Therapie

Al maanden heb ik last van stotteren. Wat begon met zonder enige aanwijzing opeens stotteren na het opstaan is nu in een wat mildere vorm overgebleven; stotteren na een vermoeiende dag. Het is dus minder, maar niet geheel verdwenen. Van vrienden en familie kreeg ik vaak de vraag bij wie of waar ik in therapie was. Als ik dan meldde dat ik zelf mijn eigen therapie verzorg wordt er niet eens meer raar opgekeken. Al jaren help of adviseer ik mensen met lastige of moeilijke ervaringen. Verschillende manieren wend ik daarvoor aan om de problemen het hoofd te kunnen bieden. Denk aan ademhalingstechnieken, oude en nieuwe technieken. Denk hierbij aan ontspanningshypnose. Denk aan een goed gesprek met enorme diepgang. Mensen hebben er baat bij. Voor mijzelf pas ik ook ademhalingsoefeningen toe, zo ook bewustwordingsmomenten. Inmiddels heb ik het stotteren tijdens mijn werk onder controle, maar ’s avonds gaat het nogal eens mis. Te druk of te moe zijn de triggers die mij dan parten spelen.

Het meeste effect bij mij heeft het in de natuur zijn en luisteren naar een ontwakende wereld. Vogels die wakker worden en een kakefonie aan geluiden laten horen. Loeiende koeien doen het bij mij ook goed. Ritselen van bladeren door de wind doet het ook goed. Jagen is zo’n ontspanningsmoment, een soort therapie. Ver voordat het licht doorbreekt of in de avondschemer tot het echt te donker wordt zit ik in een camouflagehutje in een veld of zit ik op een kansel (zo’n hutje op palen op 3 meter boven de grond) uit te kijken naar grofwild wat zich aan mij toont. En nee, ik ben geen schieter. Uitsluitend wanneer ik ervan overtuigd ben dat het juiste dier geoogst kan worden haal ik de trekker over. Het dier valt dan op het schot en heeft nooit geweten wat hem getroffen heeft. Altijd dank ik het dier voor zijn leven, altijd. Met veel respect behandel ik het dier. Ik zal, als het dier geschoten is, er nooit overheen stappen, altijd er omheen. Uit respect. En dan in het veld het grofwild ontweiden, het ontdoen van de ingewanden. Nadat het dier in een koeling is gehangen is het werk voor dat moment gedaan. Dan de terugweg naar huis. Als de terugweg een eind rijden is stop ik (of de jachtmaten) bevroren water in frisdranklessen in de borst- en buikholte van het dier. Thuisgekomen begint het uitbenen, proportioneren en het verpakken met stickers erop wanneer het is verpakt en wat erin zit. En als de delen van het dier in de keuken bereidt worden gebeurt dit ook met veel respect en met verse kruiden. Een levend wezen heeft zijn leven gegeven zodat ik/wij dit scharrelwild kunnen eten. Een zegen voor de maaltijd van Onze Lieve Heer maakt het voor mij helemaal af.

Banjeren door de regen vind ik ook heerlijk. Ik hoor sommige mensen al denken: ‘Door de regen?’ Dan word je toch nat?’. Ja, en? Er is geen slecht weer, er is slechte kleding. Regen spoelt figuurlijk al mijn gedachten van mij af. Als een verkwikkende douche kom ik uit de regen thuis. Nat, maar rustig, gedachtenloos, vrij.

De ultieme therapie blijken mijn honden te zijn. Honden, meervoud. Sinds kort hebben we weer twee honden. Een ruwhaar Teckel, Beer genaamd en Broer, de Cesky Fousekpup. Voor de mensen die dit ras niet kennen, het is een ruwharige Tjechische Staande hond. Wij hebben een korte tijd gehad dat we even geen honden hadden. Dat was de tijd dat de oude honden kort na elkaar dood waren gegaan. De stilte in huis…. oorverdovend. De wachttijd voor de pup de juiste leeftijd had om bij ons in huis te komen wonen duurde eeuwen in mijn beleving. De Teckel, Beer, heb ik weer getraind voor het zweethondenwerk. Het zweethondenwerk is het opsporen van aangereden of aangeschoten grofwild (grote hoefdieren) op te sporen tot ongeveer 48 uur nadat het incident gebeurd is. 2 jaar duurt dat trainen ongeveer voordat je een hond hebt die bruikbaar is voor dit werk. En dan nu sinds een week hebben we Broer, de Cesky Fousekpup. Broer wordt getraind voor het apporteerwerk. Apporteren is het ophalen en brengen van het geschoten kleinwild zoals konijnen, fazanten, hazen, duiven, ganzen enzovoorts. Zonder honden is er geen weidelijke jacht vind ik.

Met Beer en nu ook Broer in mijn leven merk ik dat het stotteren langzaamaan iets vermindert. Volgens mij de beste therapie!

Advertenties

Week-end

Ik verheug mij op het weekend. Na lange tijd heb ik weer eens een weekend echt vrij. Meestal is er altijd wel wat te doen; jagen, hondentrainen, schilderen, visite, verjaardag en ga zo maar door. Vrouwlief hoeft dit weekend ook niet te werken. Dit weekend dus helemaal niks. Geen afspraken, niet vroeg op, heerlijk.

En dan is het zaterdag. In bed kijk ik met slaperige ogen mijn vrouw aan. Ik voel mij brak en heb een kop als een heiblok. Dat is een erfenis van de avond ervoor. Even wat te lang aan de zelf gebrouwen perenlikeur gehangen. “Goeiemorgen”; en half tastend kus ik haar liefdevol op de mond (ik zie geen pest zonder bril). “Wat zullen we gaan doen?” “Weet ik niet”; krijg ik als antwoord. “Eerst maar eens ontbijten”. En hop ik ‘spring’ er uit. Snel trek ik wat makkelijke kleding aan, als ik die eindelijk gevonden heb (ik heb nog steeds geen bril op). Als ik beneden kom is de hond ook blij, hij weet dat we een stukje gaan lopen. Al kwispelend staat ie ongeduldig bij de deur te wachten totdat ik zijn riem heb omgedaan. Hij moet kennelijk nodig, want ik wapper zowat achter de hond aan. De voordeur valt met een klap dicht. Na het nodige draaien en zoeken heeft ie zijn favoriete plek gevonden. Beer, de ruwharige Teckel, pist de straatklinkers uit hun verband. Zoveel druk staat er bij die schurk op.

Na het rondje stormt de hond de huiskamer weer binnen. Hij weet dat het vrouwtje daar ook zit neemt een run en springt op de bank bij haar op schoot, springt er weer af. Hij pist van blijdschap even op de plavuizen. Nadat ik de boel weer heb schoongemaakt ververs ik het water in zijn waterbak. Snel drinkt de hond wat en als door de bliksem getroffen gaat ie als een idioot rondjes rennen. De achterdeur staat op een kier. Met een ferme sprong duwt de hond de deur open. Hij rent een rondje in de tuin en sprint naar de keuken. Dit herhaalt ie zo’n zes keer. Een afwijking die de hond heeft opgepikt van de hond van mijn dochter en schoonzoon. Ook zo’n malloot, die hond van hun.

Op mijn dooie gemakkie zet ik koffie en thee. Vrouwlief is een theemens. Och, ik schreef bijna theemuts, oeps. Maar goed, niet veel later zitten we met een bakkie in de hand naar buiten te kijken, het miezert. Winkelen of tuinieren valt in het water. De verschillende lifestyle-bladen heb ik al uit. Wat dan? Bij mijn vader op visite gaan? “Echt niet, daar zijn we pas nog geweest”. “Draait er nog een leuke film in de bioscoop?”; vraag ik. “O ja, welke?”; krijg ik als antwoord. Oké, die is ook nog niet bij de les. “Kom, dan gaan we je kantoor opruimen”; krijg ik als alternatief. Ah nee, die chaos in mijn kantoor is een methodiek. Ik weet er overal mijn weg in. “De binnendeuren kunnen we ook schilderen”. He, hallo, ik heb vrij hoor. En zo zeuren we nog even tegen elkaar door.

Ik heb het denk ik; ik ga mijn sigaren op volgorde leggen.

In de ban van de… hond

Na de dood van Dibbes, onze Duitse Staande Draadhaar, hadden we na een periode van verdriet besloten dat er weer een hond bij zou komen. Een Cesky Fousek, een Tsjechische voorstaande  hond. Een echte werkhond, maar met een zachter karakter dan een Duitse Staande Draadhaar. De kennel is uitgezocht, de keuze is bepaald.

Als we wakker worden en opstaan ligt Bram, de oude Ruwhaar Teckel, te bibberen. Pijn! Nu had Bram wel een tumor in zijn lies maar had er ogenschijnlijk niet echt last van. Bibberen en zachtjes gepiep doen mij besluiten naar de dierenarts te gaan. Mijn oudste dochter besluit met mij mee te gaan om Brammetje tijdens de autorit bij te staan. Bram loopt gewillig mee richting dierenartspraktijk. De dierenarts onderzoekt hem en het blijkt dat ie geen last heeft van de tumor, maar van een lichte hernia. Toch besluiten we hem aan de tumor te laten opereren. Dit betekent een algehele controle om te zien of Bram’s gezondheid dit toelaat. Nou… foute boel. Bram is helemaal niet gezond. Buiten de tumor heeft Bram last van hartruis en hartritmestoornissen. Op de vraag hoe oud Bram is antwoord ik dat ie ruim 11 jaar is. De dierenarts mompelt wat. “U heeft 65% kans dat Bram na de operatie niet meer wakker wordt”. Zo dan, daar had ik niet op gerekend. En direct de mededeling van de dierenarts dat Bram per direct vollledige rust moet. Dus geen lange afstanden wandelen. Niet meer rennen enzovoorts. Ik meld de dierenarts dat ik met Bram af en toe nazoeken op aangereden of aangeschoten grofwild doe. “Nu niet meer hoor”; krijg ik als antwoord. Bram moet per direct met pensioen. Hmmm. Thuisgekomen meld ik mijn vrouw wat mij is verteld. Dat betekent dat de aanschaf van een Cesky Fousek wordt uitgesteld. Ik bel met Leo van Teckekennel Uijt de Pracktijck. Deze mensen hebben precies de Teckels die qua uiterlijk en karakter bij mij passen. Ze verwachtten dat binnen twee of drie dagen hun teef gedekt zou worden. Na een aantal weken meldde Leo dat de moederhond drachtig was. En dan volgt het lange wachten. Na een aantal weken kreeg ik de mededeling dat er 5 puppy’s geboren waren. 4 reuen en een teefje. Wij wilden een reutje. Na 9 weken lang wachten is het zo ver en mogen we onze Beer ophalen. Vanaf dat moment ben je weer helemaal terug bij af. Vroeg uit bed want er moet in de vroege uren een plas gedaan worden. Maar ook de training tot zweethond moet weer van start. Ook geen sinecure.

Ik ben weer aan het werk. Bij commando ‘Kussen’ schieten er nu 2 Teckels onder de tafel en weten dat ze niet moeten gaan klooien. Ik ben tenslotte aan het werk. En dan krijg je een plaatje zoals je ziet op de foto. Ze blijven 2 uur zo liggen. Kop koffie zetten betekent direct SPELEN. Koffie is op en wederom duiken ze op het kussen. Dan, als er weer 2 uur voorbij zijn krijgt Bram, de oude Teckel het aardig met dit kleine wurm te stellen. Zorgvuldig wordt er in Bram zijn oor gebeten, er geprobeerd een stuk vel los te scheuren, een lip te perforeren. Okay, maar eventjes de tuin in. Het is na een paar minuten wel erg stil buiten. Bij inspectie blijkt er een stuk clematis IN de border te zijn opgegraven en afgebeten, goudsbloemen vertrapt en loopt Beer met een steentje in zijn bek. Ik zie hem slikken en met een zweefduik kan ik nek voorkomen dat die kleine rat hem doorslikt. Pfff. Vrouwlief stapt binnen en de rotzak zie ik weer stil en braaf op zijn kussen liggen met een gezicht van ‘It wasn’t me!’

Om de 2 uur ga ik met de honden naar buiten. Bram vindt dat heerlijk, dat is vaker dan toen hij alleen was. Bram doet zijn plas en zijn poep en maakt lekker zijn rondje. Beer loopt lekker vlot mee, kijkt wat Bram doet en denk volgens mij ‘f**ckit, dat doe ik niet op een vieze straat of in het gras. Laat mij dat maar binnen doen.’ En ja hoor, ik stap met de honden binnen en direct wordt Pluis de kater belaagt. Gelukkig bijt Pluis wel van zich af en mikt een paar wel geplaatste meppen op de kop van die kleine rekel. Eenmaal binnen denkt Beer dat poepen in de kamer zo hoort en neemt de karakteristieke houding aan. Je hoort hem wat bezweringen uitspreken en mijn vrouw rent naar hem toe om hem mee naar buiten te nemen. Net op tijd. Hij poept buiten in de tuin. Gelukkig. Zwabberend loopt ie naar binnen, hij heeft slaap. Hij kijkt naar zijn kussen, zakt wat naar beneden en doet een plas waar een volwassen vent jaloers op zou zijn. Hup, weer met keukenrol in de weer. Er wordt wat afgedweild in huize Brand. Zowel door ons als door die kleine rothond. Als ie weer in de kamer plast fluister ik Beer in zijn oor dat als dit zo doorgaat ik hem terugbreng of naar de kinderboerderij breng alwaar ik hem over het hek zal gooien. Hij lijkt niet erg onder de indruk.

Ik besluit kleine Beer te vertellen van mijn geweer met kaliber .308 en dat daar deelmantelpatronen in kunnen. En zie hier het resultaat.

Beertje onder tafel

Kerstgabber

Een kerstgabber

 

De wind joeg fel om het gezicht van Tim. Al fietsend bereikte hij het pad dat langs het bos voerde. Af en toe, daar waar de wind de sneeuw had op doen waaien, waren de bladeren te zien vanonder de dikke laag sneeuw. Tim was op weg naar zijn nichtje Sophie. Zij was ziek en woonde aan de andere kant van het Heijkerveld.

Af en toe was het best wel een beetje eng in het Heijkerveld. De wind joeg langs de bomen en over de heidevelden. De wind maakte een huilend geluid, net een jankende hond, dacht Tim. Het kostte hem moeite om in het juiste spoor over het zandpad te fietsen. In gedachten verzonken fietste Tim langs het weiland van boer Ter Velde. “Hé Tim!” hoorde hij roepen. Verschrikt keek hij op. “Oh, hallo meneer Van Vliet!” riep Tim terug. Daarna werd het weer stil en Tim reed onverdroten voort op weg naar Sophie. Het begon weer te sneeuwen, grote dikke vlokken dwarrelde op het pad neer. De laatste zichtbare bladeren verdwenen onder de sneeuwlaag. Nog maar drie dagen, dan is het kerst, dacht Tim. Maar wat moest hij Sophie nu voor de kerst geven. Hij had immers beloofd haar iets op kerstavond te komen brengen, vlak voordat hij met vader en moeder naar de kerstnachtdienst zou gaan. Hij moest er nog maar eens goed over nadenken, dacht hij. Een mooi cadeau voor zijn favoriete nichtje, tja, hoe zag dat er uit?

Eindelijk, na drie kwartier fietsen kwam de boerderij van tante Pien en oom Koos in zicht. Moe en bezweet zette Tim zijn fiets tegen het varkenshok. De varkens knorden onrustig door het gestommel van de fiets. Tante Pien had Tim al aan zien komen en stond hem op te wachten bij de deel. Ze keek verdrietig. Tim schrok ervan. “Er is toch niets ergs gebeurd?” vroeg Tim. Tante Pien barstte in tranen uit. Het ging niet goed met Sophietje, vertelde ze. De koorts was erger geworden. Als de koorts nog erger zou worden, moest Sophietje naar het ziekenhuis in de grote stad, wel 2 1/2 uur fietsen hier vandaan. “Je kunt niet lang blijven Tim, dat is te vermoeiend voor Sophietje. Kijk maar even om het hoekje, misschien is Sophietje wakker.” Tim schopte z’n klompen uit en ging stil de trap op naar Sophietjes kamer. Daar lag ze dan, bezweet en met rode wangetjes. Even opende Sophie haar ogen en er kwam een glimlach op haar gezicht toen ze Tim in de deuropening zag staan. Tante Pien pakte Tim bij de schouder en gebaarde dat hij moest gaan. Er brandde een traan in zijn ooghoek. Nu wist hij het zeker, hij moest het allermooiste cadeau van de hele wereld voor Sophietje zoeken, maar waar en wat?

Tante Pien stopte Tim nog een appel toe voor onderweg. “Als je meneer Van Vliet nog tegenkomt, zeg dan maar dat hij geen wild hoeft te brengen hoor. Oom Koos en ik zijn niet in zo’n kerststemming, snap je? Nou Tim, doe voorzichtig onderweg en als je op kerstavond nog langs wil komen mag dat best hoor.”

Tim pakte zijn fiets en sprong erop. Weer driekwartier fietsen door de sneeuw. Het begon al schemerig te worden en de frisse wind deed hem zijn sjaal nog steviger om zijn hals knopen. Voor de zekerheid trok hij zijn muts diep over z’n oren. Na twintig minuten fietsen zag hij meneer Van Vliet bij de houtwal staan. Hij had zijn Viszla Job bij hem. Beiden stonden te turen naar een schim in de verte. Het was geen ree, dat kon Tim wel zien. Meneer Van Vliet zag Tim aan komen rijden en maande Tim af te stappen. Nadat Tim was afgestapt, fluisterde meneer Van Vliet: “Zie je daar die hond staan? Ja, daar naast die bomenrij, bij dat konijnenhol!” “Ja.,” fluisterde Tim terug. “Ik zie die hond al een paar weken. ’t Is een jonge hond, dat zie je aan z’n bouw. Hij is vast zijn baas kwijtgeraakt en sterft bijna van de honger, maar hij laat zich niet benaderen.” “Wat is het voor een hond?” fluisterde Tim weer. “Ik kan het niet goed zien Tim, hij is zo beweeglijk,” antwoordde meneer Van Vliet al turend door zijn verrekijker. Tim zag nog net de hond half onder de grond verdwijnen na het graven in het hol. Even later stoof de hond als afgeschoten weg de begroeiing in. Tim fietste langzaam langs de plek waar hij de hond de struiken in zag rennen. Gespannen tuurde hij naar het struikgewas. Even dacht Tim dat hij de hond zag. Maar dat kon niet; de hond was zo ver weggerend. Maar… Ja, dat is wel die hond. Naast de boom zag Tim duidelijk een bruine hondenneus. Tim sprong van z’n fiets en liet de fiets met een plof vallen. Langzaam liep Tim in de richting van de hond. “Hé Tim, doe voorzichtig, misschien is hij wel vals!” riep meneer Van Vliet. “Wacht maar, ik kom wel naar je toe.” Nog voordat meneer Van Vliet bij Tim was, liep Tim dichter naar de hond toe. Voetje voor voetje kwam Tim dichterbij de hond. “Kom maar jongen, ik doe niks. Kom maar.” De hond had zijn korte staartje helemaal naar beneden. Tim zag de hond rillen van de kou. Steeds dichter kwam Tim bij de hond. Toen bleef Tim op ongeveer vijf meter van de hond staan, steeds zachtjes tegen hem pratend. De hond kwam een klein stukje naar Tim toelopen. Tim deed ook weer een stapje dichterbij. De hond begon voorzichtig te kwispelen en jankte zachtjes. Uiteindelijk kwam de hond langzaam naar Tim toe. Tim spreidde zijn armen, alsof het een begroeting was, en de hond kwam letterlijk in Tim zijn armen gelopen. Meneer Van Vliet stond op een afstandje met open mond te kijken. “Tim jongen, dat hem je mirakels goed gedaan joh!” zei hij. “Warempel Tim, ’t is nog een jachthond ook, een nog jonge Draadhaar. Kijk maar naar z’n vacht, nog niet helemaal volgroeid. Daarom heeft-ie het natuurlijk zo koud.” “Tim, had jij het laatst niet over een cadeautje voor Sophie? Dit lijkt me een prachtcadeau voor je nichtje,” zei meneer Van Vliet. “Hier, doe Job z’n lijn maar bij hem om.” Tim pakte de hondenriem aan en deed deze om de hals van de jonge Draadhaar.

Inmiddels was het bijna donker geworden. In de verte hoorde je de laatste kraaien vechten om een plekje in de bomen. Tim liep samen met meneer Van Vliet naar de boerderij van tante Pien en ome Koos. Z’n fiets zou meneer Van Vliet later wel thuisbrengen.

De maan scheen door de bomen, het was gestopt met sneeuwen en tevreden liepen Tim en meneer Van Vliet het erf op. Tim klopte op de deur bij de deel. Tante Pien deed open en keek de twee verbaasd aan. “Mijn beloofde cadeau voor Sophietje, tante,” zei Tim. “Nou Tim, misschien dat Sophietje hiervan snel beter wordt, ga maar gauw naar haar toe, ” zei ze. Tim snelde samen met de hond de trap op. Met een zwaai gooide hij de deur open. “Voor jou, Sophietje, je eigen hond.” De hond sprong met twee poten op het bed en likte uitbundig haar gezicht. Een brede glimlach verscheen op haar bleke gezicht. De hond zocht een plekje bij het voeteneind van het bed en weigerde er weg te gaan. “Nou, laat die twee maar,” zei tante Pien tegen Tim. Meneer Van Vliet bracht Tim met de auto naar huis.

Twee dagen later zag Tim oom Koos in de kerkbank zitten. Hij schoof naast oom Koos aan.“Sophie heeft hem Gabber genoemd, en… het gaat nu een stuk beter met haar,” zei hij. Gezamenlijk zongen zij het ‘Ere zij God’. En Tim? Tim zong het hardst van allemaal.

Herinnering aan mijn hond

Nu Dibbes, onze hond, er niet meer is herinner ik mij de vele gekke dingen die we met hem hebben meegemaakt. Van het onderwater duiken op zoek naar adders tot de jachtdagen die we hadden. Er was altijd wel wat, leuke dingen, gekke dingen, kortom altijd wel stof om een verhaal van te schrijven. Dit is er ook zo een.

Twee weken met het gezin aan de Franse Middellandse Zee. Portiragne Plage, bungalow op 800 meter van het strand, met aan de achterzijde van het bungalowpark een groot jachtgebied: chasse gardée. Een mooi gebied om Dibbes lekker uit te laten. Er zat flink wat leven in dit gebied. Steenuiltjes, wielewalen, hoppen, fazanten en patrijzen lieten zich regelmatig zien.

De eerste paar dagen hebben we Dibbes aangelijnd door het veld meegenomen, misschien daarom dat hij als ware hij afgeschoten bij ons wegrende toen hij commando “Vrij!” kreeg. Roepen, fluiten, niets hielp. Plotseling hoorden we in de verte een gejank – onmiskenbaar Dibbes, hij kan zo zeikerig janken – maar even later was het weer stil. En ja hoor, even later vond meneer het toch wel nodig om even zijn neus te laten zien. Gedwee liet hij zich aanlijnen. Na een korte inspectie op mogelijke verwondingen, kon ik alleen een piepklein sneetje in zijn borst ontdekken, de aansteller. Tijdens de wandeling terug naar ons vakantieverblijf volgde hij als een ‘echte, brave hond’. Opvallend was wel dat hij tijdens de wandeling bij elk miniplasje – ’t is een echte macho hoor – een druppeltje bloed verloor. Tja, een reu wordt niet loops, er was dus iets anders aan de hand. Blaasontsteking? Dat was dan wel heel spontaan. Een sneetje in zijn piemel? Er was niks te zien.

‘Thuis’ aangekomen nam mevrouw Brand hem troostend bij haar en haalde hem liefdevol aan. Op dat moment schrok ik me de kolere, sorry voor de uitdrukking. Plotseling lag er een plas bloed bij hem op de vloer alsof er een longdrinkglas was omgevallen. Paniek, u kent dat wel: hond jankt, vrouwlief geschrokken, ikzelf in de stress, kortom paniek. Het was veel bloed, en het bloeden stopte net zo snel als dat het gekomen was.

Wat te doen? Als dit blaasontsteking was, dan was het wel blaasontsteking van een olifant. Terwijl ik zat te urmeleren welke stappen we moesten ondernemen, zoals het zoeken van een dierenarts enzo, zat mijn vrouw Dibbes troostend te kriebelen. Ten tweeden male werden we op een bloedplas getrakteerd.

Telkens als hij dus een stijf pieletje kreeg, bloedde hij enorm uit zijn piemel. Een snee in zijn piemel dan, maar dan inwendig? Snel bij de receptie geïnformeerd naar de dichtstbijzijnde dierenarts. We hadden de keuze uit Beziers of Vias. Beziers is een grote stad, dat zou toch een tijdje zoeken worden. Vias is relatief klein, dus op naar Vias, zo’n 10 kilometer verderop.

Samen met mijn vrouw zat ik onderweg in mijzelf al de vereiste uitleg in het Frans te repeteren: “Mon chien, il y a sang dans son pipi.” Zeg ik dat goed? “Mijn hond heeft bloed in zijn plas/piemel.” Volgens haar klopte dit redelijk. Zij spreekt voor haar werk nogal eens een woordje Frans.

Bij de dierenarts aangekomen, gelukkig open tot 19:00 uur, bleken er twee Duitse meisjes met een kitten voor ons te zijn. De twee meisjes verdwijnen in de behandelkamer als even later de dierenarts aan ons komt vragen: “Parlez vous Allemagne?” Spreekt u Duits? Febe werpt zich op als tolk, iets wat later in de prijs zo schelen.

Eindelijk zijn we aan de beurt. Na mijn Franse volzin en wat aanvulling van Febe, start de dierenarts zijn onderzoek. Dibbes ziet de man met een slangetje op zijn piemelot afgaan en besluit dat dit soort praktijken echt niet door de beugel kunnen. Ik moet Dibbes gelijk geven, het lijkt mij ook niks. De dierenarts volhardt,… Dibbes ook. Dibbes begint nu te loeien en te grommen. Als de dierenarts vraagt of Dibbes “un chien gentil” (een lieve hond is) maakt vrouwlief hem duidelijk dat hij dat voor ons wel is, maar dat hij een verdere vriendschap met Dibbes wel kan vergeten. De dierenarts besluit een noodmuilkorf om z’n bek aan te leggen. De beste man vraagt of wij het erg vinden om Dibbes even knock-out te laten gaan. Hij spuit Dibbes iets in, in mijn ogen een paardenmiddel, want binnen twee tellen zie ik Dibbes onderuit zakken. Het bewuste slangetje wordt ingebracht, maar levert niet het verwachte resultaat. Het velletje van de penis wordt teruggeschoven en helemaal aan het begin van de penis is een diepe winkelhaak van een centimeter te zien. Zo laten, vindt de dierenarts. Hechten, vind ik. Als ik dit voorstel, gaat hij ermee akkoord. Als meneer dan zulke goede ideeën heeft, kan meneer misschien gelijk assisteren bij de ingreep? Hij heeft tenslotte maar twee handen! Na grondig desinfecteren, assisteren, hechten, een spuitje met antibiotica, twee strippen pillen, een spuitje om weer wakker te worden en 100 euro armer, keren we weer terug naar onze tijdelijke woning.

Dibbes, nog praktisch helemaal van de wereld, til ik uit de auto. Toch wat ontdaan leg ik hem voorzichtig op de grond. Ik ga naast hem op de grond zitten. Moeizaam, nog helemaal groggy, tilt Dibbes zijn kop op, geeft mij een likje op mijn been en legt zijn kop weer op de grond. Dibbes zijn ogen vallen weer dicht. Hij ademt langzaam, met grote halen. Toch kan ik het niet nalaten even op te merken dat het toch wel lekker rustig is zo.

Uit: Jachtige Krabbels, ISBN 9789048401130, http://www.freemusketeers.nl

Vaarwel mijn vriend

Nog een paar dagen; op 3 november wordt ie alweer 13 jaar. Best wel oud voor een hond.  Je ziet hem met de dag ouder en knokiger worden. Hij eet als een dijker en pist als een volwassen vent die net uit de kroeg komt. Een volle waterbak wordt in een keer leeggedronken om vervolgens piepend bij de achterdeur te staan: hij moet een megaplas doen. Hoewel hij goed eet zie je zijn heupen tekenen. Als we gedrieenlijk (met Bram, de Teckel erbij) langs de slootkant banjeren merk ik dat Dibbes de laatste tijd wat slingert. Al poepend probeert ie zijn evenwicht te bewaren, iets wat steeds moeilijker gaat. Maar toch, hij speelt graag, rent graag en apporteert ‘zijn’ duiven bij de manege nog graag. Al gaat dat dan wat minder snel dan vroeger, een bek vol veren is nog steeds de moeite meer dan waard. Niet kapot te krijgen. Thuisgekomen na het laatste avondrondje moet en zal hij weer op zijn kussen voor de openhaard liggen. Eerst dertig keer rondjes draaien en dan is eindelijk de juiste plek en houding gevonden: voeten en kop op het kussen, zijn oude lijf er naast. Typisch Dibbes. Maar ach, hij is op een haar na 13. Zoals ik hem nu zie liggen komen daar vast nog 1 of 2 jaar bij. Een echte ouwe Dibbes.

Ook zo typisch Dibbes: als je even voor de deur naar buiten staat te kijken moet en zal hij tussen je benen zitten. Alsof hij een parkeersteek maakt gaat hij voor je zitten en manouvreert dan achteruit, steeds dichter en stijver tegen je benen aan. De stinkerd.

28 oktober: zijn etensbak wordt weer gretig leeggegeten. En passent wordt ook de waterbak leeggedronken. Niet veel later posteert hij zich weer na de nodige rondjes en draaien op zijn kussen voor de haard. Rond een uur of 8 ’s avonds is ie wat misselijk. Hij zit zichzelf duidelijk in de weg. Met zijn neus opent hij de achterdeur om de buitenlucht op te snuiven. Niet veel later begint Dibbes te ijsberen. Liggen is even geen optie: misselijk! Toch wil ie het laatste rondje met Brammetje en mij mee naar buiten. Weer terug binnen start het ijsberen weer. Het zit mij niet lekker, maar de geruststelling komt als hij toch weer op zijn kussen kruipt. De volgende ochtend loopt ie futloos mee voor zijn ochtendplas. Na zijn plas draait ie direct om, hij wil naar huis. Ik geef hem maar gelijk. Wetende dat hij zich niet lekker voelt, geef ik hem maar een minihandje voer, eigenlijk alleen maar voor de vorm. Hij kijkt er niet eens naar. Snap ik.  Vanmiddag maar naar de dierenarts. Ik geef de honden een aai en begeef mij op weg naar de workshop zweetwerk die gepland staat.

Een leuke groep mensen met dito honden. De tijd vliegt. Het leidt lekker af, totdat…. totdat mijn zoon whatsappt dat Dibbes lusteloos is en een dikke buik heeft. Een foto volgt. Ik merk dat ik onrustig word van dit bericht. “Nog een klein uurtje dan ben ik klaar”; antwoord ik. Dat Dibbes ziek is meld ik aan de cursisten zodat zij snappen warom ik wat gespannen ben. Zodra de workshop klaar is race ik naar huis. Mevrouw Brand heeft inmiddels alles al klaar liggen voor de dierenarts. De workshopspullen laat ik maar even in de auto liggen en zenuwachtig ren ik naar binnen. Dibbes ligt op zijn zij en richt zijn kop een beetje op als ik hem aai. Hij legt zijn kop op mijn hand en zachtjes, bijna fragiel kwispelt hij met zijn kleine stompje staart. Met de telefoon in de hand en zittend naast onze grote hond heb ik de dierenarts aan de telefoon. De dierenarts wil weten wat de symptomen zijn. Geemotioneerd leg ik de situatie uit. De dierenarts geeft aan dat een collega met spoed onze kant op komt. Zodra ik ons adres doorgeef richt Dibbes zijn kop naar mij op en kijkt mij met grote ogen aan. Even haalt hij diep adem en slaakt een zucht. Het is zijn laatste. Ik zie geen ademhaling meer. Zijn hart is stil. Wezenloos meld ik de dierenarts, die ik nog steeds aan de telefoon heb, stap voor stap wat ik zie. “Dan is Dibbes overleden meneer Brand”; hoor ik haar nog zeggen. Haar collega hoeft niet meer te komen. Tranen biggelen over mijn wangen. Vrouwlief heeft het net zo slecht als ik. We omhelzen elkaar en zoeken troost bij elkaar zover dt nog lukt. Even ga ik naast Dibbes liggen. Nu kan het nog even besef ik. Het doodgaan heeft hij aan mij voorbehouden. Hij heeft echt op mij gewacht.

Dan komt het onvermijdelijke: het graven van zijn graf. Ik ben zo geemotioneerd dat ik als een bezetene letterlijk de blaren op de handen graaf, iets wat ik op dat moment niet eens besef.  Zo snel als ik kan graaf ik een nette laatste rustplaats voor mijn grote vriend. Samen met mijn dochter vlij ik Dibbes netjes en behoedzaam in zijn rustplaats neer. Voor ik hem met grond toedek wil ik dat er kranten over zijn kop gelegd worden. Stel je voor dat hij zand in de ogen krijgt, dat wil ik niet. Dan komt de laatste onvermijdelijke stap: hem toedekken. Voor mijn vrouw en dochter probeer ik mij groot te houden, iets wat mij natuurlijk niet lukt. Zorgvuldig schep ik de laatste hoeveelheid grond over hem heen, Het droevige karwei is geklaard. De strijd is verloren. Niet veel later komt zoonlief met Brammetje terug van een wandeling. Bram gaat direct op zoek naar Dibbes. In een streep loopt ie naar het vers gedolven graf. Hij snuffelt en draait er wat rond. Hij staat stil en snuffelt een laatste keer en gaat naar binnen waar hij heel dicht tegen mij aan komt zitten.

Het voelt leeg, stil, alleen, onwerkelijk. Dibbes zou 14 of 15 worden, dat had ik hem nog gezegd. Het ergste vind ik nog dat er geen hemel is voor mijn lieve hond. Nu een paar dagen later voelt het nog steeds niet goed. Het is veel te stil. Bram die dit kennelijk voelt laat zich van zijn beste kant zien. Spontaan wil hij steeds dicht tegen mij of mijn vrouw aan kroelen.

Nooit meer plagerig tegen zijn oor pieken. Nooit meer een uitdagende pets op zijn kop geven. Nooit meer tegen hem kunnen zeggen: “He lelijke hond”. Het is zo heel erg definitief. We zullen, nee moeten er mee leven. Het komt wel goed, maar het heeft zijn tijd nodig.

Vaarwel lieve vriend

.DIBBES1