Nieuwe projecten

De plannen schieten door mijn hoofd. Zowel zakelijk als privé loop ik met allerlei projecten in mijn hoofd rond.

Zakelijk heb ik met Jan Brand Zweetwerk allerlei workshops op touw gezet. Uiteenlopend van workshops wild bereiden, worst maken van wild, zweetwerkbeleving, oefensporen maken, managementtrainingen met honden en roofvogels tot lezingen over jacht, zweethondenwerk en wildhygiëne.  Mijn nieuwste project is het opzetten en operationeel maken van een webshop voor jachtgerelateerde artikelen. Er is bij mij veel vraag naar artikelen die te maken hebben met de jacht en telkens moet ik vertellen dat ik die spullen niet zelf verkoop. Daar moet verandering in komen, dus ben ik aan het verkennen of een webwinkel iets voor mij is.

Maar als ik privé kijk, heb ik ook allerlei projecten waar ik of mee bezig ben of die in de pijplijn zitten. Als eerste denk ik aan mijn kantoor. De vloer moet nodig geschilderd worden. De muren moeten voorzien worden van een andere kleur. Ik wil van sloophout een bureau maken en zorgen voor een ‘zitje’. Andere ‘projecten’ ben ik al gestart of ben ik aan het voorbereiden. Laatst heb ik weer een serie worsten gemaakt van ganzenborstfilets, zwijnen- of reeënvlees en ook nog ganzenborsten gerookt. Ook een leuke bezigheid. Maar ook allerlei kruidenoliën en kruidenazijnen maken is lekker ontspannend. Het resultaat is in ieder geval heerlijk.

In een krantenbericht las ik laatst dat er in de Alblasserwaard een ware plaag van de gestreepte Amerikaanse rivierkreeftjes heerst. Er zijn er miljoenen die de inheemse soort verjagen of zelfs opeten en zelfs verantwoordelijk zijn voor het verdwijnen van waterplanten, de eitjes van kikkers en eitjes van salamanders. Met name het verdwijnen van de waterplanten is een ecologische ramp. De rivierkreeftjes verstoren het natuurlijke onderwaterleven. Ook dit betekent weer een nieuw project. Inmiddels ben ik er achter dat het wettelijk op het randje is of het wegvangen van rivierkreeftjes mag of niet. In het kort komt het hier op neer: mocht u ze vangen, deze rivierkreeftjes zijn niet beschermd. U kunt ze dus vrijelijk mee naar huis nemen.

Met een PVC pijp of met kippengaas is het makkelijk een fuikje te maken om rivierkreeftjes te vangen. Een eenvoudige rol van kippengaas of een PVC pijp met veel kleine gaatjes met aan de uiteinden een soort naar binnen gekeerde trechter van gaas is voldoende. Stukje vis, beetje kattenvoer, plakje ham of een klein stukje vlees is al voldoende om als aas te dienen. Werkt perfect in ondiep, niet hard stromend water.

Een ander project wat deels ‘in-de-pijplijn’ en deels in de tuin ligt is het maken van bier. De hop heb ik in de tuin gezaaid. Dat is toch het lekkerste, je eigen verse hopbellen. Het betekent ook wel dat ik nog een hoop materialen hiervoor moet aanschaffen, maar wat in het vat zit verzuurd niet zeg ik dan maar. Ben benieuwd. Mijn eigen bier. Eigenlijk best wel bar. Hoe zal ik het noemen? Bar-bier. Ja, dat klinkt wel lekker dubbel. Bar-bier!

Advertenties

Sport – Tour de France

Het is weer zo ver: drie weken lang Tour de France. Als het ook maar enigszins lukt luister of kijk ik. Raar eigenlijk dat ik wel de Tour de France volg, maar geen andere wielerrondes zoals de Giro ‘d Italia of de ronde van Polen of zo. De Tour de France heeft iets magisch, iets wat mij aantrekt. Elke dag volg ik het wel en wee van de renners. Ik blijf er zelfs later voor op als er ’s avonds nagepraat wordt bij programma’s als ‘De avondetappe’ of ‘Tour du jour’. Als het ook maar enigszins kan volg ik op de radio ‘Tourflits, Tourflits’ of in de middag, als dat lukt, de live beelden op televisie. Niet alleen het feit dat de renners in een wedstrijd zijn met elkaar, maar ook die beelden van plekjes in Frankrijk waar we geweest zijn maken mij blij.

Maar terwijl ik dit zo schrijf vind ik het aan de andere kant wel krom. In totaal leggen zij in drie weken 3540 kilometer per fiets af. Praktisch elke dag is het hetzelfde. 197 renners (en na een aantal dagen wat minder) verschijnen aan de start voor een rit van 215 kilometer. Soms wat minder, soms wat meer. Al gauw 4,5 tot 6,5 uren op de fiets. Op 80 kilometer voor de aankomst ontsnappen er zes renners die om en nabij vier minuten uitlopen op het peloton. Zo nu en dan is er een valpartij. De ene keer zonder ernstige verwondingen, maar soms iemand die zijn heup breekt en toch op de fiets stapt om de etappe uit te rijden. Vervolgens is er voor zo iemand de rit naar het ziekenhuis voor een operatie.

De kopgroep lukt het tot 10 kilometer voor de finish voor te blijven op de rest van het veld, maar worden dan ingehaald door het peloton waardoor er een sprint volgt voor de overwinning. Dan zijn er ook nog renners die niet voor de overwinning of voor een ritzege gaan maar voor een paar punten voor de sprinterstrui of een trui voor de beste klimmer  of welke kleur trui dan ook in het algemeen klassement. Dan zijn er nog malloten die lang vooraan willen rijden teneinde de volgende dag met het rode rugnummer te mogen starten. Elke dag zijn er ook de renners die-weer-aan-het-elastiek-hangen omdat ze het tempo niet bij kunnen houden en aan de achterkant van het peloton hangen.

Dan nog de voeding van deze mannen. In de hotels kookt de meegekomen ploegkok hoogwaardige maaltijden. Immers de renners gebruiken wel 9000 kilocalorieën per dag. In totaal eten de renners zes keer per dag, drinken vier liter water en vier liter sportdrank. Zodra er in de warmere streken van Frankrijk gefietst wordt moet er ook nog gezorgd worden voor extra vocht om uitdroging te voorkomen. Bij de maaltijden zijn koolhydraten enorm belangrijk dus zit dit praktisch in alle maaltijden voor en na de wedstrijddag. Dan heb je nog het fenomeen ‘hongerklop’. Om niet bevangen te worden door buikpijnen veroorzaakt door te weinig energie eten de renners tussendoor ook nog de nodige energierepen, bananen en ander fruit, energiegelpacks (gelvoeding), vloeibaar voedsel, taartjes, gedroogd fruit en boterhammen. Daar zijn de bevoorradingsposten tijdens de rit voor. Alles wordt in linnen tasjes aan de renners aangereikt, die halen er de dingen uit waar zij trek in hebben en de rest wordt met tasje en al de berm in geslingerd. Over rotzooi gesproken.

Wat bezielt mensen eigenlijk om drie weken lang zichzelf af te beulen voor een bepaalde kleur trui?

Zo fiets ik: 23 graden. Blote armen. Blote benen. Factor 20 opgedaan. Straffe wind, 4 Beaufort. Banden opgepompt. Flesje water en bammetjes ingepakt. Ik ben er klaar voor! Fietsen is gezond. De wind door de haren, als je die hebt. De zon op de kale bats. Ik fiets de straat uit richting de polder. Harde wind. Via de fietsbrug steek ik de A15 over en laat de beentjes lekker bungelen als ik de brug afrijd. Naar beneden is goed vol te houden. Ik fiets langs weilanden met koeien of schapen. Eenden met eendenpullen dobberen in de slootjes.

Dan heb ik de wind pal op kop. Voor mijn gevoel heb ik het tempo er aardig in, maar om een of andere reden word ik constant ingehaald. Regelmatig door wielrenners, dat is logisch. Maar het begint mij ook op te vallen dat mensen op een vergelijkbare fiets als die waar ik op rijd mij voorbijstreven. Leeftijdgenoten, man en vrouw. Gezinnen met kleine kinderen. Maar dat zelfs bejaarden voorbij fietsen en lachend ‘Hoop wind hè?’; zeggen, vind ik ronduit frustrerend. Eenmaal thuisgekomen ben ik kapot, futloos en chagrijnig. Maar, ik heb weer gesport. Weer dertig gram afgevallen!

Op de grens van koud en warm

Een merel fluit in de tuin. Het is van dat druilerige weer. 14 graden. Motregen, droog en bewolkt, dan weer zon, dan weer motregen. De merel stoort zich er niet aan. Hij fluit naar een vrouw.

Precies in de droge periode, tussen de buien door, pak ik de fiets en ga richting supermarkt. Nog even wat kleine boodschapjes halen. Onderweg kom ik een wat oudere man tegen. Sjaal om, hoed op, dikke jas aan. Waarschijnlijk heeft hij onder de jas een dikke trui aan en wellicht ook nog thermo-ondergoed. Zou zo maar kunnen. Het leven lijkt hem zwaar te vallen. Hij kijkt moe en zorgelijk. Een eindje verderop komt een moeder met twee kinderen mij tegemoet. Vergelijk ik de kleding weer dan lijkt de kleding totaal niet dik ook dat van de kleintjes is voorjaarachtig. Zij fietst op zo’n leuke bakfiets, de twee kleintjes keuvelend voorin.

Bij het winkelcentrumpje aangekomen parkeer ik mijn fiets in de fietsenstalling. De bloemenwinkel heeft weer zomerpootgoed, altijd leuk die vrolijke kleuren.

Ik koop een brood bij de bakker en haal een pak melk bij de supermarkt. In een ooghoek zie ik de slager. Bij de slager moet ik nog een bestelling doen voor varkensdarm en nitrietzout. Binnenkort geef ik weer een workshop worstmaken van wild, dan heb je die spullen wel nodig.

Met de boodschappen in de hand begeef ik mij weer naar mijn fiets. Een hond zit vastgemaakt aan de afrastering bij het fonteintje, en het is nog geen eens vakantietijd en dan al vastgeknoopt. Hij kijkt zielig en blaft de hele boel bij elkaar. Hij is het er duidelijk niet mee eens dat zijn baasje hem heeft achtergelaten om boodschappen te doen. Er komt een vrouw van midden veertig aanlopen. Ze loopt als een zak aardappelen. Slonzig gekleed. Chagrijnig. Die is kennelijk ook aan warmer weer toe.

Er staat een vrouw van half in de dertig met haar zoontje bij haar fiets. Ze heeft ook boodschappen gedaan. Echter denkt zij al dat het zomer is. Een heel strakke witte jeans aan. Een shirtje van, tja het lijkt op een stukje gordijn. Haar zwarte BH zie je gemakkelijk door de stof heen en over dit gordijntje draagt ze een wit bolerootje. Mooie half hoge bruine schoenen. Wel leuk om te zien. Ach, alleen wel jammer van die te strakke witte broek. Ze heeft een grote slip aan. Dat kun je zien door de te strakke broek goed zien. Aan de rechterkant van haar bil is de slip verschoven naar half op de bil. Dat vind ik dan zo zonde. Een mooie vrouw die een heel belangrijk detail over het hoofd ziet. Jammer. Tot overmaat van ramp draait ze zich om en zie ik wat een nog grotere blamage voor de vrouw is: twee grote… um… kamelentenen. Als je dan al maat 36 hebt ga je je billen toch niet in een maatje 34 persen. Twee kegelballen prop je toch ook niet in een knikkerzak? Maar zij deed het. Gemiste kans.

Zelf ben ik een modebarbaar. Ik ben in staat om alle kleuren op elkaar te dragen. Lekker kleurrijk. Of iets met franje. Geweldig. Wel ben ik kritisch op de keuze van anderen. Zo heb ik regelmatig vragen aan mijn vrouw of iets wel of niet kan qua kleding. Ik vind het op zijn zachtst gezegd raar als ik vrouwen over een jeans een korte broek zie dragen. Dat was gek aldus mijn vrouw. Bij de vrouw die over een jeans een mini-jurkje droeg was het oordeel dat dit niet raar was. Dit was geen jurkje, maar een tuniek. Dit kan dus weer wel.

Op het strand zag ik laatst een groepje jonge vrouwen liggen keuvelen met elkaar. Ook zo iets met mode? Hier en daar een vrouw zonder bovenstukje, altijd de moeite waard om even te kijken. Maar als ik tussen de vrouwen er eentje zie liggen met een minuscuul bikinibroekje waarbij je bijna… um… de Heinenoordtunnel in kan kijken, als u snapt wat ik bedoel. En aan de binnenkant van haar dij zie ik een touwtje van een tampon uit het broekje steken, dan mag ik van mijn vrouw absoluut niet wijzen. Want wijzen is niet netjes. Maar als ik aandring om het haar ook te laten zien krijg ik een por in mijn zij.

Op de terugweg van mijn boodschappen zie ik dat de natuur geniet van de afwisseling regen, zon, regen, zon. Alles is groen. Het gras groeit hard. Bomen zitten in nieuw groen blad. Alles maakt zich klaar voor de zomer.

Een merel fluit in de tuin.

 

Interniet

Vroeger; wat klinkt dat belerend, vroeger, toen alles nog op papier ging. Toen de school nog een krijtbord gebruikte. Vroeger, toen alles nog in schriften, kasboeken en dagboeken werd geschreven. Omslachtig eigenlijk, maar mooi. Nostalgie…

De boekhouding doe ik met software wat ik per e-mail met mijn boekhouder uitwissel. Tegenwoordig verstuur ik mijn facturen ook al weer een tijdje via e-mail.

Even een workshop of evenement aanprijzen, per internet via Facebook, LinkedIn en Twitter. Filmpje kijken of radio luisteren, jawel, via internet. Social media met de verschillende accounts. Zo is er LinkedIn, Facebook, Hyves, Plaxo, Xing, Netlog, MySpace en ook Pinterest. Via deze media kun je in contact komen of blijven met oud-klasgenoten of met oud-collega’s. Of met buren van vroeger. Internet heeft het helemaal gemaakt in deze wereld.

Kaartjes bestellen voor theater of bioscoop, internet. Rookoven kopen, per internet. Schoenen, ja, internet. Bankzaken: internet. Telefoneren, of nee, Skyp moet ik zeggen, via: juist internet. Wat doen we niet via en met internet?

Internet is het medium. Modern, snel, scherp, accuraat.

De jeugd gaat mee met deze ontwikkelingen. Laatst zag ik ook een meisje zonder maar op haar mobiele telefoon te kijken een berichtje intypen en versturen. Want ook dat kan, mobiel een bericht op Facebook zetten.

De jeugd heeft zelfs zijn eigen taal, straattaal, ontwikkeld. Mijn zoon heeft zelfs een bijbelboek van Matheüs in straattaal: ‘De torri van Matti. Af en toe heb ik geen idee wat ik lees of hoor. ‘Als ze die duku passen, dan komt het goed’. ‘Heb je nieuwe pattas gekregen? Loopt beter he?’.

Arghhhh, het internet ligt er weer eens uit. Een goede internetverbinding hebben we, dat wel, maar door de enorme isolatie en de betonnen muren en vloeren knalt mijn draadloze verbinding er weer eens uit. Ik word er werkelijk schijtziek van. INTERNIET!

Normaal gesproken verzend ik mijn facturen per e-mail. Tja, dat lukt nu niet. Van nijd heb ik net twee facturen uitgeprint, in een envelop gefrot en op een holletje naar de brievenbus gebracht. Zelfs dat uitprinten ging met horten en stoten. Druk ik op print, krijg ik een melding dat het papier op is. Papier bijgevuld. Als ik dan op print heb gedrukt, krijg ik een PDF-bestand. Blijkt dat ik vergeten was de printer te selecteren.

Och ja, ik heb ook nog een nieuwe telefoon gekocht. Echt, ik moet altijd eerst een tijdje studeren hoe zo’n ding werkt. Ik heb inmiddels al zestien foto’s van mijn oor, van heel dichtbij.

Je schijnt met dit nieuwe mobieltje zelfs te kunnen telefoneren. Het is werkelijk een Godswonder.

Modern wil niet altijd zeggen goed en betrouwbaar. Dat blijkt als er twee netwerken van mobiele telefoonproviders uit de lucht gaan door een brand. Al het telefoon- en mobielinternetverkeer lag plat. Niemand kon bellen, sms’en, whatappen, e-mailen of wat dan maar ook. Tja, dan maar interniet.

Nieuwe schoenen met halve zolen

Met regelmaat mag ik graag met Febe countryfairs en jachtfairs bezoeken. Het maakt mij eigenlijk niet uit waar. Of het nu in Nederland, België of Duitsland is. Waar Febe heen wil, daar rijden we naartoe. Ook dit jaar was de keuze gevallen op een leuke jachtfair in het midden van het land. Een mooie en overzichtelijke markt in een schitterende ambiance. Mooie tenten met nog mooiere spullen. Variërend van vintage tot terreinwagens van een gerenommeerd merk. Vintage heet dat tegenwoordig. Vroeger noemde je zoiets tweedehands spullen. Later heette het antiek. Nu dus vintage. Maar goed, een tentje met Engelse producten trekt altijd wel mijn aandacht. Zo ook bij deze kerstmarkt. Een Engelse dame prees haar typisch Engelse waren aan, waaronder de door mij zo begeerde Engelse fudge. Na bij dit tentje wat fudge en een potje marmelade te hebben gekocht, vervolgden we onze weg over het terrein. Een eindje verder staat een man een stoel te matten. Weer een eindje verder is een vrouw bezig eendenkorven van wilgentenen te vlechten.

En op zo’n markt kom je de meest kleurrijke mensen tegen. Mensen die het duidelijk beter hebben dan de doorsnee Nederlander. Mensen uit de grote steden uit de minder bedeelde wijken. “Hé Sjon, kehk noh! Dur loop soon frauw met soon jachhon. Hoe heet soon ras nauw? O jaah un Biegol.” En allerlei mensen die hier tussenin passen. Even later passeren we een echtpaar. Beiden gehuld in een – ’t is duidelijk te zien – nieuwe waxjas. Allebei een leren hoed op en nieuwe leren Dubarrey-laarzen aan. Aan de hand, aan een jachtlijntje, voerden zij allebei een ruwharige Teckel. Net een tweeling! De honden moesten steeds uitwijken, anders ging er iemand onbedoeld op hen staan.

Een hond neem je toch niet mee naar zo’n druk evenement? Heel serieus vraag ik mij dan af wat die mensen willen uitdragen. Want zo kleed en gedraag je je niet. Het is gewoon niet functioneel. Willen zij uitdragen dat zij in jagerskringen verkeren? Dat zij voorstander zijn van de jacht? Dat zij echte buitenmensen zijn dan? Zulke mensen zie je ook op een Country Fair of Game Fair of welk groot ander evenement. Altijd denk ik dan: Hé, daar lopen weer nieuwe-schoenen-met-halve-zolen(-erin).

De schoenen

Oude schoenen. Grijs met de drie karakteristieke Adidas-strepen op de zijkanten. De zolen zijn helemaal schuin naar buiten afgesleten. Er zit nauwelijks nog profiel op de zolen. De veters hier en daar wat kapot en losjes gestrikt om het instappen, zonder veters te hoeven strikken, te vergemakkelijken. Oud zijn ze, erg oud. Een jaar of elf schat ik, waarschijnlijk zelfs ouder. Deze schoenen zijn al op veel plaatsen geweest en hebben daar de nodige voetstappen achtergelaten. Even nadenkend borrelen er direct wat plaatsnamen op: Saint Pons des Thombieres, Angles, Carcassonne, Narbonne, Fréjus, Nice, Saint Tropez, Montpellier, Lacanau, Saint Georges ‘d Oleron, Arcachon, La Rochelle. Maar ook op diverse jachtplaatsen: Strijen, Bavel, Hekelingen, Oud-Beyerland, Zuid-Beyerland, Werl in Duitsland. Mooie herinneringen.

De schoenen hebben, net als ik, al veel meegemaakt. En hier sta ik dan bij de vuilcontainer. De schoenen in de hand en klaar om die in de container te dumpen. Ik kan het niet, maar ze zijn echt op. Met een zucht van afgrijzen gooi ik ze er in en loop weg. Halverwege  het tuinpad sta ik stil, loop  terug en haal ze er weer uit. Ik houd ze in mijn hand. De schoenen worden bestudeerd, ik aai ze even. Dit kan ik niet. We hebben lief en leed gedeeld, zijn overal samen geweest. En mijn gedachten gaan weer terug naar de plaatsen die ik net noemde. Twijfelend leg ik de schoenen op de stenen barbecue. Ik ben nog niet klaar om afscheid van mijn fijne schoenen te nemen. Samen hebben we teveel meegemaakt. Versleten zijn ze, gescheurd, grauw, afgetrapt en door en door versleten. Twee dagen hebben ze op de stenen barbecue gestaan als ik ze opnieuw weer hierop aantref. Mijn schoenen.

Gisteren heeft het geregend en de schoenen zijn echt drijfnat. Er staat zelfs een laagje water in. Ze stinken, naar natte kleding wat vier weken in een plasticzak heeft liggen rijpen. Met duim en wijsvinger pak ik ze vast en kieper ze zo in de vuilcontainer. Vieze natte stinkdingen! Gauw weg ermee!

Veranda

Gisteren zag ik hem. Samen liepen we het tuincentrum in en net voor de ingang stond ie. Precies zoals ik hem wil. Niet recht-toe-recht-aan, maar ietwat schuin. Hij zou precies bij ons vanaf de tuinpoort tot het huis passen. En ja, schuin. Met oude of Franse dakpannetjes erop. Lijkt me prachtig. Ook als het wat regent kun je gewoon buiten blijven zitten. Glaasje wijn of een pastis erbij. Laptop erbij en al schrijvend en af een toe een wind of een boer latend zit je dan beschut tegen zon, regen of wind toch lekker buiten. Bij kou zou je een terrasverwarmer kunnen plaatsen. Nee, dat is eigenlijk niets voor mij, een vuurkorf past beter. En als ik dan toch bezig ben met het fabriceren van mijn veranda kan ik gelijk zo’n Frans ruw uitziende muur metselen. In gedachten zie ik het al helemaal voor me. Ik heb er veel voor over om onze tuin een wat mediterrane uitstraling te geven.

Al mijmerend struinen we door het tuincentrum. Hier en daar zie ik leuke planten en bomen. Mijn hart maakt een sprongetje bij het zien van zo’n dikke, oud uitziende olijfboom. Mijn hart maakt een nog feller sprongetje bij het zien van de prijs. Da’s duur! Febe ziet mijn teleurstelling en dirigeert mij naar de kleinere olijfboompjes met ook wat kleinere prijzen. Ik kijk haar aan met een vragende blik zoals ook Dibbes een van onze honden ook vaak doet. Alleen kan ik mijn oren niet zo omhoog zetten, maar verder straal ik trouw en vriendelijkheid uit. Ja, het mag. Ik mag een klein olijfboompje uitkiezen. Dat ik al een kleine palmboom in de kar heb staan moet ze volgens mij toch gezien hebben. Maar gretig zoek ik er eentje uit. De stam, ongeveer twee centimeter dik, oogt gezond. Er zitten ook al kleine olijfjes aan. Na het afrekenen lopen we weer naar de uitgang of eigenlijk de ingang, weer langs ‘onze’ veranda. Ik kwijl nog net niet. Maar ik schiet wel bijna vol bij de aanblik van ‘mijn’ veranda.

Eenmaal thuisgekomen jas ik met de nodige inspanning de pruimenboom-die-nooit-geen-vruchten-draagt uit de tuin. Op zijn plek, een prominente plaats, plant ik het olijfboompje. Ik doop hem, met wat water en zegen hem in, wens het boompje voorspoedige en gezonde groei. Wellicht brengt dat geluk. Dat hij maar snel groot en dik mag worden, net als ik. De palm, net vijftig centimeter hoog, laat ik nog even in de pot om te zoeken naar een geschikte plaats. Het kaartje met de beschrijving pluk ik uit de pot en met aandacht lees ik de verzorging. Deze palm kan vorst tot -20 graden Celsius verdragen en kan vijftien meter hoog worden. Ook de palm wens ik een snelle groei toe.

Een vijftien meter hoge palm, een dikke olijfboom, een mediterrane muur, een veranda, ja dat oogt echt zuidelijk. Door de stank schrik ik op uit mijn gemijmer. Dibbes zit naast mij naar de palm te kijken en heeft net een vieze stinkscheet gelaten. Pfffffff… wat een putlucht, een groene wolk stijgt naast hem op. En maar hopen dat de palmboom ook tegen vieze luchten kan (maar dat stond niet op het kaartje).