Vlieg-tuig

Vliegen, ik zie er altijd wat tegen op. Die aluminium dingen heb ik in het verleden zelf gemaakt dus ik weet wat er wel en niet kan met zaken die tijdens het bouwen niet helemaal goed gingen. Maar goed, het vliegen is niet een van de dingen waar ik naar uit kijk. Ik ga liever met de bus, maar dat is zo’n eind rijden naar New York. Veroordeeld tot een vliegtuig dus. Okay, het zwerven vooraf op het vliegveld vind ik wel leuk. Een uur voordat het boarden begint krijg ik al de kriebels. Je stapt dan in zo’n metalen sigaar met veel te weinig ruimte. Het gangpad is maar 1 persoon breed. Op zoek naar je plaatsnummer loop je als een koe de andere passagiers achterna in de richting van je plaatsnummer. Eenmaal daar probeert iemand tegen de looprichting in weer terug te komen, want die is te ver doorgelopen. Eindelijk heb je je geïnstalleerd. Met zijn tweeën naast een vreemde nemen we plaats. De vreemde bij het raam, wij in het midden en naast het gangpad. Aangezien ik niet de dunste ben is het vastmaken van de gordel ook spannend, hebben die dingen wel genoeg lengte? Eindelijk zit je goed, nou ja ik zit zowat met mijn voeten op mijn eigen schouders, als de stewardessen uitleggen wat je moet doen als het vliegtuig in het water dondert of uit de lucht pleurt. Dan begint het vliegtuig op de startbaan te schudden en te brullen. We stijgen op. Lampjes gaan uit, mensen beginnen druk hun gordel los te maken. Benen strekken kan niet, ik zit zowat opgevouwen. Dan komen de stewardessen met een karretje langs om eten en drinken uit te delen, wel zelf kopen he? Als ik net mijn tafelblad heb uitgeklapt verzint mijn voorbuurman dat het nodig is om zijn stoelleuning naar achteren te klappen. Gevolg; mijn tafelblad drukt in mijn buik en staat schuin. Geen ideale plaats voor een drankje, die ligt inmiddels over mijn benen. De rest van de reis dus dorst. Terwijl ik met een schuin tafelblad begonnen ben aan mijn eten verzint de persoon bij het raam dat hij naar het toilet moet. Hij moet nodig, anders had hij wel even gewacht zo met al het eten op mijn tafelblad. Met een broodje onder mijn oksel, blikje fris in mijn hand, bestek tussen mijn tanden en twee kleine bordjes in mijn handen sta ik op. En natuurlijk valt het broodje op de grond. De man die naar het toilet moet die net passeert gaat op, mijn broodje staan excuseert zich en vertelt ‘dat je de 3-seconde-regel kan toepassen’, de lul.

Halverwege de vliegreis moet ik een plas doen. Nadat ik 5 keer ben opgestaan om het toilet te bezoeken en 5 keer ben gaan zitten omdat er mensen eerder bij het toilet waren dan ik lukt het mij om bij het toilet te komen. Als ik de deur open vraag ik mij oprecht af of dit niet gewoon een garderobekastje of een miniberging is. Het blijkt het toilet te zijn. Met mijn kont tegen het fonteintje en mijn schenen pijnlijk tegen de pot lukt het mij een plas te doen. De rits weer dicht doen gaat wat moeilijk omdat mijn armen tegen de deur en de wand bonken. Omdraaien lukt niet want dan zit ik klem. Met 1 voet in de wc-pot lukt het mij om de deur weer te openen en loop ik met 1 natte voet naar mijn plaats.

Voor ons zit een stel met een kind van 2 jaar. Het schijnt een leuk spelletje te zijn dat het kind op de stoel gaat staan en mij 2 uur aan blijft kijken. Met enige regelmaat steekt het ventje zijn tong naar mij uit. Een keer is leuk, twee keer is vervelend maar na een keer of tien ben ik staat bij het ventje zijn wangen binnenste buiten te keren en zijn wangen over zijn kop te trekken.

Een eindje verder zit een Rotterdams stel. Van het type ‘IQ van een poffertje’. “Sjon, Sjon, ik ben misselijk”. “Nie seure Mary, flink sijn”. “Sjon, ik denk dahk so’n sakkie nodig hep”. “Folhouwe Mary, we sijn ur bijna”. Maar Mary is echt beroerd, en dat terwijl er nog geen eens turbulentie is. Mary laat haar man John weten dat een kotszakje onoverkomelijk is. “Sjon, un sakkie, ik mot kokke!” John graait wat tussen de folders en de veiligheidskaart maar vindt geen kotszakje. “Sjon,…..Sjon!” Mary maakt wat kotsbewegingen maar houdt het binnen. Ineens zit ze met bolle wangen. John nog druk aan het zoeken, nu bij de folders in de stoel voor Mary. Mary slikt, de bolle wangen zijn niet meer bol. Dan vindt John een kostzakje en reikt die snel aan Mary aan. “Hoef nie meer Sjon, tis al weg”.

Inmiddels vliegen we zo hoog dat, als is het van een afstandje, je niets uit het raampje ziet dan alleen maar blauwe lucht. En dat dan 3 uur lang. Het laatste half uur is er van alles te zien, ware het niet dat de betreffende man bij het raampje alle zicht wegneemt omdat hij breeduit uit het raampje zit te kijken. Hij meldt nog vriendelijk dat we langs de kust vliegen, “zo mooi om te zien”. Je ziet dus geen pest. Eindelijk geland wordt er geklapt alsof we net een voorstelling in het theater hebben bezocht. Flauwekul vind ik dat. Als ik van Papendrecht naar Groningen naar mijn zwager en schoonzus rijd wordt er op de eindbestemming na tweeënhalf uur ook niet geklapt als we aankomen. Het vliegtuig taxiet naar de gate en koppelt aan de slurf aan. Als door wespen gestoken staat iedereen op en willen allemaal tegelijkertijd in het gangpad staan om zo als eerste het vliegtuig te verlaten. Eindelijk uit het vliegtuig blijkt dat we ongeveer een week moeten lopen om in de aankomsthal te komen om onze koffers op te kunnen halen.

Nee, vliegen is niet zo voor mij weggelegd denk ik.

Advertenties

Nederlanders in den vreemde

In Nederland ontkom ik er niet aan, maar in het buitenland ontloop ik mijn landgenoten het liefst. Vooral in restaurants. Ik weet niet wat dat met Nederlanders en hun kinderen is, maar tegenwoordig is het heel normaal dat kinderen van tafel lopen terwijl vader en moeder nog niet klaar met eten zijn. Er wordt in het restaurant rond gerend als ware het een speeltuin. Het is mij zelfs een keer overkomen dat een Nederlands kind bij mij aan tafel kwam staan om een hap van mijn eten te vragen. “Even proeven?” Ik zou dat kind zo een stetter voor zijn hersens willen geven! Maar je moet kwaad zijn op de ouders. Waar zijn hun manieren?

Je ziet al van verre dat het Nederlanders zijn aan het AD wat zij kopen. Ik zelf koop altijd het plaatselijke sufferdje, al was het alleen maar voor de weersvoorspellingen voor de komende week. Trouwens met een Frans krantje val je gelijk niet meer op en ga je op in de massa van de Franse bevolking.

Dat vind ik ook altijd fantastisch; sta je bij het bakkertje. Ik wacht op mijn beurt. In de vitrine liggen nog 4 croissants en 2 pain au chocola. Een Fransman voor mij koopt un pain. In de tussentijd komt er een Nederlands echtpaar achter mij staan. Dat wist ik want zij sprak haar man toe: “Bram, er liggen nog 4 croissants. Die nemen we hoor!” Al wilde ik maar 2 croissants als ik aan de beurt ben neem ik ze alle 4, al moet ik ze thuis weggooien! Ja, zo ben ik. Ik kan het niet helpen, het duiveltje in mij wordt altijd gewekt als ik Nederlanders zie of hoor in Frankrijk.

Ook zo iets: wat ik tijdens onze vakantie hoorde slaat alles. Het was warm. Er stond een zwoele warme wind. Het was een graad of vijfendertig. Daar stond ie dan, met een kop als een vuilnisbak en een buik alsof ie al jaren met zijn mond open fietste. Hooguit zeventien of achttien jaar. Een kop met krullen. Er zat duidelijk geen kwaad in de rotzak.

“Yes mevrouw. That ijsje, yes. Met urdbee-smaak, yes. En do you for my friend ook that. Yes, I tell it for him, because he speakt it niet. Yes, I know. But he is much jonger then ik. O sorry mem, what smaak is that. Is it ennanes? What, how do you noem that? Pijnappel! Pijnappel? O ananas! Yes I love that ook. It’s tropical hè? Red, who I? O yes, that’s from de verbrending from de sun. O yes, yes, I did not put enough smeeroil tegen de verbrending on my body en now I have a red striep on my side. Too weinig smeeroil, and there was also veel wind. So the sand that woei on my body schuurt it raw. Yes it hurts, the vellen hanging er on. But also from the water. Yes, we have zo’n plenkie were you can ly on in the streams. And then when there is een hoge wave you can go met the flow off the wave all the way to the strand.

Later in the day we go to the lesbiansbaker. Lesbiansbaker? Lesbiansbaker, the man who has a bonk of clay on a draaiende schijf. I must koop still what for my mother.

Sorry….., o slagroem on the ijsje? Yes but not so veel because else I word toe dik. Is it light-slagroom? Yes?

Where do I come from? Monster in Holland. No, I am not a monster. Monster is where I woon. It is but you know it.

Hmmm, lekker ijs mem. So tonight we come trug for another ijsje because they are very lekker. Howdoe! Als ik dit soort gesprekken hoor krijg ik de kriebels en tegelijkertijd moet ik lachen.

“Zalig zijn zij die niets te zeggen hebben en dat ook niet doen”.

Autocorrectie

Autocorrectie, zo gemakkelijk. Dat bij het foutief intoetsen van een woord in je mobiele telefoon of in je Word-bestand dit automatisch wordt vervangen door een ander woord. Niet per definitie een beter woord of het juiste, maar er wordt ‘meegedacht’. Eigenlijk zou dat ook moeten bestaan als je een handeling niet goed doet.

We wandelen door La Rochelle, een oude vestingstad in Frankrijk, gelegen aan de Atlantische kust met eeuwen aan geschiedenis. Het is aan de stad in positieve zin aan te zien. Het feit dat je door straten loopt waar honderden jaren geleden geen auto’s maar paard en wagens reden maakt mij eerbiedig. Aan de haven is een markt. Vrouwlief pakt haar telefoon en fotografeert er op los: wazig, een filmpje in plaats van een foto, een instelling weer anders ingesteld. Als ik aanbied haar te helpen hoeft dat niet, het lukt best.

We slenteren heerlijk loom van kraampje naar kraampje. We genieten intens, zon, zee, warmte, mooie omgeving, hapje, drankje; de juiste ingrediënten om het geluk te beleven. Ineens zien we marionettenspelers die met hun act The Beatles imiteren. In een woord geniaal! Vrouwlief pakt haar Iphone en stelt het een en ander weer in. Bij de start van de act staat ze op een perfecte plek om opnamen te maken. Een grote, dikke, harige man, it was not me, gaat pontificaal voor haar staan. Ik stel voor dat ik verder zal filmen vanaf de plek waar ik sta en neem haar telefoon over. Dit moeten geweldige beelden worden, kan niet anders. Als het nummer is afgelopen geef ik de telefoon aan haar terug en zij drukt hem uit.

Bij thuiskomst upload ik de filmpjes om die te beoordelen en te monteren tot een vakantiefilm. Als ik de beelden van de marionettenspelers bekijk zie ik geen marionetten, maar beelden van benen en van de straat. In plaats van de videoknop op opnemen te zetten stond deze gewoon uit en bij het ‘uitzetten’zette zij hem juist aan. Ik had verdorie net zo goed mijn portemonnee op de marionetten kunnen richten.

Filmpje maken met portemonnee (wishfullthinking).

Nieuwe stap(pen)

Soms kost het nemen van een nieuwe stap even wat meer tijd dan je graag zou willen. Op zoek naar nog meer en een andere ‘qualité de vie’, kwaliteit van het leven. Mijn beweegredenen zijn divers: ik wil meer genieten dan wat ik al doe; ik wil rijden in een bijzondere niet-alledaagse auto; ik wil tezijnertijd een huis in Frankrijk. Ben ik dan veel eisend? Nee toch/ Als je geen dromen hebt, heb je niets meer te wensen.

Ik ga nog even verder. Mijn werkbare uren wil ik op maximaal, en dan bedoel ik liever zelfs wat minder, 40 uur per week houden. Acties die daar verder aan bijdragen zijn bijvoorbeeld nog meer rust brengen in mijn leven. En een aparte uit ziende auto, een oldtimer, die je niet vaak ziet staat ook op mijn lijstje. Al eerder schreef ik over de auto’s die mijn hart sneller doen kloppen en dat zijn geen moderne auto’s.

Het viel ook op toen we laatst in Frankrijk uit eten gingen en er achter ons tafeltje een jong gezin plaatsnam dat er rust heerste. Twee kinderen van 4 en 2 jaar kregen van de papa en mama hun plekje toegewezen. Er werd patatjes met appelmoes voor de kleine meid van 2 besteld en voor het manneke van 4 was de bestelling een hamburger. Ze bleven al die tijd dat pa en moe aan het eten waren zonder morren (lees: gillen) zitten. Er werd niet van tafel gerend. Er werd niet gejengeld. Gewoon zoals het hoort genoten ook de kinderen van de maaltijd.

Noem al het voorgaande een midlifecrisis, dat boeit mij niet. Ik wil wat anders, een andere beleving. Ik wil nog meer genieten van het leven

Ook wil ik al op onderzoek naar een vakantiehuis in Frankrijk. Gewoon alvast een beetje oriënteren, een beetje voorpret. Er is in Frankrijk nog ruimte, er is nog stilte, er is nog beleefdheid, er is minder lichtvervuiling. En ik weet wel, dat is ook niet overal, maar toch. Steeds vaker overdenk ik de mogelijkheden van een vakantiehuis in Frankrijk, maar ook steeds vaker denk ik er aan om daar permanent te gaan wonen. Dat betekent natuurlijk ook polsen hoe vrouwlief er over denkt. Wellicht heeft zij daar totaal geen zin in. Al wandelend komen deze keuzes aan de orde. Al wandelend overwegen we alle opties. Om vervolgens tot de conclusie te komen dat ik het liefste over een jaar ons definitief in Frankrijk wil vestigen en vrouwlief eerst eens wil kijken of een vakantiewoning bevalt. En zo ja, dan als we beiden ons pensioen hebben bereikt nog eens te herijken of we die stap nog steeds willen zetten. Maar dat vakantiehuis zal er best wel komen. Je moet iets gewoon erg willen, dan komt het echt wel goed.

De pisstop

De vakantie is echt voorbij. De deur is op slot gedraaid. De laatste tas stapel ik op de andere bagage en sluit de deur van de auto. De sleutels van onze vakantiewoning breng ik naar Stephane, de buurman, en gooi ik zoals afgesproken door de brievenbus. Voor de laatste maal kijken we nog even naar dit idyllische plekje. Ik start de motor en draai de auto vanuit het grasveldje de weg op. Binnendoor rijden we nog een tijdje door dorpjes en weggetjes met aan weerszijden uitgestrekte zonnebloemvelden en wijngaarden. Dat vind ik altijd prettiger dan direct over de snelweg. Zo zijn we nog net even wat langer in Frankrijk.

Inmiddels rijd ik nu al een paar honderd kilometer huiswaarts. Op de radio schalt Virginradio door de speakers en af en toe zing ik mee. Het wordt tijd om nu toch echt even de benen te strekken. Langs de zijkant van de weg doemt er een bord met ‘Aire de huppelepup’ op. Ik besluit deze te volgen. Even een broodje, even wat drinken, even de benen bewegen en even een plas doen. Aan de rand van de aire is er een parkeerplaats vrij. De auto draai ik het parkeervak binnen. De radio en de navigatie zet ik even uit.
Met de hond loop ik langs de heggetjes en over het gras. Hij pist of zijn leven er van af hangt. Er staat zoveel druk op dat ik elk moment verwacht dat een stronk uit de heg omvalt. Het werkt aanstekelijk, nu moet ik zelf ook. De hond doe ik weer in de auto, ik sluit de deur en loop langzaam naar het tankstation annex verkooppunt van etenswaren. Van uit de verte zie ik al de bordjes met de richting naar de toiletten. Het is er druk. De enige vrije urinoir is voor mij. Ik zip mijn rits naar beneden en sta in de plashouding… Naast mij staat een vlotte kerel van ik schat, een jaar of veertig. Een Vlaming, dat hoor ik aan zijn praten. Maar tegen wie praat hij? “Ach, kom aan nou!… Schiet op dan!… Doe het!… Toe dan manneke!… Ah…ja. JA!” En het water klettert in de pisbak. Voor allebei luchtte het op. Ik was mijn handen en vraag mij oprecht af, zou de pielemoos van deze man ook uit zijn hand eten?

Troglodyte

Ja, zoek maar even op: Troglodyte. ‘Zeer op zich zelf levend’; ‘grot’; ‘holwoning” ; ‘grotwoning’; zomaar wat betekenissen uit een woordenboek. ‘Grotwoning’ is de beste betekenis in mijn beleving.

Een aantal jaren geleden ontmoette ik Astrid. “Voor een goede kop koffie schuif ik bij u aan tafel voor een nadere kennismaking”; schreef ik. Astrid reageerde en een paar weken later zaten we bij elkaar aan tafel. Pratend over opdrachten, pratend over hoe een ieder in het leven staat, pratend over Frankrijk. Al snel kreeg het gesprek een andere wending, over onze wederzijdse voorliefde voor Frankrijk. Uitgebreid vertelde ik Astrid over ‘het witte huis’ in Alette die wij regelmatig huurde en die verkocht was. Dat we ons nu aan het oriënteren waren naar een andere vakantiebestemming. Rust, ruimte en vrijheid zo vertelde ik haar waren de sleutelwoorden. En ineens nam het gesprek een andere, prettige wending. “Uhmmm…., misschien is ons huis in Frankrijk dan wat voor jullie”. De prijs-kwaliteitsverhouding is super. De ligging prachtig. De temperatuur helemaal prima. De omgeving is formidabel.

In het tijdschrift ‘Leven in Frankrijk’ heb ik in Berck-sur-Mer een longiere, een langgerekt huis, te koop zien staan. ‘Net’even te duur om het als tweede huis er op na te houden. Gedachten vullen mijn hoofd; ik word drukker, bijna euforisch. Ik laat vrouwlief de advertentie zien. Een eigen huis in Frankrijk. EMIGREREN! En dan alle bestaande klussen opzeggen. Leven van de royalty’s van mijn boeken. Nou dat wordt dan een karig belegde boterham. Als bijverdiensten een B & B beginnen. Bij het huis in Berck-sur-Mer zijn ook wat bijgebouwen, een B & B zou dus kunnen. Een opvallende oude auto erbij als publiekstrekker. Ik denk dan aan een Citroen HY, een oude Renault 4, een 2 CV, een Volkswagen Kubel of een ruige VOLVO C303 als vervoermiddel of zo, en meer van dat soort gedachten. Ze kijkt mij meewarig aan, dan enige stilte en dan: ….”Ben je wel helemaal goed? Je knapt dit huis al niet op en dan wil jij er eentje bij? Dusss….” De realiteit komt langzaam terug. Ja, ik ben niet zo van het klussen. En nee, ik ben geen Bed & Breakfast-man. En nee ik zie mijzelf niet als uitbater. Eigenlijk zie mijzelf meer als 2e huis-bezitter.

April. Met een werkvakantie naar de Franse Loire-streek in het vooruitzicht besef ik dat ik degene ben die een Francofiel is, vrouwlief een heel stuk minder. Ja, zij houdt ook van Frankrijk maar wil de rest van de wereld ook nog zien.

Door alle drukte heen is de datum van vertrek naar Frankrijk een feit. Ongemerkt kwam de datum dichterbij. De Citroen Berlingo laad ik in. Bij het inladen vraag ik mijzelf hardop af of we wel met ons tweeën een week naar Frankrijk gaan, gezien de hoeveelheid tassen. Maar ja, het is voorjaar en het kan dan warm of koud zijn. Van zwembroek tot fleecetrui zal ik maar zeggen..

Na een rit van 9 uur komen we in de schemer aan in ‘ons’ dorpje La Bournee. In de opgegeven straat zoeken we naar nummer 14-B. Nummer 14-B ligt in mijn beleving dicht in de buurt van nummer 14 lijkt mij. Hier niet. Nummer 14-B ligt naast nummer 13, tegenover nummer 14. Maar goed, gevonden. Ik daal het steile paadje af naar onze Troglodyt, onze grotwoning. Te vergelijken met een caravan met voortent. De voortent symboliseert de zandstenen voorgevel van een huis, de caravan symboliseert de grot. Er heerst een constante temperatuur van 15 graden Celsius. Dat betekent dat er toch regelmatig vuur gemaakt moet worden in de cantou, de openhaard waar je gewoon rechtop in kunt staan, om het aangenaam in huis te krijgen.

Deze streek staat bekend om zijn Troglodyt-woningen en om zijn wijnen; de Chinon Blanc en zijn Cabernet D’Anjou. Maar Frankrijk leent zich ook als smulpapenland. De rilettes, de kazen en worsten mmm… Onze vakantiewoning staat aan de rand van een dorpje. Rust, ruimte en natuurschoon, meer heb ik niet nodig om lekker te ontspannen. De volgende ochtend worden we gewekt door vogelzang van putters, geelgorzen, staartmezen, zwartkopmezen en wat dies meer zij. Tijd om naar een bakkertje op zoek te gaan. In het dorpje is er geen winkel te bekennen, dus maar de auto gepakt. In alle rust tuf ik over de landweggetjes naar het volgende dorp. En jawel, er is een bakkertje. Binnen is het net zo ongezellig als de buitenkant deed vermoeden. Door de bel die door het openen van de deur zijn geluid afgaf komt er een kort, dik manneke (ongeveer net zo groot als een Oscar-beeldje) helemaal onder het meel het aangrenzende woonhuis uit. Ik bestel een stokbrood en drie croissants. De croissants lijken wel ritueel verbrand. Niet een croissant is ongeschonden. Als ik de bakker in mijn steenkolen-frans vraag om ongecremeerde croissants zegt hij: “Bwah, désolée eh”. Ik krijg de minst zwarte mee. Bij thuiskomst zijn ze niet te vr..ten; droog, hard, verkoold. Morgen maar een ander bakkertje zoeken in een ander aangrenzend dorpje. De volgende dag tref ik in een ander dorpje een beter bakkertje aan. De croissants smaken voortreffelijk!

De dagen vliegen om. En ook nog gezocht naar accommodatie voor trainingsmogelijkheden voor managementtraining en hondentraining. Ook dat bracht ons op bijzondere plekken. Al met al hebben we bijzondere dingen gedaan, zelfs in een grot gepist.

Augustus. Binnenkort gaan we weer naar ‘onze’ Troglodyte. We weten nu wat we kunnen verwachten. En donders wat verheugen we ons er al op. Het aftellen is begonnen.

Penseé gribouillis 2

Daar zit ik dan. Verse koffie ingeschonken. Lekker ontspannen. Franse radio aan. Ik kijk wat vakantiefoto’s van de afgelopen jaren op mijn laptop. Er zaten ook nog wat filmpjes bij. En ja hoor, de nostalgie drijft weer binnen. Mijn gedachten glijden langzaam weer naar Alette in Frankrijk. Naar de beek.

De sleutel draai ik om en hop we staan binnen. Binnen, in een klam en steenkoud huis. Maar geweldig, we zijn er weer! Eén van de eerste dingen die we doen is rap de haard aanmaken. Mevrouw Brand meet met haar thermometertje een temperatuur van 13 graden; binnen in huis dan hè. We stoken het vuur flink op en langzaam, heel langzaam klimt de temperatuur weer wat omhoog. Het is zelfs al 15 graden geworden in huis, heerlijk zeg. Allemachtig, dat is toch wel fris. Je zou er een kleine Arie van krijgen.

Als we ’s avonds naar bed gaan ben ik vrouwlief toch zo dankbaar dat zij een ouderwetse kruik voor in bed heeft meegenomen. Dat zorgt ervoor dat het in bed behaaglijk is. De honden nemen weer hun vertrouwde plaatsen voor het slapengaan in. Na een rusteloze nacht ben ik de volgende morgen voor dag en dauw wakker. Tien voor half zeven zegt mijn telefoon. De ramen van de slaapkamer zijn beslagen. Ik kijk op of het raam boven het bed ook beslagen is. De honden zien beweging en denken: ja, de baas is wakker. Druk doen! Keten. Plassen. Poepen. En wel nu! Snel schiet ik een shirtje en een broek aan. Trui erover. Dikke sokken aan, schoenen aan, hop riemen om en snel naar buiten. Niet veel later sta ik verkleumd bij twee plassende, maar bovenal blije honden. Ik had duidelijk een jas aan moeten doen! Koud! Al rondkijkend zie ik overal groene bollen in de verschillende bomensoorten. Ik kan in eerste instantie niet ontwaren wat het nou precies is. Totdat ik dichterbij kom. Maretak! Of zoals de Engelse zeggen: mistletoe. Elke boom lijkt ermee besmet.

Elke dag lopen we twee keer de route langs de beek. Nu ook. Dibbes, de Duitse staande draadhaar, en Bram, de ruwhaar Teckel, lijn ik aan. Ze gaan lekker mee en dan weer of geen weer, linksaf de deur uit en de heuvel op het landweggetje volgend met aan de rechterkant de Engelse buurman. Bovenop de heuvel kiezen we het pad naar beneden, langs een groot weiland. Een koe kijkt nieuwsgierig over de heg. We lopen langs een paar huisjes en gites. Bij de kruising is het bruggetje waar de beek onderdoor raast. Niet diep, maar wel kraakhelder water. Linksaf lopen we langs wat huizen tot aan de volgende kruising en gaan rechtsaf. We passeren het bakkertje en de mairie. Een klein stukje verder gaan we weer rechtsaf langs wat lemen huizen een heuvel op. Een groot deel van de huizen zijn opgebouwd uit een raamwerk van hout en stevige takken. Dit wordt dan aan weerskanten dichtgesmeerd met een dikke laag leem vermengt met stro om zo een dikke isolerende laag te krijgen. Deze leemlaag wordt, als deze laag hard is, wit gekalkt. We vervolgen onze route langs wat weilanden en huizen. Ik kijk naar rechts in een soort dal. Op de heuvel aan de andere kant van het dal staat het statige witte huis. Pal langs het pad waar we nu lopen banjert aan de rechterkant van het pad de beek. Een klein stukje verder is een klein watervalletje waar het water anderhalve meter van een vervallen soort stenen bruggetje naar beneden valt. Het is een soort mini-ruïne. Links zie ik het mooie huis uit 1786 en het koolzaadveld. Een huis zoals het vroeger was. De honden vinden het net als wij heerlijk om hier te wandelen en dat twee keer per dag. We lopen op ons dooie akkertje verder langs de grote boerderij. Op het einde van het weggetje slaan we rechtsaf en nemen bij de V-splitsing de linker weg naar boven. Na 300 meter zijn we weer bij het witte huis aangekomen. 45 minuten duurt deze wandeling. Heerlijk! De honden zijn letterlijk uitgelaten en zijn vrolijk. We gaan naar binnen en lijnen de honden af. Allebei krijgen ze een kluif en hebben al geen aandacht meer voor ons.

Na het avondeten wandelen we met de honden in de nabijheid van het huis om de omgeving verder te verkennen. Na het slingerpad wat naar boven de heuvel op leid treffen we een oprijlaan aan. Een oprijlaan die geflankeerd wordt door twee enorme kastanjebomen. Deze bomen nemen al het daglicht weg waardoor de oprijlaan wat donker en luguber aan doet. Tussen het grind groeit welig het onkruid. Bij de poort aangekomen zien we dat deze op slot zit. We werpen een blik op het domein en zien dat dit een ruïne is. Een enorm huis aan de linkerkant. Een toren in het midden. Volgens mij heeft deze toren dienst gedaan als graanopslag of iets dergelijks. Recht vooruit staat ook nog een gebouw die dienst heeft gedaan als woning. Direct ernaast is er een soort garage of koetshuis. Ik moet moeite doen om het gebouw aan de rechterkant door de poort te kunnen zien. Maar ook dit pand heeft dienst gedaan als woonhuis. Het domein is helemaal ommuurd. De ramen staan overal open. Vogels vliegen in en uit. Ook kom ik te weten dat de eigenaar sinds anderhalf jaar gestopt is met het herstellen en renoveren van de objecten. De muren en het dak zijn in perfecte staat. De rest is aan vervanging toe. Het is van een vermogend echtpaar geweest waarvan de kinderen op de leeftijd van studeren zijn. Vader en moeder hebben dus ook maar een optrekje in Duinkerken gekocht. De toren dateert uit 1100. De gebouwen zijn er eind 1800 rondom heen gebouwd. Le vieux Chateau de Montca, zo heet het. Gelijk zie ik dan mogelijkheden. Emigreren, opknappen en uitbaten die handel. Jachtworkshops, B & B, jachtreizen, paarden- en fietsenverhuur. Zomaar wat activiteiten die direct door mijn hoofd spoken. Man, ik zie het helemaal zitten.

Om zeven uur loop ik al met de honden buiten. De lucht is compact. Het is koud, mistig en vochtig. Toch is het eind augustus, wat voor mij vaak betekent dat het dan warm  en aangenaam hoort te zijn. Nu dus even niet. De kerkklok van het ene dorp geeft aan dat het zeven uur is. Nou ja, één slag,… even niks. Vier slagen…, niks. Drie slagen…, niks. En nog één slag voor de lol. De andere kerkklok geeft aan dat het tien voor zeven is. Hoe laat is het nu? Mijn horloge geeft echt aan dat het zeven uur is. Na het uitlaten van de honden stap ik op mijn fiets richting bakkertje. Na een ritje van een minuut of acht stop ik voor de deur van de boulangerie. Er zijn drie dames voor mij. Het bakkersvrouwtje is uitgebreid in gesprek met één van hen. Nadat de mevrouw geholpen is en afgerekend heeft gaat ze niet weg. Ditzelfde gebeurd met de twee andere dames,. Ook zij blijven wachten nadat zij geholpen zijn en hebben afgerekend. Dan ben ik aan de beurt. In mijn steenkolen Frans bestel ik een stokbrood en wat croissants. Beleefd vraag ik aan het bakkersvrouwtje: “Ca va?”, hoe gaat het? Het gaat goed zegt ze. Mijn bestelling wordt netjes in orde gemaakt. Ik reken af en groet haar en de dames en stap de deur uit. Met de croissants en een stokbrood stap ik weer op mijn fiets om terug te gaan. Als ik thuis kom vraagt vrouwlief waar ik zolang bleef. Tja, de dames wilde kennelijk wel even zien wie deze vreemde meneer was en wat hij bestelde. En na afloop natuurlijk even met elkaar bespreken waar deze vreemde meneer vandaan kwam. Na een uitgebreid ontbijt stappen we in de auto richting één van de vele stranden om lekker uit te waaien. De zon breekt door en al snel loopt de temperatuur op naar de 22 graden. Op de terugweg even langs de hypermarché om eten te kopen voor de komende dagen. U kent dat wel, stukje vis, stukje lamsvlees, lekkere kazen en worsten, flesje Grenache wijn, flesje cider. Heerlijk en dat twee weken lang. Niks moet, alles mag.

Het gastenboek van Dick en Marianne ligt op tafel. Nonchalant blader ik het door. Tot het moment dat ik geraakt word door de lieve woorden van de verschillende mensen van divers pluimage: van hun dochter, van hun zoon, hun schoondochter, van hun vrienden, neven, nichten, van mensen die zij spontaan hun vakantiehuis aanboden (o.a. aan ons). Ik heb de behoefte er ook wat in te schrijven. De juiste woorden komen vanzelf. Wat een hartelijkheid als je dit allemaal leest. Door de verhalen in het gastenboek lees je eigenlijk hoe het huis stukje bij beetje gerestaureerd wordt. Mensen schrijven eerst over wanden van leembroodjes opbouwen tot ‘het campinggevoel’ van de poepemmer en douchen met een gieter. Later lees je dat de ‘eerste mensen’ eindelijk naar een normaal toilet kunnen en warm kunnen douchen.

Later op de dag besluiten we een wandeling langs de beek te maken. Een mooi rondje van ongeveer een kleine driekwartier. Laarzen aan. Waxjassen aan. Leren hoed op, ik lijk wel zo’n cowboy. Zodra we een voet buiten de deur zetten. Begint het te regenen. Eerst zachtjes, maar niet veel later hard. Ja hoor het komt nu met emmers tegelijk uit de hemel. Alsof ze in de hemel aan het hozen zijn. Uiteindelijk zijn onze bovenlichamen droog, maar de broeken zijn finaal doorweekt. Water druipt vanaf mijn broek mijn laarzen in. Na een veertig minuten, waarin we werkelijk door de hemel zijn gedoucht, staan we weer bij de voordeur. De regen stopt vrijwel direct en niet veel later breekt de zon door. Het is niet eerlijk. Het zal een veeg teken zijn.

Dat vind ik ook altijd zo bijzonder, de verschillen bij het naar buiten gaan van mensen en honden. Met name als we de honden gaan uitlaten. Wij als mensen: ondergoed aan, shirtje aan, spijkerbroek en dikke sokken aan. Lekkere warme trui aan. Laarzen, jas, shawl aan en soms hoedje op. De honden krijgen hun riemen aan en… al, klaar. Dat was het. Voor de rest helemaal niks. Of het nou winter, voorjaar, zomer of herfst is. Of het nou regent of bloedje heet is. Voor de hond maakt het geen verschil.

De volgende dag als ik met de honden langs het vervallen château loop ben ik met stomheid geslagen als er plots een Landrover voor ‘mijn’ château stopt. Een vrouw stapt aan de bijrijderkant uit en opent knarsend en piepend het prachtige, hoge  gietijzeren hek. De Landrover rijdt door de poort en het hekwerk wordt weer door de bewuste dame gesloten. De auto rijdt verder het landgoed op en parkeert bij het enige gebouw wat helemaal gerestaureerd is. De man stapt ook uit en samen wandelen ze verder over het landgoed richting de bijgebouwen. Ik ben best een beetje pissig. Mijn dromen aan duigen. Wat nu? Verdorie, ik ben er best wel een beetje kwaad over. Als ik tijdens de terugwandeling met de honden nog even naar binnengluur zie ik dat de bijrijdermevrouw in de rijtuigenkamer allerlei dingen in haar hand houdt. Ze houdt het omhoog legt het weg en pakt een volgend item. Ik kan net niet zien wat het steeds is. Mijn dromen vervliegen. Ik zag ons al zitten op het erf met de honden in het zonnetje en een glaasje lekkers. Wachtend eigenlijk op de volgende gasten voor workshops en hondentrainingen hangen we lekker in de stoelen. Ja ja, het had zo mooi kunnen zijn. Een beetje ontdaan loop ik naar ‘ons eigen’ huis. Vrouwlief meld ik wat ik gezien heb. Ook zij is verrast, haalt haar schouders op en vraagt verbaasd wat ik dan verwacht had. We gaan er toch niet wonen. Zelfs niet als in een buitenproportioneel vakantiehuis er vakantie vieren. Dus waar maak ik mij druk over.

Ik wil wat gaan doen. Maar alles is te nat. Te nat om met de kettingzaag haardhout te zagen, te nat om onkruid te wieden of met de bosmaaier te raggen. Er ligt een  grote hoop met takken en half vergaan onkruid wat verbrand moet worden. Dat vind ik zo heerlijk van Frankrijk, je hebt een hoop zooi. En hop, de brand erin! Mag gewoon. Maar alles is kletsnat. Dus branden zal het niet.  Uit pure frustratie ga ik binnen maar verder met het schrijven van dit boek.

Vind ik ook zoiets moois van dit huis: al poepend kun je zo naar buiten, naar de heuvel kijken hoe de vogeltjes bekvechten. Al poepend met je gezicht in de zon kan dat gewoon. Mooi toch? Na het nodige gekreun en geweeklaag komt mevrouw Brand poolshoogte nemen. “Wat is er? Heb je je zeer gedaan?” Welnee lieverd ik zit gewoon met mijn gezicht in de zon te poepen en het is een zware bevalling. Dat is alles.

Terug aan tafel kijk ik om mij heen. Er is niets extra’s in dit huis zal ik maar zeggen. Geen televisie, geen wasmachine, geen centrale verwarming, geen magnetron. Een radiootje dat wel, maar die krijg ik niet aan de praat. Zelf zingen? Nee, dat klinkt als een hond die op zijn donder krijgt. Dat betekent dat je jezelf moet zien te vermaken. Nou dat lukt best aardig altijd. We doen spelletjes. Ik schrijf boeken. We rommelen wat. We klussen wat. Er zijn de nodige tijdschriften en boeken van thuis meegenomen. We vermaken ons altijd wel.

De volgende plannen liggen klaar: naar Cap Blanc-Nez en Cap Gris-Nez en daar zelf mosselen oogsten. Bij dezelfde stranden die aparte stenen meenemen om thuis de onderkant van de barbecue mee te kunnen versieren. De mooie kerk van Hesdin bezoeken. De steden Arras, Rouen en Amiens bezichtigen. In het plaatsje St. Omer ronddwalen. Naar Le Touquet, strandwandelingen maken en lekker winkelen. Worsten en kaasjes kopen op de markt van Le Touquet. Een mooie wandeling maken over de stadsmuren van Montreuil. Montreuil ligt aan de rand van een plateau boven de Vallée de la Canche. Het is net of je terug bent in de Middeleeuwen als je door dit stadje wandelt. De stadsmuren zijn, daar waar nodig, gerestaureerd om het mooie aanzicht voor het nageslacht te bewaren.

Bram zit als een oud wijf op een stoel uit het raam te kijken. Nog net niet achter de Franse geraniums. Hij kijkt naar de spaarzame wandelaars die voorbij komen. Hij wordt altijd pislink als hij niet naar buiten kan kijken. Dat laat hij dan ook graag horen. Waar de honden allebei ontzettend kwaad van kunnen worden: lelijke mensen. We hebben ze dit niet aangeleerd, maar ze vinden sommige mensen raar. Neem nou bijvoorbeeld die lelijke vrouw. Met snor. Zo’n dikke snor, een vent zou er jaloers op zijn. Ze gillen dan gewoon, die honden, en hangen in de lijn. Een hele pikzwarte man snappen ze ook niet. Woest zijn ze. Ze blaffen dan alles bij elkaar. Gênant gewoon. Een man met een bochel? Ja hoor, ze gaan af. En hoe dat nou komt? Ik heb geen idee.

Och de radio doet het eindelijk. Ik vond een aan-en-uit-schakelaar aan de achterkant van het apparaat. We hebben muziek. Franse muziek. En een oliekacheltje heb ik ook gevonden. Nou ja gevonden, die stond in de eetkamer naast een kast. Ik had geen idee wat het was totdat ik het ging bestuderen en ja, toen bleek het een oliekacheltje wat met elektriciteit de boel verwarmt. In ieder geval, nu ik dat kacheltje aan de praat heb is het ineens twee volle graden warmer in de eetkamer. Ook heb ik een pallet die ik op het erf vond kort gemaakt. Tja, bij gebrek aan droog brandbaar haardhout moet je weleens improviseren. Maar branden doet het.

Straks maar even met schobberdebonkkleding aan en mijn leren hoed op struinen door het landschap. Gelijk nog even met een emmertje de bewuste stenen voor mijn stenen barbecue zoeken. Die misvormde kiezelstenen zo groot als halve bakstenen liggen niet alleen op de stranden, maar ook hier op en door de geploegde grond. De grond zit er werkelijk vol mee. Ook worden ze in stadsmuurtjes en onder het asfalt verwerkt. Overal vind je die kiezels. En ook liggen de velden bezaaid met ‘mooie vondsten’. Ik vond nog twee erg oude terracotta dakpannetjes. Ongeglazuurd. En een stuk van een aarden pot.

Na het avondeten wandel ik om mijn dooie akkertje even zonder honden naar het dorpje. Naast de kerk staat een bouwval. Het blijkt dat in deze bouwval nog een vrouwtje van in de negentig woont. Ik ga nog wat foto’s van dit bouwvalletje maken. Gat in het dak, wanden staan scheef, zelfs de schoorsteen staat scheef. De tuin volledig verwaarloosd. Weer terug bij het huis breekt de zon echt goed door en loopt de temperatuur achter het huis al snel op tot negentien graden. Heerlijk na een fors aantal dagen van regen en kou. Met een boek neem ik plaats in zo’n oude stoel. De zon brand op mijn huid. Het is een mooi uitzicht op de heuvel. Ik geniet er van. Het is een ware herrie van vogelgeluiden. Twee baardgrasmussen zijn aan het kibbelen. Een buizerd zweeft door de lucht en roept een soortgenoot. De specht laat horen dat hij beschikbaar is door op een boom te roffelen. Een sijs tjilpt. De honden scharrelen lekker op de heuvel. Brammetje zit achter een muis aan en probeert die uit te graven als de muis in zijn holletje verdwijnt. Dibbes gelooft het allemaal wel en met een diepe zucht legt hij zijn kop op zijn voorpoten. Loom sla ik mijn boek open en droom weg in een wereld over Frankrijk, de Franse zon en de lokale wijnen.

Ons uitzicht vanuit het huis is zo anders dan in de zomer. De velden staan er geel bij. Geen zonnebloemen, maar koolzaad. Zover als het oog reikt. Alsof onze Lieve Heer het zelf geschilderd heeft, wat een kleuren!

Voor ons volgend verblijf hier heb ik al een paar ‘projecten’ om hier op te snorren: een metalen uienmand, een Frans rivierkreeftenfuikje (is anders van vorm), oude kledinghaken, een spuitwaterfles, een wandkoffiemolen en een geëmailleerde emmer. Met dit soort projecten kijk je met een andere blik over de brocantemarktjes. En zeker in de zomermaanden zijn die er hier maar zat.

Ik schrik op uit mijn gedachten en zie Beer, de Teckel een aanval doen richting mijn schoen. Drink ik eigenlijk nog wel eens warme koffie?

nieuwsgierige koe

nieuwsgierige koe