Jagen met je dochter

Het was koud buiten. Een gure wind joeg om het huis. Om kwart voor zes ben ik opgestaan en heb koffie en thee gezet voor een mannetje of vijfentwintig. Hagelgeweer, patronen, koffie, bekertjes, melk en suiker mee en wachten tot mijn dochter komt. Toen ze aankwam rijden had ik het bestelbusje al vol geladen. De honden in de bench in de auto en op weg naar het jachtveld. Samen na jaren weer eens naar een grote kleinwild drijfjacht. Het voelde als jarig zijn en niet weten wie er komt en of je cadeautjes krijgt. Na een uur en een kwartier rijden draaiden we de boerderij op. Op verschillende plekken stonden al auto’s geparkeerd met mensen die we hadden uitgenodigd. Een leuk weerzien met deze mensen. Ik voorzag de aanwezigen van koffie of thee. Nadat een van de combinanten de jagers en drijvers had toegesproken over de zaken die wel en niet mochten ging het hele gezelschap richting de boomgaarden en velden. De postgeweren werden uitgezet en de drijvers met een enkele jager die in de drift meeliep liepen naar het startpunt.

Als postgeweer zat ik als een van de eerste langs de drift. Om de veertig meter stond een ander postgeweer opgesteld. De drijvers starten met lopen in deze lange drift. Hele afstanden werden er afgelegd. Mijn dochter had een van onze honden, een Cesky Fousek, uit zijn bench gehaald om hem voor te jagen in deze drift. Omdat ze al een aantal jaren niet mee kon op de verschillende jachtdagen vanwege haar werk had zij nog nooit in het veld met deze hond gewerkt. Het ging wonderbaarlijk goed moet ik zeggen. De hond werkte ruim, werkte goed samen met de andere honden en luisterde goed op de fluit. Het ging goed totdat de hond in de verte de postgeweren zag. Ineens nam hij een spurt richting postgeweren, fluiten hielp niet meer. Bij het postgeweer op de hoek aangekomen zag mijn hond dat ik het niet was. Maar, niet getreurd… er stond er een stukje verder nog een. In volle galop rende de hond naar de volgende jager. Ook hij bleek niet zijn baas te zijn. Zo werkte hij veertien man af voordat hij bij mij kwam. Daar zat ik op mijn krukje. De hond kwam netjes aan de voet en ging stilletjes zitten. Tenslotte moet je op post altijd stil zijn. Heel in de verte hoorde ik mijn dochter fluiten. De hond spitste zijn oren, maar ook niet meer dan dat. Ik heb haar maar gebeld dat ze geen moeite meer hoefde te doen omdat de hond bij mij zat.

Voor de volgende drift werden de postgeweren weer uitgezet en heeft mijn dochter van hond gewisseld. De Ces in de bench en de Ruwhaar Teckel eruit. Teckel blij, nu mocht hij mee. Doordat het de afgelopen week fors geregend had was de grond enorm blubberig. Na een paar honderd meter drijven met deze kleine jager waren zijn buik en ook zijn poten voorzien van een laagje modder. Na drie kwartier door deze boomgaard zag de hond mij op post zitten en in een mum van tijd was hij bij mij. De baas wordt altijd enthousiast begroet dus nu ook. Op mijn jachtkleding zaten nu allerlei modderafdrukken van de Teckel. Maar goed, hij deed zijn best. Na de drift werd er gezamenlijk erwtensoep en broodjes gegeten om op te warmen.

Volgende drift. Wisselen van honden; dus Cesky Fousek uit de bench en de Teckel (met een verhuisdeken over de stoelen) in de cabine van het bestelbusje gelaten. ‘Dan kan hij lekker naar buiten kijken’. Nou daar was de Teckel het niet mee eens. Woest was hij dat ie niet mee mocht. Volgens andere jager ging heel het busje heen en weer doordat de Teckel heen en weer door de cabine sprong. En,… hij was nog steeds modderig. Bij terugkomst zat alles, maar dan ook echt alles (behalve de stoelen) onder de modder. Het stuur, de ramen, het dashbord, de middenconsole… alles zat onder de moddervegen. Maar goed, het was een mooie dag geweest. Na deze drift werd er met elkaar een biertje of borreltje gedronken voordat de reis weer naar huis begon. Terug in de auto voelde je je gezicht gloeien van het buitenzijn deze dag.

Ik kijk terug op een hele fijne en mooie dag. Samen met mijn dochter!

Weidelijkheid

Bijna de opening van het jachtseizoen. Ik ben al weer licht gespannen voor de uitnodigingen: of die komen en wanneer die komen. Een heerlijke tijd vind ik het. Ik ontmoet weer oude bekenden en nieuwe mensen waaronder boeren, burgers en buitenlui. De kou, de koffie ’s morgens vroeg, de driften, de nazit (vaak met snert en roggebrood met spek), het maakt mij wat melancholiek. Dan denk ik terug aan mijn eerste uitnodigingen als drijver en hondenman en aan mijn eerste uitnodiging als geweer. Mooie herinneringen, met af en toe een herinnering aan een jachtuitnodiging waar ik hele grote vraagtekens met uitroeptekens er achter zet. Ik zal twee voorvallen beschrijven waarbij ik vind dat deze manier van jagen beslist niet kan.

Het gebeurt niet vaak, maar af en toe kom ik mensen tegen…  Ze stinken naar putlucht en een zure lucht van zweet en drank. En ook na het jagen, tijdens de nazit, kan ik mij verbazen over het feit dat dit soort figuren nog rechtop kunnen zitten. Laat staan dat ze tijdens de jacht nog iets geraakt hebben. Een paar jaar geleden kreeg ik de uitnodiging om in de polder te komen jagen. Een groep van dertig jagers verzamelde zich rond de afgesproken boerderij. Een ieder van de geweren kreeg een post toegewezen en ging te voet naar de afgesproken plek toe. De eerste drift werd aangeblazen. Al snel hoorde ik de eerste schoten. Aan het einde van deze drift werd het tableau neergelegd. Een enkeling toonde geen enkel respect voor het geschoten wild door het wild op de juiste plek in het tableau te gooien en/of over het uitgelegde wild te stappen. Uit respect loop je om het tableau heen, maar dat terzijde. Na het leggen van het tableau werd er in het veld koffie geschonken en direct er achteraan kwamen de flessen Jagermeister. En het was nog geen half tien in de ochtend toen de plastic bekertjes soms tot de rand met Jagermeister gevuld werden. Zoiets kan niet vind ik. Met drank op een geweer hanteren is bij mij uit den boze. Zoals de Fransen zouden zeggen: ‘Je ne suis pas van lotje hè’.

De nazit was in een dorpscafeetje. Daar zat ook zo’n jager die in het veld al de nodige borrels had genuttigd. Hij zat gewoon opgebaard op de barkruk. En dat rijdt gewoon met de auto naar huis. Het zou mij niks verbazen als je een aantal dagen later in de krant zou kunnen lezen dat zo’n  iemand met een tuintje op zijn buik naast de kerk ligt. Gelukkig is dit geen regel, maar een uitzondering is het ook weer niet.

Laat ik een ander voorval beschrijven. Het is herfst. Winderig, een heel gure wind blaast over de akkers. Om en nabij de 13 graden. Al heel vroeg in de ochtend kwam ik  bij de boerderij in de polder aan waar die dag gejaagd zou worden. Een ieder werd hartelijk ontvangen met koffie en ontbijtkoek. Na de koffie legde de jagermeester de veiligheidsregels uit en wat die dag vrij zou zijn om op te jagen: fazantenhanen, konijnen, eenden, de man 2 hazen en houtduiven. Duidelijk lijkt mij zo. Na de uitleg werden de posten uitgezet en de drijvers naar hun startposities gebracht. Een oude man van ver in de tachtig kreeg een plekje toegewezen bij een dammetje. Een krukje werd voor de man uitgeklapt. De mannen begeleide de oude man uit de auto en brachten hem naar zijn krukje. Een man liep terug om de oude man’s geweer te halen en bracht hem zijn geweer. Zelf kreeg ik een post naast de oude man ongeveer 60 meter bij hem vandaan. Het duurde even maar in de verte kwamen de drijvers toch luid roepend en kloppend met een stok op de grond aangelopen. Een eerste schot viel. Niet veel later nog een schot maar nu kwam het geluid meer van rechts. Inmiddels waren de drijvers op 60 meter van de posten genaderd. Hier en daar ging er een eend op uit de afwateringsslootjes. Inmiddels waren de drijvers binnen de 30 meter gekomen. Er ging een haas op, recht op de hoogbejaarde jager af. Hij richtte, ik riep nog niet te schieten vanwege de onveilige situatie, en hij drukte af. Het haas ging over de bol en tegelijkertijd dook een drijver ineen. De drijver kreeg een lading hagel vol in zijn murf. De verwondingen vielen mee, maar dit had nooit mogen gebeuren. De oude jager is zijn geweer afgenomen. Op advies van zijn zoon heeft hij zijn geweren bij de politie ingeleverd in afwachting van verkoop ervan. Zijn jachtakte heeft de oude jager niet meer laten verlengen. En terecht. Gelukkig zijn de jagermeesters tegenwoordig strenger. Kan helemaal geen kwaad.

 

 

Apporteren: van duif tot olifant

Al enkele weken is er een klein monster bij ons in huis. Nee, nu lieg ik. Het is een lieverd die pup. Een Cesky Fousek, Tsjechisch voor hond met baard. Donders wat heb ik er een plezier van. Een zachtaardige hond met toch een eigen willetje. Heel wat anders dan de Duits Staande Draadhaar die we eerst hadden. En nu is ook de hele cyclus van het opvoeden begonnen, waar ook de hondentrainingen bij horen. Bij Bep, de trainster kan hij al niet meer stuk. Met zijn bijna 3 maandjes oud laat hij nu al mooi werk zien. Aangelijnd volgen gaat niet onaardig. Los volgen gaat prima. ik kan zijn aandacht nu nog aardig vasthouden. Benieuwd hoe dat over een paar maanden is. Voor en achterlangs volgen bij een groep honden gaat ook goed. Tot zover ben ik tevreden. Maar het apporteren wat dit jonge hondje doet vind ik fabelachtig. Als er een dummy wordt opgegooid is hij geinteresseerd. Als er een dummy wordt opgegooid en er worden geluidjes bij gemaakt wordt hij alert en haalt graag de dummy en brengt hij die ook nog eens netjes bij mij.. Zaterdag was zijn eerste kennismaking samen met mij met een duif. De duif werd opgegooid met wat geluidjes en direct ging de kop scheef en de oren omhoog. Op het commando ‘Apport” stoof hij naar voren en pakte de duif vol in de borst. Bij het commando ‘Hierrrr’ kwam hij de duif netjes brengen en ging warempel al zitten. De duif zittend afgeven, voor mij een wonder met die jonge leeftijd. Het bleek niet eens een toevalstreffer, want het volgende apport met de duif werd hetzelfde uitgevoerd. Kijk daar word je als baas echt blij van. Broer, want zo heet de hond, was total loss van alle oefeningen en indrukken. Om hem niet te overbelasten vond ik het genoeg geweest. Maar Bep had nog 1 oefeningetje voor Broer in petto; een verloren apport. Het leek mij te hoog gegrepen, maar je moet ergens beginnen. Bep liep de begroeiing in en ‘verstopte’ de duif. Nadat ik Broer losknipte en het commando ‘Zoek apport’ gaf ging hij vastberaden de vegetatie in en kwam zowaar met een duif uit de struiken. Parmantig kwam hij met zijn gevonden duif aanlopen, ging voor mij zitten en het leek erop dat hij hem af wilde geven. Dat bleek ijdele hoop. Met enige overtuiging liet ik hem de duif afgeven in ruil voor een blokje worst. Ook de tweede maal lukte dat.

Thuis komt de hond van alles brengen. Schoenen, een waxinelichthouder, een kussen, schapenvacht, noem maar op, hij brengt het. Het is niet nodig, maar om boos te worden op Broer terwijl hij blij is als hij wat kan brengen is ook zo wat. Nu nog leren dat hij alleen hoeft te apporteren als ik hem dat opdraag. En niet boos worden als hij een Hummelbeeldje van een olifant uit het kastje haalt en komt brengen. “Foei’; zei ik nog en prompt spuugde hij het beeldje uit en kletterde op de plavuizen. Mijn trots gekrenkt en het beeldje heeft geen olifantenpoten meer.

Broer apport duif

Overdenking

Door werk en drukte had ik al een tijd de kerk niet bezocht. Op de zondagochtend geef zweethondentrainingen. Een groot gedeelte van de deelnemers is jager, Bijzonder Opsporings Ambtenaar of voorjager. Door de weeks hebben deze mensen geen tijd omdat zij hun werk hebben, zaterdags is het meestal schadebestrijding of jagen, dan blijft de zondag over. En aangezien de hondentrainingen een deel van mijn inkomen is zit een kerkbezoek er dan niet voor mij in.

Zoals gezegd al een tijd niet meer naar de kerk geweest en nu in een periode met ingeplande rust vond ik weer tijd om te gaan. Als ik ga ben ik altijd ruim op tijd. Gewoon zitten in die bank en bezinnen op wat er was en wat er komen gaat. Ongemerkt hoor ik de conversatie van twee oudere heren achter mij. Ik schat ze dik in de zeventig. “He broeder, daar. Kijk dan. Die jurk!” “Waar, daar rechts opzij?” “Nee joh, links. Daar links in het midden.” Doordat er meerdere mensen de kerk betraden, zowel echtparen, alleenstaande mannen als alleenstaande vrouwen kon ik niet uit hun informatie opmaken op wie zij doelden. Grappig vind ik dat. Er wordt nog steeds naar vrouwen gekeken. Al begreep ik niet of ze de vrouw leuk vonden of dat ze de jurk afgrijselijk vonden. Ik hoor het geroezemoes van pratende mensen. Mijn gedachten glijden weg en maakt plaats voor die mooie herinneringen.

In gedachten verzonken denk ik aan mijn verblijven in de verschillende jachtvelden die ik met enige regelmaat mag bezoeken. In deze verschillende gebieden zie ik Gods wonderen als ik nog midden in de nacht de bossen en velden betreed of als ik ’s avond wanneer het aarde donker is geworden de bossen en velden weer verlaat en huiswaarts keer of richting hotel rijd. Wilde zwijnen horen en zien in de schemer, reeen en vossen zien of horen terwijl anderen achter de televisie wachten tot het tijd is om naar bed te gaan betreed ik mijn kansel of aanzitladder en zie de wonderen voorbij lopen. Vuurvliegjes lichten op in het donker. Als kleine lantaarntjes bewegen ze voor mij in de lucht. Een sterrenhemel zo vol,  prachtig om te zien. En daar zit je dan. In het donker. Langzaam wennen je ogen aan het maanlicht. Er is gekwetter. Het koren beweegt. Er is duidelijk leven in het koren. Even laten ze zich zien, de spelende dassen. Ik zie ze spelen door de kijker van mijn geweer. Afschieten was de opdracht vanwege de schade aan de fauna die ze aanbrengen, maar ik laat ze. Dit is te mooi om het leven te nemen. In de verte hoor ik in het donker de zwijnen gillen. Een paar hebben duidelijk ruzie. Zien doe ik ze niet. Geeft niet, hen horen is ook al een genot. Nee, ik bezoek niet frequent de kerk, maar ik denk dat ik dichter bij God ben als menig kerkganger die voor in de kerk de liederen meezingen. Ik zing de liederen met mijn hart, daar hoog op een aanzitladder turend over het landschap: ‘Tel je zegeningen een voor een. Tel ze allen en vergeet er geen….’

In gedachten verzonken werd ik op mijn schouder getikt. Dominee Piet die even een praatje kwam maken. “Jan, wat leuk je weer te zien. Ik heb het idee dat ik je al een hele tijd echt ken. Maar ha, komt door Facebook hoor”; zegt hij. “Ik lees regelmatig je verhalen en je posts op Facebook.” Een goeie vent die Piet, hij gaat echt met zijn tijd mee. Hij heeft een Facebook-account en bereikt zo mensen die niet regelmatig de kerk bezoeken, en daar reken ik mijzelf ook onder. Piet is een dominee die bij Cookers, een eetgelegenheid, zit en met soms wildvreemde mensen of mensen die dat nodig hebben een praatje maakt of een bemoedigd woord spreekt. En hij betaalt dan de koffie of thee. In de dienst welke als thema Vriendschap had liet hij via de beamer ook een nummer van Thé Lau zien en horen. Dat nummer was vlak voor de dood van Thé Lau gemaakt. Een eenvoudig maar indringend nummer, als je tenminste de woorden begrijpt. Soms leidt Piet een dienst die in het teken staat van een artiest als Johnny Cash of U2. Bijzonder toch? Altijd met veel overgave en schijnbaar zonder dat het hem moeite kost weet hij mij te boeien. Zo ook nu. Bedankt Piet!

Bericht uit Frankrijk

Met op de achtergrond de muziek van Jean Ferrat op Spotify ben ik bezig met allerlei administratieve zaken. Factureren, lessen voorbereiden, planningen maken, agenda bijwerken, van dat soort dingen. Belt er zojuist een man uit Frankrijk. “Uhm….hallo Jan, je spreekt met Arnold. Ja, je kent mij niet, maar op je website van Jan Brand Zweetwerk heb ik een artikel gelezen over het maken van een wandelstok. Maar nu met die bijenwas wordt het zo’n plakzooi. Doe ik wat verkeerd?” Als een razende gaan mijn hersens tekeer. Wandelstok? Bijenwas? Plakzooi? Ineens gaat mij een licht op. Al een tijd geleden heb ik een blogbericht geschreven over het maken van een wandelstok. De blogberichten plaats ik ook op mijn website. Maar omdat het al een tijd geleden was dat ik dit bericht heb geschreven kosten het mij moeite om het mij te herinneren. Maar ik weet het weer, dus ik vraag hem beleefd naar welke bijenwas hij heeft genomen. “Nou, uit de bijenkorf”. Als ik hem vertel dat ik meubelwas op basis van bijenwas bedoel geeft de man aan dat hij het snapt. ‘En bedankt man voor je tijd!” En stil is het weer aan de andere kant van de lijn, mij toch in enige verwarring achterlatend.

Toch bijzonder dat mensen mijn berichten waarderen.

Nieuwe dag, nieuwe kansen

Er is een groot verlangen. Een verlangen om terug te gaan naar vroeger tijden. Nostalgie en melancholie wisselen elkaar af. De gedachten aan vroeger, aan de oude plaatsen waar ik gewoond heb. Zaken als zoethout, Belga-kauwgom, zakjes zwartwit komen voorbij als ik wederom in een diepe slaap al. Als ik wakker word is het voor mij duidelijk: ik moet dingen afsluiten. De rugzak raakt te vol. Ik moet tijd vrijmaken om mijn verdriet het hoofd te bieden. Tijdmaken voor Jan-tijd in plaats van uitsluitend tijd maken om anderen te helpen. Niet dat ik mensen die dat nodig hebben niet zal helpen, in tegendeel, maar er moet ook tijd komen voor mijzelf. Wandelend door de straten waar ik ben opgegroeid. Wandelend door het bos, maar wel in mijn uppie. Mijmerend, verhalen makend en geschiedenis schrijvend. Meer tijd makend om samen met mijn lief te genieten van de dag. Stiekum spijbelend zomaar weer eens de grens over schieten en in Wallonie de boel onveilig maken. Of eens te kijken of ik Londen net zo leuk vind als zij.

Twee dagen meejagen in Duitsland werkte voor mij als therapie. Beer, de Teckel mee op post en mee voor eventuele nazoeken op aangeschoten grofwild en voor de vossenbouwen.
Na vier uur sturen sms-te ik vriend Adriaan dat ik er was. ‘Gelijk door naar de kansel en zitten Jan. Ik kom eraan’, was het antwoord op mijn bericht. Zodra ik de auto door het bos had gestuurd stond Adriaan mij al op te wachten. Ik begroette Adriaan en ja, ik moest hem vertellen dat ik weer stotterde. “Ach Jan, je bent toch nog steeds hetzelfde, dus voor mij is er geen verschil”. We omhelden elkaar en zeiden even niets. De andere jachtvrienden zaten al op de hun toegewezen plek. Ik zat nog geen half uur op de kansel toen er al drie reekalveren al dartelend de weide over kwamen. Ze huppelden gewoon en sprongen om elkaar heen niet wetend wie hen door het vizier zat te bespieden. Ik heb ze laten gaan. Niet veel later kwamen er twee reegeiten op een holletje voorbij. Allebei keken ze mijn richting op en zekerden even. Nee, volgens hen was er geen gevaar. Een reegeit gedroeg zich wat raar. In de kijker leek het erop dat deze een geheel wit oog had maar zeker weten deed ik het niet. Het gedrag was echter zo anders als normaal dat ik besloot tot afschot. Het ree heeft mooit geweten wat hem getroffen had, want hij viel op het schot. Het bleek goed afschot. Het ree was blind aan een oog. Na het ontweiden zijn we richting het hotel gereden alwaar de anderen al stonden te wachten. Even handen wassen, opfrissen en Beer uitlaten en daarna richting Saarburg voor een diner.

Dag twee waren er zes driften met nog wat peuterwerk op varken, roofwild, haas, veerwild en waterwild. Bij de vierde drift stonden drie hooibergen onder een zeil. Er zou een vos zijn waargenomen, dus of ik met de hond wilde inspecteren of Reinaard thuis was. Aangezien Beer dit nog nooit gedaan had was dit best spannend voor ons allebei. Maar hij deed zijn werk goed. Bouw 1: Beer snuffelde even aan de pijp en keerde gelijk om. Bouw 2: hij snuffelde aan de pijp en begon te trillen en te kwispelen. Toen ik “er in” zei was Beer weg onder de grond. Reinaard was thuis. Bouw 3: ook hier snuffelde hij even en vond het gelijk genoeg. De vos sprong niet maar ik weet nu dat hij goed verwijst. Twee dagen jagen in Duitsland blijkt ook het relativeren te bespoedigen. De tijd die ik in mijn eentje in het donker op de kansel en op post doorbracht blijkt toch ideaal te zijn om gedachten af te wisselen met prachtige waarnemingen van God’s schepping. Langzaam aan krijgt alles een plekje.

Na de laatste drift, het maken van het tableau en het doodblazen van het wild werd na wat drinken de terugreis ingezet. Het stotteren was wat minder geworden. Door ademhalingtechnieken toe te passen en te praten bij het uitademen kreeg ik langzaam wat meer grip op mijn stotteren. Tijdens de vier uur durende terugreis heb ik bijna de gehele weg ademhalingsoefeningen en spraakoefeningen gedaan. Door woorden waarbij ik constant over struikelde hardop en langzaam uit te spreken kreeg ik wat meer grip op mijn praten. STRUIKELEN, STUITEREN, SPUITEN, SLUITEN, PRUIKEN, PRONKEN… en zo reed ik naar huis, met een mooi beeld op het netvlies van de afgelopen dagen en wat meer rust door het vele praten… tegen mijzelf.

Jagerslatijn

Jagers spreken af en toe vreemd, jagerslatijn heet dat geloof ik. Soms kun je er geen touw aan vast knopen of de verhalen zijn zo ontzettend sterk dat je achter je oren gaat krabben. Neem nou Arie die in het water viel en zonder blikken of blozen een verhaal ophing over zijn val in de sloot. Arie was wilgen aan het knotten onderaan de dijk bij zijn huis. De kruiwagen met in stukken gezaagde bonken hout stond op de rand bovenaan de dijk. Toen Arie half op de dijk stond gooide hij een stuk van afstand in de kruiwagen. Arie raakte uit balans, zo ook de kruiwagen. Volgens eigen zeggen kon hij tijdens zijn val de kruiwagen tegenhouden en rechtzetten. Voordat hij het water raakte kon hij de pullen (eendenkuikens) die achter moedereend aanzwommen nog net opzij schuiven en behoeden dat hij die zou verpletteren. Enpassant lukte het zijn shagbuil op de kant te gooien zodat zijn shag droog bleef. Nadat hij kopje onder ging stond hij niet veel later op met drie kilo verse paling in zijn laarzen. En hier was niets van gelogen zei hij nog.

Die verhalen komen meestal tijdens de nazit na de jacht… de nazit noemen ze dat dan. Tja want het gebeurt wel eens dat staan niet meer lukt omdat er een ‘klein’ glaasje lekkers wordt geschonken. Om op te warmen natuurlijk.

Maar ook is het heel verwarrend als je met mensen praat over voor jagers bekende begrippen. Wat te denken van ‘invallende duiven’. Ik kreeg een keer de vraag of dat zieke duiven waren. “Nee joh, houtduiven”; grapte ik nog. Het werd nog gekker toen mijn gesprekspartner vroeg hoe dat nou zat met kleiduiven. Ik snap dat best, ik ben hoofdzakelijk kleinwildjager. Hij meer een rokkenjager, dan begrijp je dat niet.

In een heel ander gesprek kwam aan de orde dat mijn maat een 36-2 had. In jagerskringen beter bekend als een ‘buitengezelschapsverklaring’. ‘Och, is dat een zwaar kaliber?”; was het antwoord. En zo zijn er meer spraakverwarringen met niet-jagers. Jagers zien veel in de natuur. De kennis van de natuur is groot. Sommige hebben een dusdanig gehoor dat ze een muis horen aankomen. Hun ogen zijn meestal scherp. Tijdens de afgelopen zomer was ik in het veld met een beginnend voorjager toen er een leuke vrouw passeerde. We groetten de vrouw. Toen ik zei dat deze vrouw twee sterke punten had bedoelde ik niet de karaktertrekken van haar. Alleen begreep de beginnend voorjager dat niet. “Goh dat je dat ziet. Waarschijnlijk zie je dat aan haar houding natuurlijk. Knap hoor dat je iemands karakter direct kan inschatten aan de hand van lichaamstaal”. Ik ben maar verder gelopen.

Het jagerslatijn wordt ook in stand gehouden. Ik zal een paar kreten opschrijven en de betekenis er achter zetten. De eerste heeft u al gelezen: pullen.

  • Afspringen = verschrikt wegrennen van grofwild;
  • Apporteren = ophalen van het wild door een hond;
  • ‘Arie’ in de context van ‘een schop op je Arie krijgen’ = kloten, ballen;
  • Drift = af te leggen weg dwars door het veld of door het bos;
  • Drijver = iemand die het wild tijdens de jacht voor zich uitdrijft;
  • Droog gebouwd = rank, gespierd, zonder vet;
  • Dummy = canvas vervanging van klein wild om honden te leren apporteren;
  • Geweren = jagers;
  • Grofwild = grote hoefdieren zoals, reeën, herten en zwijnen;
  • Keiler = mannelijk wild zwijn;
  • Lijn = hondenriem;
  • Luidgeven = vervaarlijk blaffen van de hond bij het zien of ruiken van wild;
  • Ontweiden = het wild ontdoen van ingewanden om voortijdig bederf te voorkomen;
  • Pickerup = iemand die tijdens de jacht het geschoten wild oppakt en meeneemt;
  • Rotte varkens = groep wilde zwijnen;
  • Smalree = jong ree (geen kalf);
  • Sprong reeën = groepje reeën;
  • Tableau = met respect uitgestalde verzameling van het geschoten wild;
  • Veur = geulen in de geploegde grond;
  • Voorjager = persoon die met de hond werkt;
  • Zweethond = hond die geleerd heeft om via bloeddruppels, wildsporen en haartjes van grofwild het aangereden of aangeschoten dier op te sporen.

 

Koken met de feestdagen

Met de feestdagen in het vooruitzicht mag ik graag een feestje maken van de voorbereidingen. Dagen, wat zeg ik, maanden van te voren doe ik al ideeën op  en bereid ik mijn kookdag voor. En als ik dan op de bewuste dag zelf zo aan de slag ga doe ik dat graag onder het genot van een glaasje “lekkers”. Het is een keer gebeurd dat ik tijdens het koken niet alles meer zo helder zag als wat de bedoeling was. Later bedacht ik dat onderstaand recept best wel echt had kunnen lukken (gebeuren).

Jan’s landal rabbit (polderkonijn volgens oud recept van Jan)

Benodigd:

  • 1 konijn
  • peper
  • zout
  • tijm
  • 1 reep bittere chocolade
  • 2 appels
  • ¼ l. slagroom
  • 200 gram rozijnen
  • 2 flessen rum

Verwarm de oven voor op 240 graden Celsius.

Strooi rijkelijk peper over het konijn, wees echter spaarzaam met zout. Plaats de ovenschaal met het konijn in het midden van de oven.

Schil de appels en snijdt ze in kleine blokjes.

Breek de reep chocolade in kleine stukjes en doe de stukjes in een schaaltje en bewaar dit voor later in het recept.

Vul een longdrinkglas tot drie vingerdiktes vanaf de rand met rum en laat een deel van de rozijnen 10 minuten wellen in de rum.Regelmatig een slokje kan echt geen kwaad.

Neem het takje tijm en vul nog een longdrinkglas op bovenstaande wijze tot ongeveer één vingerdikte van de rand van het glas. Leeg dit glas tot twee vingerdiktes van de bodem.

Haal hierna ttzakje tijm uit uuuw oor.

Schjenk nogus un glassin en maak ut nu langsamer leeg dannet. Ga nu efffeh sittuh en rust uit. Doe de slgroom innunkommetje. Pak de mixer en probeer de slagroom te kloppuh. As de slaghroom bijna hartis dan likku de gardes netjes schoon. Prjobeer tsnoer los te trekkeh.

Haal seer voorsjichtig de tong uit de gardes andus kannu nooi meer pratuh..

Veegguw gezicht schjoon, ja ookkuw haar. Doe un pleisjter uit de verbandtrummel op uw tong. Roep nah uw frouw dattut geluid wah se hoorduh vvannut knijn kwam. Die kermde noghwat. Haal toch mah duh pleisteur van uw tong, pratuh ga toch al moeilijk sellufs sonder pleisjteur. Roep noggus dahttut tgoe gaa, nu wah ofertuigunder.

Doeh de stijfgekloptuh room in nun nandere schjaal. Paknu un echte schjaal implaatts vannuw glazz.

Schjenk uw glass effe bij. Drjinkkut maar effe leeg wan dr satuh nog slagroomresttuh in. Issun beetje fies, ma ja moet shjoon.

Doe dovuh opuh. En neem de schaal uit d’ove. Nadadde schjaal gefalle is doe u bwandwondesalf op uw linkehand. Neem de schjaal fan duh grond op. Na t falle doe u ook maar salf op de rechtehand. Weer pakku de schjaal op, nu meh ofewantte.

Doe duh appelstukkies en de resijnuh int knijn. Nemut schjaaltje sjokola en doe de sjokela int knijn. INT KNIJN SEI JIK.

Schjenk nogmarusin. Pakkut middelste glas. Oh, weehr mis. Fergetut glas en pak de fles. Prjobeer rustug optuhstaan. En ga maar wee sittuh. Sta nu met alluw krachte op.

Doe de sjokela foorsichtug int knijn. De sjokela isnu wah dunnejes en ut doeh seer. Hand in iets koels, NEE …….. nie int glass, das sonde. Doe vehband ommu fingers. Laa ook maar. Dah veband dan he.

Maak het ressie wattin nut glassat ma effe leeg foor du srik.

Pak nu un lepel om de sjokela in knijn te doen. Pak de middelste fles en doe iets plesierugs. Ja!! Leegmake. Pjobehr rustig op tuh staan. Nee, blijf toch ma sittuh. Sluit d’oge en zijg helemaal neer.

Als u na drie uur door uw vrouw wakker wordt gemaakt zeg dan dat de rum door de warmte verdampt is. De damp heeft u aanzienlijk bedwelmd. Hierdoor viel u en kwam tijdens de val uw tong in de draaiende mixer.

Uw hand is verbrand omdat u tijdens de val (en de schrik van uw tong) u probeerde vast te grijpen. Hierdoor viel de deur van de oven open.

De oven schaal viel uit de oven. U was nog net bij machten om de schaal, hoewel zeer heet, met de handen op het fornuis te zetten teneinde uw nette kleding te sparen van stomerijkosten.

Een verklaring waarom uw haar strak zit heeft u niet. Mogelijk door het gebruik van een weinig gel van uw zoon.

Voor de chocolade naast het konijn heeft u geen enkele verklaring. Waarschijnlijk in de ovenschaal gevallen toen u onwel werd.

 

Het zal mij(n) worst zijn

De laatste tijd komt de onderste steen boven op vleesgebied. Er wordt kennelijk wat aangerommeld in de vleesverwerkende industrie. Paardenvlees gevonden in worstjes, in gehakt, in lasagne. En dat terwijl er duidelijk op de verpakking staat dat er rundvlees in zit. Foei, dat mag dus niet, er iets anders in doen dan wat er op staat. Het moet uit de schappen, dat is duidelijk. Maar, wat is er eigenlijk mis met paardenvlees? Tja, wij Nederlanders eten nu eenmaal weinig paardenvlees. Dit in tegenstelling tot onze zuiderbuur. Maar nogmaals; wat is er mis met paardenvlees?

Scharrelvlees dan maar of door jagers aangevoerd (scharrel)wild misschien? O nee, dat mag binnenkort ook niet meer, tenminste als de nieuwe wet door gaat. Een en ander wordt op de radio toegelicht waarom de ‘plezierjacht’ moet stoppen door een boswachter die vindt dat hij er verstand van heeft. De patrijs gaat in aantal achteruit, daarom moet de jacht op de patrijs worden gestaakt. Dat de patrijs al vele jaren in Nederland niet bejaagd mag worden laat de beste man haarfijn achterwege om te vermelden. Is het dan beter om grote hoefdieren zoals reeen, zwijnen, damherten en edelherten binnen afrasteringen te laten verkommeren? Kennelijk wel, want er mag geen populatie gereguleerd worden. Al die dieren binnen die afrasteringen hebben een hoge aaibaarheidsfactor. Die laat je gewoon dood gaan. Achter de hekken geef je de dieren geen eten en een bovental aan zwakkere dieren laat je verkommeren. Geheel natuurlijk. Maar is dat dan weidelijk en goed beheer?

Vossen zijn ook zo lief en je ziet ze maar zelden. Tja, je ziet ze zelden midden op de dag op open vlaktes. De vos, een prachtig dier. Maar dat de schapenboer last heeft van door vossen aangevallen schapen schuiven we terzijde. Evenals de boer die zijn kippen terugvind met afgebeten koppen en andere in het geheel niet terugvind. Net zo als de afwezigheid van weidevogels in het veld of sterk afgenomen weidevogelstand die door de vos, ooievaars en roofvogels soms is gereduceerd tot nul.

Af en toe begrijp ik het niet meer. Dan eet je varkenshaas. Wat is eigenlijk een varkenshaas? Is dat een haas met een varkenssnuit?

 

Onbekend virus

De laatste tijd maak ik dat vaker mee; mensen die geïnfecteerd worden door dat onbekende virus. Je ziet het niet direct aan de mensen, maar ze zijn wel degelijk besmet. Ernstig besmet. De garderobe met ‘groene kleding’ wordt steeds verder aangevuld. Ik zie dat. 

Zij komen nietsvermoedend bij mij trainen met hun hond. Dan is er nog steeds niets aan de hand, maar na ongeveer vier lessen gebeurd er iets. Iets onvoorspelbaars. Zij gaan steeds meer vragen stellen. Vragen worden steeds intensiever, steeds dieper ingaand op de materie. Ik merk dat. Vragen over de hond, vragen over jagen. Nee zelf willen de cursisten niet jagen, maar hoe doen jagers dat. En waarom doen jagers dat.

Steeds vaker merk ik tijdens de zweethondentrainingen dat er mensen komen voor het zweethondenwerk puur als ‘hondensport’. Als alternatief voor de geijkte gedrag- en gehoorzaamheidstrainingen, maar eens wat anders. Zweetwerk bijvoorbeeld. Leken op het gebied van de jacht worden hierdoor besmet met het jachtvirus. Doordat er onder de cursisten ook diverse jagers zijn raken zij geobsedeerd door de jacht. Steeds meer willen zij weten. De oren worden mij dan van het hoofd gevraagd. Maar goed, dat vind ik alleen maar prettig.

Het mooiste voor mij zijn de anti-jacht-vrouwen. Die zijn dan ook volledig tegen de jacht in welke vorm dan ook. Maar langzaamaan groeit er iets moois, interesse voor de jacht. Hun mening wordt compleet omgegooid door hetgeen zij leren. Twee dames zijn van volledig-anti-jacht helemaal om en hebben de jachtcursus met succes afgesloten waardoor zij gerechtigd zijn zelf met het geweer te jagen.  Fanatiek en gepassioneerd wordt besproken welk geweer er voor welke jachtvorm het best geschikt is. Dat vind ik nou geweldig.  

Een boodschap om over na te denken

Van een goede vriend, kreeg ik een verhaal te horen die hij ooit van een directeur van een groot bedrijf had gehoord. Wie het ooit geschreven of gebruikt heeft wist hij niet meer, maar het is zo mooi. Daarom wil ik het u niet onthouden.

Het verhaal van de ganzen

De volgende herfst, wanneer u de ganzen in V-formatie ziet overvliegen op weg naar het zuiden en weg van de koude winter, moet u even stilstaan bij wat de wetenschap nog maar kortgeleden heeft ontdekt over dat vliegen in V-formatie.

Elke vogel creëert met het slaan van zijn vleugels een luchtkussen voor de andere vogel die vlak naast hem vliegt. Door in een V-formatie te vliegen creëert de hele zwerm een vliegvermogen van meer dan 71% dan een enkele vogel alleen.

Mensen die een richting uit willen en een gevoel van saamhorigheid hebben kunnen hun doel sneller en gemakkelijker bereiken omdat ze het vertrouwen van elkaar hebben.

Als een gans uit de formatie valt, voelt het plotseling door de luchtweerstand hoe zwaar het is om alleen te vliegen en hij probeert zo snel mogelijk weer in de formatie terug te komen om gebruik te maken van het luchtkussen die de gans voorop creëert.

Als we het verstand van een gans zouden hebben, zouden we in de buurt blijven van diegenen die dezelfde richting als wij opgaan.

Wanneer de voorste gans moe wordt, laat hij zich terugvallen naar achteren en neemt een andere gans zijn plaats aan de kop over.

Het is ook voor mensen verstandig om bij een zware opdracht taken om beurten te doen net als de ganzen die naar het zuiden vliegen.

De ganzen die in een V-formatie vliegen maken ”honk-honk” geluiden om de vogels die vooraan vliegen aan te moedigen zodat ze hun snelheid behouden.

Wat zeggen mensen als zij achteraan ”honken”?

Tot slot…, en dit is belangrijk…, als een gans ziek wordt of gewond door een kogel en uit de formatie valt, vliegen er altijd twee ganzen met hem mee. Zij begeleiden hem tot aan de grond waar ze hem helpen en beschermen. Ze blijven bij hem totdat ie weer op krachten is en verder kan vliegen, of sterft… en alleen dan vliegen ze verder of wachten op een andere zwerm om aan te sluiten en mee te vliegen naar hun groep.

Als wij het verstand van een gans hebben blijven we bij elkaar om elkaar te helpen en te beschermen en samen ons doel te bereiken.

Amen!

Nieuwe schoenen met halve zolen

Met regelmaat mag ik graag met Febe countryfairs en jachtfairs bezoeken. Het maakt mij eigenlijk niet uit waar. Of het nu in Nederland, België of Duitsland is. Waar Febe heen wil, daar rijden we naartoe. Ook dit jaar was de keuze gevallen op een leuke jachtfair in het midden van het land. Een mooie en overzichtelijke markt in een schitterende ambiance. Mooie tenten met nog mooiere spullen. Variërend van vintage tot terreinwagens van een gerenommeerd merk. Vintage heet dat tegenwoordig. Vroeger noemde je zoiets tweedehands spullen. Later heette het antiek. Nu dus vintage. Maar goed, een tentje met Engelse producten trekt altijd wel mijn aandacht. Zo ook bij deze kerstmarkt. Een Engelse dame prees haar typisch Engelse waren aan, waaronder de door mij zo begeerde Engelse fudge. Na bij dit tentje wat fudge en een potje marmelade te hebben gekocht, vervolgden we onze weg over het terrein. Een eindje verder staat een man een stoel te matten. Weer een eindje verder is een vrouw bezig eendenkorven van wilgentenen te vlechten.

En op zo’n markt kom je de meest kleurrijke mensen tegen. Mensen die het duidelijk beter hebben dan de doorsnee Nederlander. Mensen uit de grote steden uit de minder bedeelde wijken. “Hé Sjon, kehk noh! Dur loop soon frauw met soon jachhon. Hoe heet soon ras nauw? O jaah un Biegol.” En allerlei mensen die hier tussenin passen. Even later passeren we een echtpaar. Beiden gehuld in een – ’t is duidelijk te zien – nieuwe waxjas. Allebei een leren hoed op en nieuwe leren Dubarrey-laarzen aan. Aan de hand, aan een jachtlijntje, voerden zij allebei een ruwharige Teckel. Net een tweeling! De honden moesten steeds uitwijken, anders ging er iemand onbedoeld op hen staan.

Een hond neem je toch niet mee naar zo’n druk evenement? Heel serieus vraag ik mij dan af wat die mensen willen uitdragen. Want zo kleed en gedraag je je niet. Het is gewoon niet functioneel. Willen zij uitdragen dat zij in jagerskringen verkeren? Dat zij voorstander zijn van de jacht? Dat zij echte buitenmensen zijn dan? Zulke mensen zie je ook op een Country Fair of Game Fair of welk groot ander evenement. Altijd denk ik dan: Hé, daar lopen weer nieuwe-schoenen-met-halve-zolen(-erin).

Dood en begraven

Na het overlijden van de broer van mijn schoonvader (geen Roundup) is er weer een generatie verdwenen. En Arie, de jagermeester, ook nog niet zo gek lang geleden overleden. Dat zet je toch aan het denken. Al ben ik nog niet zo oud, het kan zomaar gebeurd zijn. Met een knip van je vingers ‘het licht uit’. Dat heb ik al eens mogen ervaren (lees: Gedane zaken).

Gisteravond kon ik de slaap niet vatten. Mijn gedachten dwaalden af naar: wat als ik nu definitief dood ga? Wel eens over nagedacht, maar nu lig ik wakker en aan dit soort dingen te denken. Hoe moet het met mevrouw Brand en de kinderen? Wat laat ik hen na? Heb ik wel iets om hen na te laten? Hoe zou ik mijn eigen uitvaart willen? Zijn er nog dingen die ik perse wil doen voor ik dood ga? Het laat me niet los. Altijd wil ik anders zijn en doen dan anderen. Dus bij mijn uitvaart ook. Begraven, dat is wat ik wil worden. Gewoon een eigen plekkie. Met een zwerfkei als steen met hierin gebeiteld: ‘Hij heeft zijn laatste kruit verschoten, Jan is nu eindelijk naar de kloten’. Ik zwerf tenslotte altijd van plaats naar plaats en van veld naar veld. Voor de rest geen poespas.

Maar serieus, ik zou het mooi vinden als de uitvaartdienst zou plaatsvinden met mijn jachtmaten en hun honden erbij. Het liefst in een grote tent middenin het jachtveld bij de zorgboerderij. De mensen die naar mijn uitvaartdienst komen, allemaal gekleed in het jachtgroen met kaplaarzen aan. Lekker makkelijk.

O ja, muziek. Hoornblazer blazen ‘Einde jacht’ op hun jachthoorns. En bij het plaatsen van de kist bij mijn graf, ik wou bijna schrijven ‘en bij het ter perse gaan van de kist’, lijkt het mij mooi om de soundtrack van Avatar ‘I see you’ te laten horen. En dan het liefst met Joe Goldberg als tweede stem. Een lekkere borrel na afloop met een dikke Cohiba sigaar erbij. Het leven moet tenslotte wel gevierd worden.

Bizar eigenlijk; zit ik mijn eigen begrafenis te beschrijven. Is dat gek? Nee toch? Wel? Nou ja, het schept wel duidelijkheid.