Goede voornemens

De kerstdagen redelijk goed doorgekomen. Het gezin bijeen, mijn vader aanwezig in deze drukte. Wat genoot die man van alle gesprekken en het eten. Ja, ook daar hadden we aardig wat werk van gemaakt. Buikspek als een rollade gekruid en opgebonden en 8 uur langzaam in de oven laten garen. Glaasje lekkers erbij.

MijnLief was al grieperig, maar dat zette nu ineens meer door. Snotterend en proestend vergleden de dagen voor haar. Bij mij liet mijn rug mij in de steek en strompelend als een honderdjarige ‘ kroop’ ik door het huis. Met twee avonden niet kunnen praten sloot ik deze feestdagen af. En als ik die dagen een cijfer moet geven: een dikke acht. Simpelweg omdat mijn kinderen, mijn kleindochters en mijn vader genoten van het samenzijn.

Nu staat oud en nieuw op de stoep. Ik haal weer allerlei goede voornemens uit de kast; afvallen, rustmomenten, alleen maar doen wat ik leuk vind. Of zal ik eens lekker recalcitrant zijn en gewoon mijn baard en buik laten staan in het nieuwe jaar?

Advertenties

Kerst 15 jaar later

Het was half november en eigenlijk best warm voor de tijd van het jaar. De peren konden nog laat geoogst worden. Op z’n dooie akkertje liep Tim door de sluimerende bossen, de Draadhaar volgde hem op een afstandje. Hij had zojuist de kippen gevoerd, en Stanley, de Haflinger, vanuit de stal de wei in gestuurd. De Haflinger kon nog lekker in de wei even de benen strekken.

En hier liep hij dan met z’n hond, in gedachten verzonken, langs de hoge iepen en kastanjebomen. Denkend aan Sophie, zijn nichtje, hoe zij 15 jaar geleden Gabber, de Draadhaar kreeg. Gabber, gevonden in het bos, cadeau gedaan als kerstgeschenk. Alles was nog zo onbezorgd. En nu,… nu had hij een luxe probleem. Of gaan wonen in het koetshuis of in de pastorie.

Van Bertus, een bevriende boer waar hij als drijver wel eens meeging tijdens de drijfjachten, kreeg hij te horen dat de pastorie van Cillaarshoek verhuurd zou worden. De vertrekkende dominee had het ambt aanvaard in het kleine dorpje Voorst, ver weg op de Veluwe. De nieuwe dominee woonde drie dorpen verderop, maar was niet van plan te verhuizen. Hij ging altijd ter kerke in zijn open rijtuig, dus een stukje verder rijden was geen bezwaar.

De pastorie onbewoond laten was voor de kerkenraad geen optie. Leegstand van de pastorie betekende verval van het prachtige 19e eeuwse pand. Maar, niet iedereen kwam in aanmerking om de pastorie te bewonen. Voorzichtig had hij de kerkenraad aangeboden tijdelijk in de pastorie te willen wonen en tevens de naastgelegen kerk te onderhouden. De ouderlingen zouden dit overleggen in de kerkenraadsvergadering, pas dan zou er een beslissing genomen worden. Bij de ouderlingen was bekend dat hij goed was in houtsnijwerk, en zijn schilderwerk en het herstellen van meubels was in de wijde omgeving bekend. Vooral om zijn politourwerk was hij vermaard. Tot zelfs in Rotterdam wisten de mensen de weg naar zijn schamele woninkje te vinden.

Tja, toen meneer Hofland hem aanbood het koetshuis van landgoed De Brandenburcht te gaan bewonen, wist hij werkelijk geen woord uit te brengen. Zeker nu zijn Esther 7 maanden zwanger was van hun eerste kindje, was een groter huisje zeer gewenst. Laat staan het koetshuis van de Brandenburcht. Dat zou een enorme vooruitgang zijn. En een prachtig huis én gelijk een betrekking bij meneer Hofland.

Nog geen twee dagen later maande ouderling Van Goor hem even bij hem te komen. Hij had goed nieuws. Als hij de kerk wilde onderhouden en de kansel wilde voorzien van nieuw houtsnijwerk, mocht hij tegen een gering bedrag de pastorie bewonen; totdat de huidige dominee weg zou gaan en een nieuwe dominee weer aanspraak zou maken op de pastorie. Een lot uit de loterij, maar wat moesten zij besluiten? Jarenlang woonden ze in een klein arbeidershuisje achter de boerderij van herenboer Strijbeek en werkte hij als knecht op de boerderij.

Met ferme pas liep hij door het bos, af en toe wachtend op Max, de Draadhaar. Al peinzend en zich afvragend wat te doen, slenterde Tim verder langs de vaart bij het bos. Af en toe schopte hij een steentje in de vaart. Nog hoort hij zijn moeder zeggen: “Tim, kleine mensen hebben kleine problemen, grote mensen hebben grote problemen.”

Weggaan bij boer Strijbeek zou hem niet in dank worden afgenomen. Wonen in het koetshuis en werken op de Brandenburcht was een mooi vooruitzicht, maar naast de kerk in de pastorie wonen had eigenlijk zijn voorkeur. Ze zouden dan dicht bij zijn vader en moeder komen te wonen, op maar 5 minuten lopen bij hen vandaan. Ongemerkt was het al schemerig geworden en spoedde hij zich naar huis. Hij zou Esther het heugelijke nieuws gaan vertellen. Samen zouden zij er wel uitkomen.

Toen hij het paadje naar het huisje op liep, kwam Esther hem al tegemoet. Liefdevol omhelsde hij haar. “Ik heb goed nieuws,” zei hij. “Er komen twee woningen beschikbaar. Het koetshuis en de pastorie. Alleen de pastorie komt eerder beschikbaar.” Dan zou hun kindje mooi na de kerstdagen in de pastorie geboren kunnen worden. De keuze was eigenlijk snel gemaakt. De pastorie zou het worden, die zou al op 10 december beschikbaar zijn. Dat zou betekenen dat hij precies 14 dagen de tijd had tot aan kerst om de pastorie in te richten naar hun eigen smaak. Wat een rijkdom was dat. Hij liep naar de houtmand, pakte twee houtblokken en legde deze op het vuur. De houtblokken knetterden. Max krulde zich helemaal op bij de stookplaats. Naast het theemeubel zat Minet, de poes, met de voorpootjes plat en de achterpootjes wiebelend klaar om in de aanval te gaan. Een muisje schoot bliksemsnel weg door een gaatje in de dunne muur. Esther had de tafel gedekt en de pan bruine bonensoep op tafelgezet. Zij vouwden hun handen en prevelden hun avondgebed. Zij schepte de borden lekker vol. De soep dampte uit de borden. Behoedzaam scheurde hij een stukje bruin brood af om in de soep te soppen. Max gromde in z’n slaap en trok af en toe met een poot.

Weken hadden zij ernaar uitgekeken. Traag waren de dagen verstreken. Eindelijk was het zover, 10 december, de pastorie kon betrokken worden. Van ouderling Van Goor hadden zij de sleutel gekregen. Trots, maar bovenal met veel dankbaarheid liepen zij voor het eerst door hun nieuwe huis. Prachtig was het. Stenen muren, goed sluitende deuren, drie echte slaapkamers, een afzonderlijke keuken met een hout gestookt fornuis. En dan om het huis: een prachtige voortuin, een grindpad tot aan de voordeur, een tuindeur naar de achtertuin, en in de achtertuin twee perenbomen, een mispel en een appelboom. Dan over de sloot nog een moestuintje. Goh, wat voelden zij zich rijk. Nog nooit hadden zij een tuin gehad, en nu hadden zij er twee en nog een moestuintje ook.

’s Avonds hoorden zij het koor repeteren voor de kerstdienst. “Ere zij God” hoorde hij zingen.

Het enige wat hem echt zorgen baarde was eten voor de kerstdagen. Er waren nog wat aardappelen en wat appels. Vlees was er niet, het spelt voor het brood was op, er waren nog drie eieren van de twee kippen die zij van boer Bertus cadeau gekregen hadden.

Nog twee dagen dan is het kerstmis. Elk moment kon Esther bevallen. Hij moest denken aan wat boer Bertus gezegd had: “Maak je geen zorgen, de Heer zal in alles voorzien. Alles komt goed.”

De volgende morgen kwam boer Bertus met z’n boerenkar bij de pastorie voorrijden. “Tim, wil je mee naar Hofland? Ze komen een drijver en een hond tekort.” En óf Tim dat wilde. Met een trap tegen de kont van de hond maande hij de hond wakker te worden. Snel trok hij een extra trui en z’n jekker aan en haastte zich naar de kar van boer Bertus.

Na een gure jachtdag kwam hij thuis met een fazant en een haas. Meneer Hofland had hem als drijver eerste keus uit het tableau gegeven, vanwege kerst en vanwege de op handen zijnde bevalling. Drijvers doen het zwaarste werk, had meneer Hofland gezegd, want die dragen de hele dag het wild. Esther kon haar tranen niet bedwingen van geluk. “Zie je wel Tim, boer Bertus heeft gelijk: de Heer voorziet in alles.”

Wat later op de middag kreeg zij stekende buikpijn, de bevalling zou niet lang op zich laten wachten, zei ze.

Om kwart over elf ’s avonds werd er op de deur geklopt. Boer Bertus kwam een zak spelt, een emmer stoofperen en een groot stuk buikspek brengen. “Voor kerst, jongen, dan kunnen jullie spek-met-peren eten,” zei hij. Vanuit de deuropening zag hij de mensen de kerk binnengaan voor de kerstnachtdienst. Even keek hij omhoog naar een toch wat erg heldere ster. Tim was dankbaar, erg dankbaar. Alles komt dus echt goed, je moet het alleen geloven.

Die avond, precies op kerstavond, werd hun zoon Harm geboren.

Uit: Jachtige Krabbels. auteur: Jan Brand

Genoeg is genoeg

Met de kerstdagen voor de deur moet ik ineens denken aan een echtpaar wat we ontmoetten tijdens een bijeenkomst van de kerk. Een thema-avond wat ging over de betekenis van kerst. De mensen uit de wijk waren bij hen en door hen uitgenodigd, en wij dus ook. Goed even te weten dat wij in een wijk wonen waarin wij ongeveer 26 jaar geleden een zogenaamde premie-A-woning betrokken. De rest van de wijk is een mengeling van huizen van het type simpel-geen-cent-te-makken-maar-het-is-wel-van-mij tot ongeveer vrijstaand-en-mijn-huis-is-NOG-groter-dan-het-jouwe-huis. Werkelijk paleisjes zijn het. Zo ook het huis van dit echtpaar. Een huiskamer waar je met een gerust hart een badminton gemixt dubbel kon spelen. Die avond waren er best veel mensen op deze thema-avond af gekomen. Het beloofde wat. De wijkouderling stelde de vraag: “Wat betekent kerst voor jou?” Een tijdje heb ik geluisterd naar de verschillende belevingen van de aanwezigen. Om er een paar te noemen:

  • ‘Kerst is voor mij opnieuw mogen beginnen’;
  • ‘Kerst is voor mij bezinning en hulp bieden aan mensen die dat hard nodig hebben’;
  • ‘Voor mij betekent kerst zorgen voor anderen’.

Mooie gedachten vond ik. Totdat de gastvrouw haar beleving van kerst en de gedachten vertelde. De kinderen waren inmiddels groot en woonden op zichzelf. Manlief had een goede baan bij de overheid en bracht een meer dat dubbelmodaal-salaris elke maand binnen. Zelf was ze ook niet onverdienstelijk bezig als leidinggevende van een afdeling. Ook zij kwam ver boven modaal uit met haar salaris. Groot huis, een mega-inkomen, maar… En kwam een MAAR achteraan. “Maar kerst is zo vreselijk. Je moet altijd zorgen voor een uitgebreid diner op de avond voor kerst, want dan komen de kinderen en de kleinkinderen. Die kerstcadeautjes kopen voor onder de kerstboom… En wat te vinden van die kerstboodschappen; pfff. Verplicht koken, want de kinderen en kleinkinderen blijven eten, nou… En dan MOET je naar de kerstavonddienst als gezin, want anders gaan anderen er wat van zeggen als je niet geweest bent. Dan ook nog op zowel eerste als tweede kerstdag naar de wederzijdse ouders. Natuurlijk wordt er van je verlangd dat je heel de dag blijft en blijft eten. Een ramp zijn die dagen. Ik ben altijd blij dat het weer over is.” Ze kreeg nog bijval van haar man. Ook hij deed een lekkere duit in het zakje. Zijn kerstgedachte draaide om eten en de verplichting om vooral heel veel in huis te halen. Allemaal liflafjes en hele speciale dingen.

Werkelijk, mijn mond viel open. Volgens mij ben je dan echt ontevreden met hetgeen je hebt en snap je die hele kerstgedachte niet. Ik ben blij dat ik allebei mij ouders nog heb. Mijn schoonouders leven tenslotte al niet meer. Als de kinderen komen maakt mijn hart altijd een sprongetje. Toch een teken dat ze graag bij ons zijn. En ook met eenvoudige middelen zet ik een heerlijke kerstmaaltijd voor. Kerstnachtdienst of kerstavonddienst is een feestje voor onszelf. Fuck it wat anderen daar van vinden! Ik kon het niet helpen, ik heb gezegd dat ik hen ondankbaar vond. Genoeg is genoeg!

Kerst en andere dagen

DSC_3134De maand december heeft altijd een magische aantrekkingskracht op mij. Eigenlijk begint de voorpret al zo rond half oktober. Stiekum begin ik met het draaien van de eerste kerstmuziek. En natuurlijk word ik thuis voor gek verklaard. “Pfff. half oktober. De herfst is nog niet eens afgelopen.” Maar dat mag de pret niet drukken, ik zet door. Knallen met die muziek. Tijdens mijn werk luister ik dan naar http://www.skyradio.nl/player/skyradio-seasonal. Mijn favorieten zijn ‘White christmas’ van Bing Crosby en ‘Driving home for christmas’. Als ik deze nummers hoor word ik zelfs wat melancholisch. Vaak brengen deze nummers herinneringen aan vervlogen tijden bij mij boven. Witte kerst, sneeuwpoppen maken en iglo’s van sneeuw vanwege de enorme hoeveelheden sneeuw die er gevallen is. En ook nog steeds onze kersttraditie van kalkoen op de avond voor kerst, de kerstavonddienst in de kerk, de film Scrooge kijken, op eerste kerstdag kalkoensalade maken van de overblijfselen van de avond ervoor. Lekker puzzelen over het menu; wordt het hemelse modder als dessert of een wijngelei? Of toch een zelfgemaakte tiramisu. En wat als voor- en hoofdgerecht? Welke wijn of borrel vooraf? Of toch weer van die heerlijke Engelse eggnog halen. Heerlijk van dat soort plannetjes maken. Als het lukt vrouwlief helemaal in het nieuw, altijd mooi. Van schoenen en lingerie tot een prachtig jurkje.

Ik kan niet wachten tot Sinterklaas zijn boot weer pakt naar het zuiden. Ook een heerlijk feest hoor, maar doordat vrouwlief en een van de kinderen onregelmatige diensten draaien is dit kinderfeest bij ons wat vervaagd. Kerstfeest daarentegen is voor mij het ultieme feest. Mensen versieren niet alleen hun kerstboom, ook de voortuin wordt aangekleed met lichtjes. Dan wandel ik graag met Brammetje, onze enige hond tot nu toe, langs de huizen. En dan lekker de met sfeer verlichte tuinen beoordelen, ja zelfs cijfers geven. Het lijkt ook net of de mensen vrolijker zijn en meer kunnen hebben van anderen. Ja, de sfeer die in de lucht hangt stemt mij altijd positiever dan ik van nature al ben. Dan thuiskomen van zo’n lekkere wandeling en dan de openhaard aan en een grote beker chocolademelk met een flinke toef zelf geklopte slagroom met hierop een klein beetje kaneel. Donders het water loopt mij al in de mond.

Op eerste of tweede kerstdag gaan we het internet afspeuren naar de juiste vakantiebestemming. Een aantal jaren was dat niet nodig omdat de vakantiebestemming al vast stond; een huis a la campagne in Alette in Noord-Frankrijk. Maar ja, het huis is verkocht. Maar ach, ook dat geeft weer het plezier van het speuren naar wat anders. Andere streek, andere bestemming. Misschien wel ander land… nah. Afwachten maar waar we op uitkomen. Ik realiseer mij maar al te goed dat er ook mensen zijn die helemaal niet met vakantie gaan. Tel je zegeningen denk ik dan.

Na de kerst, als de centen het toelaten, voor vrouwlief het enige vuurwerk wat er zal worden aangeschaft bestellen: een 10.000-klapper. Met zo’n dieptebomklap op het eind. En natuurlijk terugblikken op het oude jaar. Maar zeker vooruitblikken op wat mogelijk komen gaat in het nieuwe jaar. In iedergeval hoop ik dat het financieel beter gaat dan dit jaar. Ik geloof niet meer in wonderen… ik reken er gewoon op.

Kerstgabber

Een kerstgabber

 

De wind joeg fel om het gezicht van Tim. Al fietsend bereikte hij het pad dat langs het bos voerde. Af en toe, daar waar de wind de sneeuw had op doen waaien, waren de bladeren te zien vanonder de dikke laag sneeuw. Tim was op weg naar zijn nichtje Sophie. Zij was ziek en woonde aan de andere kant van het Heijkerveld.

Af en toe was het best wel een beetje eng in het Heijkerveld. De wind joeg langs de bomen en over de heidevelden. De wind maakte een huilend geluid, net een jankende hond, dacht Tim. Het kostte hem moeite om in het juiste spoor over het zandpad te fietsen. In gedachten verzonken fietste Tim langs het weiland van boer Ter Velde. “Hé Tim!” hoorde hij roepen. Verschrikt keek hij op. “Oh, hallo meneer Van Vliet!” riep Tim terug. Daarna werd het weer stil en Tim reed onverdroten voort op weg naar Sophie. Het begon weer te sneeuwen, grote dikke vlokken dwarrelde op het pad neer. De laatste zichtbare bladeren verdwenen onder de sneeuwlaag. Nog maar drie dagen, dan is het kerst, dacht Tim. Maar wat moest hij Sophie nu voor de kerst geven. Hij had immers beloofd haar iets op kerstavond te komen brengen, vlak voordat hij met vader en moeder naar de kerstnachtdienst zou gaan. Hij moest er nog maar eens goed over nadenken, dacht hij. Een mooi cadeau voor zijn favoriete nichtje, tja, hoe zag dat er uit?

Eindelijk, na drie kwartier fietsen kwam de boerderij van tante Pien en oom Koos in zicht. Moe en bezweet zette Tim zijn fiets tegen het varkenshok. De varkens knorden onrustig door het gestommel van de fiets. Tante Pien had Tim al aan zien komen en stond hem op te wachten bij de deel. Ze keek verdrietig. Tim schrok ervan. “Er is toch niets ergs gebeurd?” vroeg Tim. Tante Pien barstte in tranen uit. Het ging niet goed met Sophietje, vertelde ze. De koorts was erger geworden. Als de koorts nog erger zou worden, moest Sophietje naar het ziekenhuis in de grote stad, wel 2 1/2 uur fietsen hier vandaan. “Je kunt niet lang blijven Tim, dat is te vermoeiend voor Sophietje. Kijk maar even om het hoekje, misschien is Sophietje wakker.” Tim schopte z’n klompen uit en ging stil de trap op naar Sophietjes kamer. Daar lag ze dan, bezweet en met rode wangetjes. Even opende Sophie haar ogen en er kwam een glimlach op haar gezicht toen ze Tim in de deuropening zag staan. Tante Pien pakte Tim bij de schouder en gebaarde dat hij moest gaan. Er brandde een traan in zijn ooghoek. Nu wist hij het zeker, hij moest het allermooiste cadeau van de hele wereld voor Sophietje zoeken, maar waar en wat?

Tante Pien stopte Tim nog een appel toe voor onderweg. “Als je meneer Van Vliet nog tegenkomt, zeg dan maar dat hij geen wild hoeft te brengen hoor. Oom Koos en ik zijn niet in zo’n kerststemming, snap je? Nou Tim, doe voorzichtig onderweg en als je op kerstavond nog langs wil komen mag dat best hoor.”

Tim pakte zijn fiets en sprong erop. Weer driekwartier fietsen door de sneeuw. Het begon al schemerig te worden en de frisse wind deed hem zijn sjaal nog steviger om zijn hals knopen. Voor de zekerheid trok hij zijn muts diep over z’n oren. Na twintig minuten fietsen zag hij meneer Van Vliet bij de houtwal staan. Hij had zijn Viszla Job bij hem. Beiden stonden te turen naar een schim in de verte. Het was geen ree, dat kon Tim wel zien. Meneer Van Vliet zag Tim aan komen rijden en maande Tim af te stappen. Nadat Tim was afgestapt, fluisterde meneer Van Vliet: “Zie je daar die hond staan? Ja, daar naast die bomenrij, bij dat konijnenhol!” “Ja.,” fluisterde Tim terug. “Ik zie die hond al een paar weken. ’t Is een jonge hond, dat zie je aan z’n bouw. Hij is vast zijn baas kwijtgeraakt en sterft bijna van de honger, maar hij laat zich niet benaderen.” “Wat is het voor een hond?” fluisterde Tim weer. “Ik kan het niet goed zien Tim, hij is zo beweeglijk,” antwoordde meneer Van Vliet al turend door zijn verrekijker. Tim zag nog net de hond half onder de grond verdwijnen na het graven in het hol. Even later stoof de hond als afgeschoten weg de begroeiing in. Tim fietste langzaam langs de plek waar hij de hond de struiken in zag rennen. Gespannen tuurde hij naar het struikgewas. Even dacht Tim dat hij de hond zag. Maar dat kon niet; de hond was zo ver weggerend. Maar… Ja, dat is wel die hond. Naast de boom zag Tim duidelijk een bruine hondenneus. Tim sprong van z’n fiets en liet de fiets met een plof vallen. Langzaam liep Tim in de richting van de hond. “Hé Tim, doe voorzichtig, misschien is hij wel vals!” riep meneer Van Vliet. “Wacht maar, ik kom wel naar je toe.” Nog voordat meneer Van Vliet bij Tim was, liep Tim dichter naar de hond toe. Voetje voor voetje kwam Tim dichterbij de hond. “Kom maar jongen, ik doe niks. Kom maar.” De hond had zijn korte staartje helemaal naar beneden. Tim zag de hond rillen van de kou. Steeds dichter kwam Tim bij de hond. Toen bleef Tim op ongeveer vijf meter van de hond staan, steeds zachtjes tegen hem pratend. De hond kwam een klein stukje naar Tim toelopen. Tim deed ook weer een stapje dichterbij. De hond begon voorzichtig te kwispelen en jankte zachtjes. Uiteindelijk kwam de hond langzaam naar Tim toe. Tim spreidde zijn armen, alsof het een begroeting was, en de hond kwam letterlijk in Tim zijn armen gelopen. Meneer Van Vliet stond op een afstandje met open mond te kijken. “Tim jongen, dat hem je mirakels goed gedaan joh!” zei hij. “Warempel Tim, ’t is nog een jachthond ook, een nog jonge Draadhaar. Kijk maar naar z’n vacht, nog niet helemaal volgroeid. Daarom heeft-ie het natuurlijk zo koud.” “Tim, had jij het laatst niet over een cadeautje voor Sophie? Dit lijkt me een prachtcadeau voor je nichtje,” zei meneer Van Vliet. “Hier, doe Job z’n lijn maar bij hem om.” Tim pakte de hondenriem aan en deed deze om de hals van de jonge Draadhaar.

Inmiddels was het bijna donker geworden. In de verte hoorde je de laatste kraaien vechten om een plekje in de bomen. Tim liep samen met meneer Van Vliet naar de boerderij van tante Pien en ome Koos. Z’n fiets zou meneer Van Vliet later wel thuisbrengen.

De maan scheen door de bomen, het was gestopt met sneeuwen en tevreden liepen Tim en meneer Van Vliet het erf op. Tim klopte op de deur bij de deel. Tante Pien deed open en keek de twee verbaasd aan. “Mijn beloofde cadeau voor Sophietje, tante,” zei Tim. “Nou Tim, misschien dat Sophietje hiervan snel beter wordt, ga maar gauw naar haar toe, ” zei ze. Tim snelde samen met de hond de trap op. Met een zwaai gooide hij de deur open. “Voor jou, Sophietje, je eigen hond.” De hond sprong met twee poten op het bed en likte uitbundig haar gezicht. Een brede glimlach verscheen op haar bleke gezicht. De hond zocht een plekje bij het voeteneind van het bed en weigerde er weg te gaan. “Nou, laat die twee maar,” zei tante Pien tegen Tim. Meneer Van Vliet bracht Tim met de auto naar huis.

Twee dagen later zag Tim oom Koos in de kerkbank zitten. Hij schoof naast oom Koos aan.“Sophie heeft hem Gabber genoemd, en… het gaat nu een stuk beter met haar,” zei hij. Gezamenlijk zongen zij het ‘Ere zij God’. En Tim? Tim zong het hardst van allemaal.

Kerst

24 december, kerstavond. Traditiegetrouw heb ik de kalkoen in de oven staan. De aardappelballetjes staan klaar om de frituur in te gaan. De broccoli zit ook al in de pan. De kalkoen is groot, té groot. Maar, vooruit, dan maak ik er eerste Kerstdag wel weer kalkoensalade van. Ook heel lekker.

Met veel sneeuw op de weg glibberen we naar de Kerstavonddienst van 21:30 uur. Vorig jaar was er een tienerkoor die de dienst op een wel heel speciale manier opluisterde. Jonge mensen van ongeveer 16 tot 20 jaar die met volle overtuiging hun geloof betuigdn. Toen het koor het nummer ‘When you believe’ van Whitney Houston en Mariah Carry inzette gebeurde er iets met mij. Kippenvel trok over mijn hele lijf. Een traan prikte in mijn ooghoek. Poeh, dat heb ik normaal niet zo gauw. Kennelijk wordt ik toch wat ouder, emotioneler. Niet veel later zong een meisje solo in het Hebreeuws, net als in de tekenfilm ‘Prince of Egypt’. Waanzinnig, zo ontzettend mooi.

Nu vanavond is er een koor waarvan de dirigent zo arrogant overkomt dat ik spontaan een antipathie tegen deze man krijg. En dat met Kerst. Op zijn teken begint de pianist te spelen. Op zijn teken mogen de koorleden op staan uit hun bank. Op zijn teken mogen de koorleden naar het podium lopen. Op zijn teken moeten zij hun map open doen en gaan zij zingen. Op zijn teken stoppen ze weer. Op zijn teken mogen ze naar hun bank. En op zijn teken mogen ze pas gaan zitten. Zouden ze ook op zijn teken een wind laten? Wat denkt die vent wel niet, dat hij onze Lieve Heer zelf is? Kwal, hork, stuk onbenul! Maar ik laat mijn kerstgevoel niet verpesten. Alle stenen in de muren, de kerstboom, de kerstballen, de kerstklokken, het orgel heb ik tijdens de dienst gezien. Alles heb ik bekeken om de dirigent maar niet te hoeven zien.

Na het zingen ‘Ere Zij God’ gaan we de kerk uit. Ná het zingen!

We glibberen naar onze auto. En een ieder stapt op mijn teken in, zoals het hoort. Het wegrijden gaat niet zo voorspoedig als gedacht. Het parkeervak is zo glad dat de wielen spinnen. Na enig heen en weer harken met de auto schiet de auto plotseling achteruit waarbij ik bijna twee bejaarde fossielen omver kegel. Leuk begin van de kerstdagen. Thuis wacht ons nog een glaasje eggnog. Besteld bij de kaasboer, die man weet wat lekker is. Had ie vanuit Engeland over laten komen. Mmmmmmm.

Tweede Kerstdag. Net als ik de hondenriemen pak pist Dibbes voor de tweede keer die ochtend de gang onder. Hij wordt oud, echt oud. Hij kan zijn plas niet zo lang meer ophouden. Trouwens, met korte periodes heeft hij ook al moeite. Mevrouw Brand gaat zo werken. Zelf ga ik nog even langs mijn dochter en schoonzoon. Mijn dochter had nog gevraagd om een fazant mee te brengen en schoonzoon wilde graag een gans en een eend. Doe ik gelijk even een bakkie bij hen. Onderweg naar hen hoor ik op de radio dat het gaat ijzelen. Sneeuw en ijzel zijn niet zo goed te combineren dus zal het wel spekglad worden. Maar toch moet ik vrouwlief bij het station afzetten en vanavond weer ophalen.

Wat vliegt Kerst voorbij. Eerst leef je er maanden naartoe, tenminste ik wel, en dan is het ook zo voorbij. Nog oud en nieuw vieren en dan val je altijd in zo’n gat. Van januari tot en met maart is het vaak alleen maar nat en koud. Ik kijk altijd uit naar het voorjaar waarbij de eerste zonnestralen mijn huid verwarmen. Tot die tijd leeft vrouwlief in een soort winterslaap. Dikke truien aan, warme sokken, sjaaltje om, zittend dicht naast de openhaard, af en toe een fleecedekentje om zich heen (het is zo koud). Thermostaat van de verwarming staat steevast niet lager dan 23 graden. Maar ja wat wil je, tropisch meisje hè.

Ik luister nu naar ‘Driving home for Christmas and see those pretty faces’. Die man blijft naar huis rijden. Al jaren!