jagermeester, wat pijn in zijn buik en hij had een hekel aan artsen. “Ja hoor, die maken je beter, ja duhhuh”. Uiteindelijk moest hij eraan geloven en moest naar het ziekenhuis. Een operatie volgde en men kon niets meer voor hem doen. Het ziekenhuis, de plek waar hij niet meer uitkwam. En ja of Rick tijdens de uitvaart het orgel wilde bespelen. “En Jan, wil jij dan in de dienst spreken?” Natuurlijk. De anderen zouden Arie de kerk binnendragen. Bij het binnendragen van de kist in de kerk lag Arie’s patronengordel opgemaakt met bloemen op de kist. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonvader. Hij was niet zo lekker. De zuster van het zorgcentrum gaf aan dat hij maar vast naar zijn kamer moest gaan, ze zou zo bij hem komen met bloeddrukmeter. Even nog de buurman die stond te douchen met de voordeur op een kier de stuipen op het lijf gejaagd door een opmerking: “He Janssen, moet ik even je rug komen wassen, dan moet je wel even de zeep van de grond oprapen?” “Beemer donder op ouwe viezerik!” Hij ging lachend op bed liggen in afwachting van de zuster en sloot met een glimlach zijn ogen om nooit meer wakker te worden. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonmoeder die in een ander zorgcentrum verbleef piepte er ineens tussenuit. Hartinfarct, onverwachts. Eindelijk had zij rust. De dag na de begrafenis lag ik met zeer ernstige hartritmestoornissen getriggerd door een tekenbeet in het ziekenhuis waar de artsen vochten voor mijn leven. Ja, ik piepte er zelf bijna tussenuit. Toen preventief het stilzetten en weer op gang brengen van mijn hart op het programma stond bracht dit wel wat teweeg. Een routineklus, maar toch: “Mevrouw Brand, wilt u straks wel extra afscheid van uw man nemen? We bellen u wel als het gelukt is.” En MijnLief, had het hierdoor extra zwaar te verduren. Net haar moeder begraven en dan afwachten hoe het met mij af zou lopen. De dagen erna dagelijks naar mij op bezoek in het ziekenhuis. Na een week op de Eredivisie van het ziekenhuis mocht ik naar huis. Een jaar heb ik nodig gehad om er weer enigszins bovenop te komen. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn moeder voelde zich niet zo lekker. Dus onderzoek, en nog een onderzoek, nog een onderzoek, en weer een. Nog maar een onderzoek. Niets te vinden. Zo was ze al een jaar verder. Mijn vader wilde een second opinion. Wat het ene ziekenhuis niet vond, vond het andere wel. Alvleesklierkanker! Een k…..tziekte! “Maar snel opereren dokter”; was haar reactie. De arts gaf haar een antwoord wat niemand wil horen. “Mevrouw, al was u 21 en het zag er precies hetzelfde uit als nu dan zouden we ook niet opereren”. Op de vraag hoeveel tijd haar nog restte kreeg zij als antwoord: 3 maanden. Het werden er 3 1/2. Maanden waar ik mijn moeder zag interen van 85 kilo naar 32 kilo. Het maakte diepe indruk op mij!

Telkens was ik de vent die de rots in de branding was. De vent waar iedereen bij kon uithuilen. Mijn schouder was sterk en breed. Niets kon mij van mijn stuk brengen. En iedereen wist dat en maakte hier dankbaar gebruik van. En nu, nu ben ik een huilebalk. Zeker als ik weer niet kan praten of als het praten slechts wat gemummel is. Maar ik heb besloten het achter mij te laten. Alle fijne mensen die er niet meer zijn los te laten. Ik kan er niets aan veranderen. Wel kan ik omzien naar deze mensen met een een gevoel van mooie herinneringen die ik niet wil vergeten. Die herinneringen maken nog steeds diepe indruk op mij, maar met een goed gevoel. Ik ga verder!

Werk: 60 uur werkte ik per week, soms meer. De telefoon stond dag en nacht aan. Elk telefoontje, elk e-mailbericht zou wel eens een potentiële klant kunnen zijn. Dus ik was altijd bereikbaar. Alles moest wijken voor mijn werk. Geld was een geweldige bijkomstigheid. Maar wat als je van het geld niet kunt genieten? Wat als je het geld niet uit kunt geven omdat je het te druk hebt? Die tijd in het ziekenhuis heeft mij aan het denken gezet. 7 dagen lag ik op de Eredivisie van het ziekenhuis. Je hebt dan echt tijd om na te denken omdat de tijd toch stil staat. Na mijn ziekenhuisopname en de Eredivisie aldaar heb ik mij toen voorgenomen om alleen nog leuke opdrachten te aanvaarden. Opdrachten die mij inspireren. Opdrachten die mij een voldaan gevoel geven. Ja, er moet wel brood op de plank komen. Soms doe ik opdrachten gratis. De klanten die ik niets factureer staan soms met open mond te kijken en weten niet wat hen overkomt. Soms zijn opdrachten zo leuk en speelt geld op dat moment geen rol. En ik ga ervan uit dat als er bij hen ooit eens een vraag komt, dat zij mij aanbevelen. Een soort ambassadeurs van mij en mijn werk zijn ze dan. En het werkt!

Vakanties: Gewoon weer naar zonovergoten witte stranden met overal vrouwen met een klein bikinietje en een broekje met zo’n flosdraadje in hun bilnaad. Zo’n gevarendriekhoekje met touwtjes. Heerlijk! Heel gevaarlijk wat ik nu schrijf, want ik herinner mij zo’n voorval met een gevarendriehoekje met touwtjes. Een voorval van een paar jaar geleden in Schevingen. We hadden bij een strandtentje gereserveerd om eens lekker te eten en te genieten van de zonsondergang. Temperaturen van 30-plus was in die maand heel gewoon, met van die lange zwoele avonden. Heerlijk! Het buitenterras zat helemaal vol. Plots komt er een vrouw met kind van het strand het terras op lopen. De vrouw had niet de intentie om iets te willen eten of drinken, maar wilde vanaf het strand via de kortste weg de boulevard op. De dichtst bijzijnde trap van strand naar boulevard was wel dertig meter verderop dus….juist via het terras van het restaurant. Tot zover is er nog enig begrip voor de vrouw op te brengen, maar… de vrouw had niet zo veel kleding aan. Of eigenlijk ze had niets aan op een ieniemini bikinislipje. Slipje kan je eigenlijk ook niet noemen, het was meer een gevarendriehoekje met touwtjes. En het zat nog hartstikke strak ook. Ze was ook nog eens vrij gezet, had erg grote borsten, en die hingen bijna over haar knieën. Echt, dan schiet mijn schaamhaar zowat uit de krul he. Nee, het was geen fraaie verschijning. Terwijl ik dit met MijnLief bespreek hoor ik de twee jonge stellen achter ons tegen de vrouw zeggen: “Mevrouw, alstublieft zeg, we zitten te eten he?

Maar goed, dat terzijde. Ik ben er inmiddels achter gekomen dat 1 of 2 keer per jaar vakantie inplannen momenteel niet werkt om de ‘accu’ op te laden. Dus fuck-it we kunnen het nu betalen dus wat we sinds enige tijd doen is geen 2 lange vakanties inplannen, maar meerdere kleine vakanties. Weekendjes weg, een midweekje, een weekje naar Praag, Rome, New York, La Bournee, Saarburg, Maastricht, Londen, Aarhus, Dublin of iets dergelijks. elke twee maanden proberen we dit te doen. Telkens weer een lichtpunt om naar toe te leven. En het werkt!

Jagen voelt ook vaak als een soort mini-vakantie. Zeker als het meerdere dagen zijn. Daar moet ik ineens aan denken; jagen in Duitsland. Al weer een tijd geleden overkwam mij dit. Met de honden als drijver mee in een groot revier met uitgestrekte vlaktes, beboste steile hellingen en rotspartijen. De jagers waren al een tijd ervoor naar hun posten op hoogzitten en kansels gebracht. De drijversploeg ging op linie door het veld. Bij de steile hellingen aangekomen keek ik even naar mijn buurdrijvers hoe zij de helling zouden nemen. Nou, het was gewoon ieder voor zich bleek al snel. Met 2 honden door het veld ging heuvelopwaarts fantastisch. Het leken net 2 klimijzers. Ze trokken mij letterlijk omhoog. Toen neerwaarts. De honden zetten zich schrap. Ik ook, alleen hielp dat niet. De grip onder mijn laarzen verdween en voor ik het wist gleed ik met grote snelheid naar beneden, de honden aan de lijnen achter mij aanslepend. Nergens houvast. Ineens gleed ik langs een klein berkenboompje. Ik greep mij vast en niet veel later gleed ik met het berkenboompje in mijn hand verder. Een boomstronk stopte mijn val. Met mijn Knabbel en Babbel er bovenop. Het enige wat er dan door je heen gaat en langzaam ergens naar je buik kruipt is pijn. Zoveel pijn dat je wil kotsen en je ma wil bellen. Zo’n soort pijn. Mijn Knabbel en Babbel lagen als platgeslagen knaken in mijn broek. Vanaf een hoogzit en een kansel in de verte hoorde ik een vrouw roepen: “He Jan, wie geht es?” Onbegrijpelijk dat ik jagen nog steeds leuk vind na dit voorval, maar ja het ontspant zo lekker. Ook weer een gedachte die een plekje heeft gekregen.

Ik richt mij nu op de vakantieonderbrekingen, op mooie inspirerende opdrachten en op de fijne dingen. Fijne dingen zoals mijn nieuwe functie: family manager. Vroeger heette dat opa 😉

 

 

 

 

 

Advertenties

Weidelijkheid

Bijna de opening van het jachtseizoen. Ik ben al weer licht gespannen voor de uitnodigingen: of die komen en wanneer die komen. Een heerlijke tijd vind ik het. Ik ontmoet weer oude bekenden en nieuwe mensen waaronder boeren, burgers en buitenlui. De kou, de koffie ’s morgens vroeg, de driften, de nazit (vaak met snert en roggebrood met spek), het maakt mij wat melancholiek. Dan denk ik terug aan mijn eerste uitnodigingen als drijver en hondenman en aan mijn eerste uitnodiging als geweer. Mooie herinneringen, met af en toe een herinnering aan een jachtuitnodiging waar ik hele grote vraagtekens met uitroeptekens er achter zet. Ik zal twee voorvallen beschrijven waarbij ik vind dat deze manier van jagen beslist niet kan.

Het gebeurt niet vaak, maar af en toe kom ik mensen tegen…  Ze stinken naar putlucht en een zure lucht van zweet en drank. En ook na het jagen, tijdens de nazit, kan ik mij verbazen over het feit dat dit soort figuren nog rechtop kunnen zitten. Laat staan dat ze tijdens de jacht nog iets geraakt hebben. Een paar jaar geleden kreeg ik de uitnodiging om in de polder te komen jagen. Een groep van dertig jagers verzamelde zich rond de afgesproken boerderij. Een ieder van de geweren kreeg een post toegewezen en ging te voet naar de afgesproken plek toe. De eerste drift werd aangeblazen. Al snel hoorde ik de eerste schoten. Aan het einde van deze drift werd het tableau neergelegd. Een enkeling toonde geen enkel respect voor het geschoten wild door het wild op de juiste plek in het tableau te gooien en/of over het uitgelegde wild te stappen. Uit respect loop je om het tableau heen, maar dat terzijde. Na het leggen van het tableau werd er in het veld koffie geschonken en direct er achteraan kwamen de flessen Jagermeister. En het was nog geen half tien in de ochtend toen de plastic bekertjes soms tot de rand met Jagermeister gevuld werden. Zoiets kan niet vind ik. Met drank op een geweer hanteren is bij mij uit den boze. Zoals de Fransen zouden zeggen: ‘Je ne suis pas van lotje hè’.

De nazit was in een dorpscafeetje. Daar zat ook zo’n jager die in het veld al de nodige borrels had genuttigd. Hij zat gewoon opgebaard op de barkruk. En dat rijdt gewoon met de auto naar huis. Het zou mij niks verbazen als je een aantal dagen later in de krant zou kunnen lezen dat zo’n  iemand met een tuintje op zijn buik naast de kerk ligt. Gelukkig is dit geen regel, maar een uitzondering is het ook weer niet.

Laat ik een ander voorval beschrijven. Het is herfst. Winderig, een heel gure wind blaast over de akkers. Om en nabij de 13 graden. Al heel vroeg in de ochtend kwam ik  bij de boerderij in de polder aan waar die dag gejaagd zou worden. Een ieder werd hartelijk ontvangen met koffie en ontbijtkoek. Na de koffie legde de jagermeester de veiligheidsregels uit en wat die dag vrij zou zijn om op te jagen: fazantenhanen, konijnen, eenden, de man 2 hazen en houtduiven. Duidelijk lijkt mij zo. Na de uitleg werden de posten uitgezet en de drijvers naar hun startposities gebracht. Een oude man van ver in de tachtig kreeg een plekje toegewezen bij een dammetje. Een krukje werd voor de man uitgeklapt. De mannen begeleide de oude man uit de auto en brachten hem naar zijn krukje. Een man liep terug om de oude man’s geweer te halen en bracht hem zijn geweer. Zelf kreeg ik een post naast de oude man ongeveer 60 meter bij hem vandaan. Het duurde even maar in de verte kwamen de drijvers toch luid roepend en kloppend met een stok op de grond aangelopen. Een eerste schot viel. Niet veel later nog een schot maar nu kwam het geluid meer van rechts. Inmiddels waren de drijvers op 60 meter van de posten genaderd. Hier en daar ging er een eend op uit de afwateringsslootjes. Inmiddels waren de drijvers binnen de 30 meter gekomen. Er ging een haas op, recht op de hoogbejaarde jager af. Hij richtte, ik riep nog niet te schieten vanwege de onveilige situatie, en hij drukte af. Het haas ging over de bol en tegelijkertijd dook een drijver ineen. De drijver kreeg een lading hagel vol in zijn murf. De verwondingen vielen mee, maar dit had nooit mogen gebeuren. De oude jager is zijn geweer afgenomen. Op advies van zijn zoon heeft hij zijn geweren bij de politie ingeleverd in afwachting van verkoop ervan. Zijn jachtakte heeft de oude jager niet meer laten verlengen. En terecht. Gelukkig zijn de jagermeesters tegenwoordig strenger. Kan helemaal geen kwaad.

 

 

Overdenking

Door werk en drukte had ik al een tijd de kerk niet bezocht. Op de zondagochtend geef zweethondentrainingen. Een groot gedeelte van de deelnemers is jager, Bijzonder Opsporings Ambtenaar of voorjager. Door de weeks hebben deze mensen geen tijd omdat zij hun werk hebben, zaterdags is het meestal schadebestrijding of jagen, dan blijft de zondag over. En aangezien de hondentrainingen een deel van mijn inkomen is zit een kerkbezoek er dan niet voor mij in.

Zoals gezegd al een tijd niet meer naar de kerk geweest en nu in een periode met ingeplande rust vond ik weer tijd om te gaan. Als ik ga ben ik altijd ruim op tijd. Gewoon zitten in die bank en bezinnen op wat er was en wat er komen gaat. Ongemerkt hoor ik de conversatie van twee oudere heren achter mij. Ik schat ze dik in de zeventig. “He broeder, daar. Kijk dan. Die jurk!” “Waar, daar rechts opzij?” “Nee joh, links. Daar links in het midden.” Doordat er meerdere mensen de kerk betraden, zowel echtparen, alleenstaande mannen als alleenstaande vrouwen kon ik niet uit hun informatie opmaken op wie zij doelden. Grappig vind ik dat. Er wordt nog steeds naar vrouwen gekeken. Al begreep ik niet of ze de vrouw leuk vonden of dat ze de jurk afgrijselijk vonden. Ik hoor het geroezemoes van pratende mensen. Mijn gedachten glijden weg en maakt plaats voor die mooie herinneringen.

In gedachten verzonken denk ik aan mijn verblijven in de verschillende jachtvelden die ik met enige regelmaat mag bezoeken. In deze verschillende gebieden zie ik Gods wonderen als ik nog midden in de nacht de bossen en velden betreed of als ik ’s avond wanneer het aarde donker is geworden de bossen en velden weer verlaat en huiswaarts keer of richting hotel rijd. Wilde zwijnen horen en zien in de schemer, reeen en vossen zien of horen terwijl anderen achter de televisie wachten tot het tijd is om naar bed te gaan betreed ik mijn kansel of aanzitladder en zie de wonderen voorbij lopen. Vuurvliegjes lichten op in het donker. Als kleine lantaarntjes bewegen ze voor mij in de lucht. Een sterrenhemel zo vol,  prachtig om te zien. En daar zit je dan. In het donker. Langzaam wennen je ogen aan het maanlicht. Er is gekwetter. Het koren beweegt. Er is duidelijk leven in het koren. Even laten ze zich zien, de spelende dassen. Ik zie ze spelen door de kijker van mijn geweer. Afschieten was de opdracht vanwege de schade aan de fauna die ze aanbrengen, maar ik laat ze. Dit is te mooi om het leven te nemen. In de verte hoor ik in het donker de zwijnen gillen. Een paar hebben duidelijk ruzie. Zien doe ik ze niet. Geeft niet, hen horen is ook al een genot. Nee, ik bezoek niet frequent de kerk, maar ik denk dat ik dichter bij God ben als menig kerkganger die voor in de kerk de liederen meezingen. Ik zing de liederen met mijn hart, daar hoog op een aanzitladder turend over het landschap: ‘Tel je zegeningen een voor een. Tel ze allen en vergeet er geen….’

In gedachten verzonken werd ik op mijn schouder getikt. Dominee Piet die even een praatje kwam maken. “Jan, wat leuk je weer te zien. Ik heb het idee dat ik je al een hele tijd echt ken. Maar ha, komt door Facebook hoor”; zegt hij. “Ik lees regelmatig je verhalen en je posts op Facebook.” Een goeie vent die Piet, hij gaat echt met zijn tijd mee. Hij heeft een Facebook-account en bereikt zo mensen die niet regelmatig de kerk bezoeken, en daar reken ik mijzelf ook onder. Piet is een dominee die bij Cookers, een eetgelegenheid, zit en met soms wildvreemde mensen of mensen die dat nodig hebben een praatje maakt of een bemoedigd woord spreekt. En hij betaalt dan de koffie of thee. In de dienst welke als thema Vriendschap had liet hij via de beamer ook een nummer van Thé Lau zien en horen. Dat nummer was vlak voor de dood van Thé Lau gemaakt. Een eenvoudig maar indringend nummer, als je tenminste de woorden begrijpt. Soms leidt Piet een dienst die in het teken staat van een artiest als Johnny Cash of U2. Bijzonder toch? Altijd met veel overgave en schijnbaar zonder dat het hem moeite kost weet hij mij te boeien. Zo ook nu. Bedankt Piet!

Therapie

Al maanden heb ik last van stotteren. Wat begon met zonder enige aanwijzing opeens stotteren na het opstaan is nu in een wat mildere vorm overgebleven; stotteren na een vermoeiende dag. Het is dus minder, maar niet geheel verdwenen. Van vrienden en familie kreeg ik vaak de vraag bij wie of waar ik in therapie was. Als ik dan meldde dat ik zelf mijn eigen therapie verzorg wordt er niet eens meer raar opgekeken. Al jaren help of adviseer ik mensen met lastige of moeilijke ervaringen. Verschillende manieren wend ik daarvoor aan om de problemen het hoofd te kunnen bieden. Denk aan ademhalingstechnieken, oude en nieuwe technieken. Denk hierbij aan ontspanningshypnose. Denk aan een goed gesprek met enorme diepgang. Mensen hebben er baat bij. Voor mijzelf pas ik ook ademhalingsoefeningen toe, zo ook bewustwordingsmomenten. Inmiddels heb ik het stotteren tijdens mijn werk onder controle, maar ’s avonds gaat het nogal eens mis. Te druk of te moe zijn de triggers die mij dan parten spelen.

Het meeste effect bij mij heeft het in de natuur zijn en luisteren naar een ontwakende wereld. Vogels die wakker worden en een kakefonie aan geluiden laten horen. Loeiende koeien doen het bij mij ook goed. Ritselen van bladeren door de wind doet het ook goed. Jagen is zo’n ontspanningsmoment, een soort therapie. Ver voordat het licht doorbreekt of in de avondschemer tot het echt te donker wordt zit ik in een camouflagehutje in een veld of zit ik op een kansel (zo’n hutje op palen op 3 meter boven de grond) uit te kijken naar grofwild wat zich aan mij toont. En nee, ik ben geen schieter. Uitsluitend wanneer ik ervan overtuigd ben dat het juiste dier geoogst kan worden haal ik de trekker over. Het dier valt dan op het schot en heeft nooit geweten wat hem getroffen heeft. Altijd dank ik het dier voor zijn leven, altijd. Met veel respect behandel ik het dier. Ik zal, als het dier geschoten is, er nooit overheen stappen, altijd er omheen. Uit respect. En dan in het veld het grofwild ontweiden, het ontdoen van de ingewanden. Nadat het dier in een koeling is gehangen is het werk voor dat moment gedaan. Dan de terugweg naar huis. Als de terugweg een eind rijden is stop ik (of de jachtmaten) bevroren water in frisdranklessen in de borst- en buikholte van het dier. Thuisgekomen begint het uitbenen, proportioneren en het verpakken met stickers erop wanneer het is verpakt en wat erin zit. En als de delen van het dier in de keuken bereidt worden gebeurt dit ook met veel respect en met verse kruiden. Een levend wezen heeft zijn leven gegeven zodat ik/wij dit scharrelwild kunnen eten. Een zegen voor de maaltijd van Onze Lieve Heer maakt het voor mij helemaal af.

Banjeren door de regen vind ik ook heerlijk. Ik hoor sommige mensen al denken: ‘Door de regen?’ Dan word je toch nat?’. Ja, en? Er is geen slecht weer, er is slechte kleding. Regen spoelt figuurlijk al mijn gedachten van mij af. Als een verkwikkende douche kom ik uit de regen thuis. Nat, maar rustig, gedachtenloos, vrij.

De ultieme therapie blijken mijn honden te zijn. Honden, meervoud. Sinds kort hebben we weer twee honden. Een ruwhaar Teckel, Beer genaamd en Broer, de Cesky Fousekpup. Voor de mensen die dit ras niet kennen, het is een ruwharige Tjechische Staande hond. Wij hebben een korte tijd gehad dat we even geen honden hadden. Dat was de tijd dat de oude honden kort na elkaar dood waren gegaan. De stilte in huis…. oorverdovend. De wachttijd voor de pup de juiste leeftijd had om bij ons in huis te komen wonen duurde eeuwen in mijn beleving. De Teckel, Beer, heb ik weer getraind voor het zweethondenwerk. Het zweethondenwerk is het opsporen van aangereden of aangeschoten grofwild (grote hoefdieren) op te sporen tot ongeveer 48 uur nadat het incident gebeurd is. 2 jaar duurt dat trainen ongeveer voordat je een hond hebt die bruikbaar is voor dit werk. En dan nu sinds een week hebben we Broer, de Cesky Fousekpup. Broer wordt getraind voor het apporteerwerk. Apporteren is het ophalen en brengen van het geschoten kleinwild zoals konijnen, fazanten, hazen, duiven, ganzen enzovoorts. Zonder honden is er geen weidelijke jacht vind ik.

Met Beer en nu ook Broer in mijn leven merk ik dat het stotteren langzaamaan iets vermindert. Volgens mij de beste therapie!

Bericht uit Frankrijk

Met op de achtergrond de muziek van Jean Ferrat op Spotify ben ik bezig met allerlei administratieve zaken. Factureren, lessen voorbereiden, planningen maken, agenda bijwerken, van dat soort dingen. Belt er zojuist een man uit Frankrijk. “Uhm….hallo Jan, je spreekt met Arnold. Ja, je kent mij niet, maar op je website van Jan Brand Zweetwerk heb ik een artikel gelezen over het maken van een wandelstok. Maar nu met die bijenwas wordt het zo’n plakzooi. Doe ik wat verkeerd?” Als een razende gaan mijn hersens tekeer. Wandelstok? Bijenwas? Plakzooi? Ineens gaat mij een licht op. Al een tijd geleden heb ik een blogbericht geschreven over het maken van een wandelstok. De blogberichten plaats ik ook op mijn website. Maar omdat het al een tijd geleden was dat ik dit bericht heb geschreven kosten het mij moeite om het mij te herinneren. Maar ik weet het weer, dus ik vraag hem beleefd naar welke bijenwas hij heeft genomen. “Nou, uit de bijenkorf”. Als ik hem vertel dat ik meubelwas op basis van bijenwas bedoel geeft de man aan dat hij het snapt. ‘En bedankt man voor je tijd!” En stil is het weer aan de andere kant van de lijn, mij toch in enige verwarring achterlatend.

Toch bijzonder dat mensen mijn berichten waarderen.

Nieuwe dag, nieuwe kansen

Er is een groot verlangen. Een verlangen om terug te gaan naar vroeger tijden. Nostalgie en melancholie wisselen elkaar af. De gedachten aan vroeger, aan de oude plaatsen waar ik gewoond heb. Zaken als zoethout, Belga-kauwgom, zakjes zwartwit komen voorbij als ik wederom in een diepe slaap al. Als ik wakker word is het voor mij duidelijk: ik moet dingen afsluiten. De rugzak raakt te vol. Ik moet tijd vrijmaken om mijn verdriet het hoofd te bieden. Tijdmaken voor Jan-tijd in plaats van uitsluitend tijd maken om anderen te helpen. Niet dat ik mensen die dat nodig hebben niet zal helpen, in tegendeel, maar er moet ook tijd komen voor mijzelf. Wandelend door de straten waar ik ben opgegroeid. Wandelend door het bos, maar wel in mijn uppie. Mijmerend, verhalen makend en geschiedenis schrijvend. Meer tijd makend om samen met mijn lief te genieten van de dag. Stiekum spijbelend zomaar weer eens de grens over schieten en in Wallonie de boel onveilig maken. Of eens te kijken of ik Londen net zo leuk vind als zij.

Twee dagen meejagen in Duitsland werkte voor mij als therapie. Beer, de Teckel mee op post en mee voor eventuele nazoeken op aangeschoten grofwild en voor de vossenbouwen.
Na vier uur sturen sms-te ik vriend Adriaan dat ik er was. ‘Gelijk door naar de kansel en zitten Jan. Ik kom eraan’, was het antwoord op mijn bericht. Zodra ik de auto door het bos had gestuurd stond Adriaan mij al op te wachten. Ik begroette Adriaan en ja, ik moest hem vertellen dat ik weer stotterde. “Ach Jan, je bent toch nog steeds hetzelfde, dus voor mij is er geen verschil”. We omhelden elkaar en zeiden even niets. De andere jachtvrienden zaten al op de hun toegewezen plek. Ik zat nog geen half uur op de kansel toen er al drie reekalveren al dartelend de weide over kwamen. Ze huppelden gewoon en sprongen om elkaar heen niet wetend wie hen door het vizier zat te bespieden. Ik heb ze laten gaan. Niet veel later kwamen er twee reegeiten op een holletje voorbij. Allebei keken ze mijn richting op en zekerden even. Nee, volgens hen was er geen gevaar. Een reegeit gedroeg zich wat raar. In de kijker leek het erop dat deze een geheel wit oog had maar zeker weten deed ik het niet. Het gedrag was echter zo anders als normaal dat ik besloot tot afschot. Het ree heeft mooit geweten wat hem getroffen had, want hij viel op het schot. Het bleek goed afschot. Het ree was blind aan een oog. Na het ontweiden zijn we richting het hotel gereden alwaar de anderen al stonden te wachten. Even handen wassen, opfrissen en Beer uitlaten en daarna richting Saarburg voor een diner.

Dag twee waren er zes driften met nog wat peuterwerk op varken, roofwild, haas, veerwild en waterwild. Bij de vierde drift stonden drie hooibergen onder een zeil. Er zou een vos zijn waargenomen, dus of ik met de hond wilde inspecteren of Reinaard thuis was. Aangezien Beer dit nog nooit gedaan had was dit best spannend voor ons allebei. Maar hij deed zijn werk goed. Bouw 1: Beer snuffelde even aan de pijp en keerde gelijk om. Bouw 2: hij snuffelde aan de pijp en begon te trillen en te kwispelen. Toen ik “er in” zei was Beer weg onder de grond. Reinaard was thuis. Bouw 3: ook hier snuffelde hij even en vond het gelijk genoeg. De vos sprong niet maar ik weet nu dat hij goed verwijst. Twee dagen jagen in Duitsland blijkt ook het relativeren te bespoedigen. De tijd die ik in mijn eentje in het donker op de kansel en op post doorbracht blijkt toch ideaal te zijn om gedachten af te wisselen met prachtige waarnemingen van God’s schepping. Langzaam aan krijgt alles een plekje.

Na de laatste drift, het maken van het tableau en het doodblazen van het wild werd na wat drinken de terugreis ingezet. Het stotteren was wat minder geworden. Door ademhalingtechnieken toe te passen en te praten bij het uitademen kreeg ik langzaam wat meer grip op mijn stotteren. Tijdens de vier uur durende terugreis heb ik bijna de gehele weg ademhalingsoefeningen en spraakoefeningen gedaan. Door woorden waarbij ik constant over struikelde hardop en langzaam uit te spreken kreeg ik wat meer grip op mijn praten. STRUIKELEN, STUITEREN, SPUITEN, SLUITEN, PRUIKEN, PRONKEN… en zo reed ik naar huis, met een mooi beeld op het netvlies van de afgelopen dagen en wat meer rust door het vele praten… tegen mijzelf.

Pluk de dag

Op mijn dooie gemak rijd ik richting Adriaan, de jachthouder. Het watertje meandert met mij mee terwijl ik de weg volg. Het gesprek gaat over het gebruik van zijn jachtveld in Duitsland om de zweethondencursus met een praktijkweekend af te sluiten en om te zien of er mogelijkheden zijn om managementtrainingen te combineren met jacht. Uitvoerig spreken we over dit onderwerp. Ook Adriaan weet ik enthousiast te krijgen en hij stemt toe. Eind juni zal het weekend plaatsvinden.

De volgende stap: cursisten informeren over de mogelijkheden en de daarbij horende kosten. Willen ze wel mee? Is er wel animo voor? Als ik dit bespreek zo ongeveer 3 lessen voor het einde van de cursus melden er 3 cursisten zich definitief aan. Ook mijn 2 Belgische cursisten, man en vrouw, stel ik de mogelijkheden voor en ook zij zijn enthousiast. Er is een maar, de man is zojuist aan een hersentumor geopereerd en is nog aan het herstellen. Verschijnselen: snel moe en zware benen. ‘Maar’ zo bezweert hij mij ‘Ik ga koste wat het kost mee. Ik wil dit voor geen goud missen’.

21 juni. Met een speciale e-mailnieuwsbrief vertel ik hen de laatste details zoals wat zij mee moeten nemen, hoelaat zij in Duitsland worden verwacht, het programma voor het weekend en dat zij weinig slaap zullen krijgen vanwege de vele aanzitmomenten. Van allen krijg ik een reactie terug, behalve van het Belgische stel. Er gaan een paar dagen overheen en nog steeds niets vernomen. Ik besluit het alsnog een e-mail te sturen. Geen reactie. Dan pak ik de telefoon en toets hun nummer. Voicemail. Dat is niets voor hen. Zeker de man is heel erg punctueel. Hummmm.

Eind juni. Het praktijkweekend is daar. In colonne rijden we via de Belgische Ardennen en Luxemburg naar Duitsland. Het is 32 graden. Nog steeds geen bericht van mijn Belgische cursisten. Na een rit van vierenhalf uur draaien we de parkeerplaats van het hotel op. Adriaan verwelkomt ons aller hartelijkst. Ik wijs de cursisten op de mogelijkheid hun benen te strekken en de honden van wat beweging te voorzien door hen een route langs en door een beek en bos te laten lopen. Het geeft mij wat bewegingsvrijheid om oefensporen te leggen voor de andere dag en geeft Adriaan de ruimte om indelingen te maken welke cursist met welke jager op de kansel zal gaan.

In alle rust zoek ik mijn weg door het grote gebied. Bij de grillplaats, een soort picknickplaats welke je bij de gemeente kunt vastleggen, besluit ik mijn sporen te maken. Al mijmerend leg ik de sporen. En, nog steeds niets gehoord van het Belgische stel. Zorgelijk vind ik dat. Maar goed, het zou zomaar kunnen dat als ik bij het hotel terugkom zij er ineens staan. Afwachten maar. Ik besluit nog even te genieten van het fabelachtige uitzicht. Gewoon even een Jan-momentje. Er is niets, geen geluid dan alleen van de verschillende vogels en het ruisen van de wind door de bomen. In de verte zie ik een jonge vos lopen. Traag maak ik aanstalte om naar de auto te gaan, met tegenzin. Het is hier zo rustig en zo mooi. Ik stap de auto in en rijd over de verschillende bosweggetjes weer richting bewoonde wereld en zo naar het hotel. Inmiddels is het etenstijd geworden. De cursisten hebben inmiddels kennisgemaakt met ‘hun’ jagers. Babbelkous bij babbelkous, outdoormens bij outdoormens en de ene cursist met geweer als ‘stand-alone’ met een eigen plek op de kansel.

Na het Duitse eten met als uitgangspunten Veel, Vet en Voedzaam geef ik een presentatie over het nut en de noodzaak van het zweethondenwerk en over de veiligheid in het algemeen en de veiligheid tijdens de nazoeken in het bijzonder. Er is veel interactie tijdens mijn presentatie en daar houd ik van. Ervaringen worden gedeeld, zo ook de kennis. Na de presentatie deelt Adriaan de jagers en cursisten in op de verschillende kansels in het jachtveld. Zodra een ieder zijn plek weet vertrekt een ieder. Als iedereen weg is besluit ik ook mijn plek voor die avond op te zoeken; een kansel aan de rand van het bos met uitzicht op een koolzaadveld en een weiland met koeien. Na een kwartier rijden kom ik op mijn bestemming aan en ontdoe mijn kogelbuks van foudraal, pak 4 patronen en doe die in het magazijn en hang mijn rugzak om. Ik ben er klaar voor. Rustig en zo onhoorbaar mogelijk schrijd ik door het veld naar de kansel. Rustig bestijg ik de ladder en installeer mij op mijn plek. Het uitzicht is fenomenaal. Hier zit ik dan met mijn gedachten. Gedachten aan het feit dat dit niet voelt als werk. Gedachten aan mijn vrouw thuis. Gedachten aan het stel wat er niets is. ‘Er zal toch niets gebeurd zijn? Het is niks voor hen om niets van zich te laten horen. ER IS WAT GEBEURD, DAT MOET WEL!’ Okay, ik weet mijn gedachten uit te schakelen en maak voor mijzelf het verschil tussen kijken en zien. Rustig tuur ik het veld af. Ik zie een haas. Ik zie spechten. Leeuweriken staan biddend stil in de lucht. En ineens, als in een flits, rent er een vos het veld op. 70 meter voor mij begint hij te muizen. Zich van geen kwaad bewust loopt ie jagend de muizenholletjes langs. Hij staat geen moment stil. Toch besluit ik de safe van de kogelbuks te halen. Ik richt. Rustig adem ik in, ik adem uit en druk af. Met 4 poten komt de vos los van de grond en sloft het koolzaad in. Na even nadenken besluit ik de plaats van aanschot te bekijken. Geen enkele aanwijzing dat ik hem geraakt heb is er te zien. Toch maar nazoeken ter controle vind ik.

Inmiddels is het 22:40 uur en is het genoeg geweest vind ik. Met mijn auto rijd ik door het inmiddels donkere bos richting hotel. Moe stap ik onder de douche en kruip hierna mijn bed in. De wekker stel ik in om 03:30 uur. Als ik na een paar uurtjes wakker word door de wekker kijk ik verbaasd om mij heen. Waar ben ik? Langzaam dringt het weer tot mij door: het is zaterdag en ik ben in Duitsland! Het onweert enorm. In alle stilte kleed ik mij aan ter voorbereiding op een nieuwe aanzit op de zelfde kansel. Binnen 2 seconden volgt de klap op de voorafgaande flits. En het blijft doorgaan. Hmmmm. Eventjes maar op het balkonnetje kijken hoe een en ander zich ontwikkeld. Verschillende koppeltjes jager-cursist zie ik in de auto vertrekken. Ik wacht. Het onweer wordt niet echt minder. Het lijkt ook of het onweer in het dal ronddraait. Na 20 minuten besluit ik uit veiligheidsoverwegingen vanochtend niet de kansel op te gaan. Ik kleed mij weer uit en ga nog een paar uurtjes naar bed. Tijdens het ontbijt hoor ik van de anderen dat zij in de auto geschuild hebben of gevlucht waren voor het noodweer. Inmiddels schijnt de zon alweer brandend aan de hemel. Zoals in het programma al vermeld stond is deze dag gewijd aan oefensporen en schadeherstel in het veld. Maar al bij het bespreken van het programma merk ik op dat ‘mijn’ vos toch wel nagezocht dient te worden. Een andere jager had exact het zelfde met een big van een wild zwijn; wel beschoten maar niet binnen. Ook nazoeken dus. Gedisciplineerd worden de nazoeken uitgevoerd, maar er wordt niets gevonden. Al met al hebben deze nazoeken de gehele ochtend in beslag genomen. Dus op naar de grillhut voor een lunch met broodjesgezond, zwijnenburgers en, ganzenworst. In een sliert van verschillende auto’s rijden we langs korenvelden, koolzaadvelden, bos en weilanden. Adriaan en zijn zoon Joop staan al klaar om de groep van eten en drinken te voorzien. Gretig vinden de broodjes aftrek. De middag wordt besteed aan schadeherstel. Langs de korenvelden wordt mensenhaar gestrooid om de zwijnen af te schrikken. Een werkje wat een paar uur duurt om de percelen aan de buitenzijden langs te lopen. Inmiddels is het weer tijd voor het diner. Dus ook nu spoeden we ons richting hotel. Tijdens het eten volgen de verhalen van wat er is gezien en waarop is geschoten.

De avondaanzit is weer een feit. Mijn kanseltje heb ik inmiddels weer beklommen en ik staar over de velden. Weer een haas, en weer wat spechten. Rustig scan ik het veld af. In de verte springt er weer een vos uit de dekking. Met mijn kijker van mijn kogelbuks zoek ik hem op. Het schot houd ik er in. In het verlengde van het beeld staat een koe. Daar moet je toch niet aan denken; schiet je op een vos, ligt er ineens een koe op het tableau. Nee dan maar niet. De vos drentelt verder bij mij vandaan. Nog steeds kan ik niet schieten. Op 140 meter loopt hij schuin weg. Als ik tussen mijn tanden sis staat hij stil, draait zich naar mij richting en staat op dat moment precies dwars. Rustig adem ik in, dan weer uit en druk af. De vos heeft nooit geweten wat er is gebeurd. Het is goed geweest voor vanavond. De buks leg ik steunend op de rugzak weg. Ik hurk bij  de vos en bedank hem voor zijn leven. Als jager en als mens beslis je op zo’n moment over leven en dood, dat besef ik mij terdege. Het blijft voor mij altijd wat dubbel. Het zijn zulke mooie dieren, maar zorgen voor de nodige overlast door reekalfjes aan te vallen. Natuurlijk vijanden zijn er niet voor hen. Dan zit er maar 1 ding op; reguleren van de aantallen.

Ik haal mijn vuilniszak en mijn handschoenen tevoorschijn en neem de vos in de zak mee voor op het tableau. Wederom geniet ik van de omgeving als ik met mijn auto de weg door het donkere bos zoek naar de verzamelplaats. Ik ben de eerste. Geeft niks, na het parkeren van de auto wandel ik naar de top van de heuvel en bewonder het majestueuze uitzicht. Het is zo mooi! Een voor een komen de jagers en cursisten binnen. Hetb tableau wordt gelegd. Een jaarling reebok, een big en 2 vossen. Ze krijgen de breuk op hun flank gelegd en de laatste beet in hun bek geschoven. Adriaan pakt zijn jachthoorn en voor elke diersoort wordt met alle respect met een melodie het dier ‘doodgeblazen’. Hierna volgt een ander jagersritueel; het overhandigen van de breuk (eikentakje) aan de jager die het dier geschoten heeft. Respectvol neem ik de breuk in ontvangst. Bij de jachthut worden de dieren ‘doodgedronken’. Ook zo’n ritueel. Tijdens de borrel volgen de verhalen: ‘Hij kwam langs, liep op 140 meter…’

In alle rust rijden we weer door het donkere bos richting het hotel. Het is laat, nacht. Stilletjes zoek ik mijn kamer op en ga nog even douchen. Met een voldaan gevoel kruip ik onder het dekbed. Nou ja, voldaan? Ik ben blij dat ik deze vos heb kunnen bemachtigen, maar wat is er aan de hand met mijn Belgische vrienden? Toch maak ik mij zorgen. Uiteindelijk val ik in slaap.

Er wordt niet meer aangezeten op deze zondagmorgen. Wel nog een nazoek op een vos wat uiteindelijk niets oplevert. Toch nog te vroeg besluit ik nog even naar de grote stad te gaan. Geld halen om de hotelkamers te betalen. De oude hoteleigenaar is nog steeds onbekend met zijn pinapparaat. Ja, hij heeft er eentje staan, maar hoe die werkt is hem een raadsel.

Na het ontbijt wil ik nog van de mensen weten wat er voor verbetering vatbaar is en hoe zij het gehad hebben. Een enkel verbeterpuntje komt hieruit, maar donders, wat heeft een ieder het naar zijn zin gehad. Na deze evaluatie worden de auto’s opgezocht voor de terugreis.

Maandag. De telefoon gaat een +32-nummer, België. Het is de vrouw. Haar man is met verlammingsverschijnselen opgenomen in het ziekenhuis. “Heeft hij je nog gebeld Jan?” Ik antwoord ontkennend: “Nee, ik heb niets van hem vernomen”. “Ik dacht het al. Hij vertelde mij dat hij met jou zo’n fijn gesprek had gehad.” “Hij wilde zo graag met jou mee naar Duitsland. Maar de dokters hebben nu meerdere tumoren in zijn hersenen gevonden. Hij is niet meer te redden. Mogelijk heeft hij nog twee weken…” en dan is het stil. Ik slik. Ik heb kippenvel over heel mijn lichaam. “Misschien twee weken heeft ie nog te leven, misschien iets meer” gonst het in mijn hoofd. We praten zo goed en zo kwaad nog wat verder. De rest van de middag is mijn productiviteit weg. Met regelmaat moet ik aan deze Belgische vriend denken; buitenmens, paardenman, Bourgondiër, ondernemer, man vol levenslust. Dat ben ik ook. Dat had ik kunnen zijn! Dan maar wat minder geld en gezond en genietend van het leven. Pluk de dag, het kan zomaar je laatste zijn!

kogelbuks