Goede voornemens

De kerstdagen redelijk goed doorgekomen. Het gezin bijeen, mijn vader aanwezig in deze drukte. Wat genoot die man van alle gesprekken en het eten. Ja, ook daar hadden we aardig wat werk van gemaakt. Buikspek als een rollade gekruid en opgebonden en 8 uur langzaam in de oven laten garen. Glaasje lekkers erbij.

MijnLief was al grieperig, maar dat zette nu ineens meer door. Snotterend en proestend vergleden de dagen voor haar. Bij mij liet mijn rug mij in de steek en strompelend als een honderdjarige ‘ kroop’ ik door het huis. Met twee avonden niet kunnen praten sloot ik deze feestdagen af. En als ik die dagen een cijfer moet geven: een dikke acht. Simpelweg omdat mijn kinderen, mijn kleindochters en mijn vader genoten van het samenzijn.

Nu staat oud en nieuw op de stoep. Ik haal weer allerlei goede voornemens uit de kast; afvallen, rustmomenten, alleen maar doen wat ik leuk vind. Of zal ik eens lekker recalcitrant zijn en gewoon mijn baard en buik laten staan in het nieuwe jaar?

Advertenties

Leidingwerk

Even ter controle naar de huisarts. Routinecheck. Of ik nog even plaats wil nemen in de wachtruimte. Gedwee doe ik wat mij gevraagd word. In de wachtruimte zitten al een aantal mensen., 2 vrouwen, een man van in de 40 en tegenover mij zit nog een mollige, kleine man. Eind in de 80 schat ik. Aardige man. Zo zitten we allebei te wachten tot we de doktersruimte mogen betreden. Hij kijkt mij scherp aan en begint zomaar te vertellen: “Ach man het is wat. Ik heb last van mijn thermostaat. De dokter heeft gekeken. Ja joh, hij heeft mijn ster gevingerd en toen vertelde hij dat mijn thermostaat kapot was. Het kraantje beneden blijft steeds druppelen. Zo lastig… Ja joh, nu gebruik ik van die standaard onderbroeken van die pillendraaiers…. ’t Is net een luier…” Dan even niks, maar even later gaat hij onverdroten verder: “Bij die tikker is ook een klep kapot. Ja joh, het elastiekie van die klep is uitgerekt, nu sluit ie niet meer goed. Ik denk dat ie valse lucht trekt…. Ik heb er koorts van gehad, dus hup weer naar die kwakzalver. Kreeg ik zetpillen. Nou die had ik net zo goed in mijn reet kunnen douwen want die hielpen niet. Als het zo doorgaat dan geef ik de pijp aan ome Jan”. “Aan Maarten?” zei ik. “Aan wie?” vroeg de man. ik maakte een ‘laat-maar-beweging. “Mankeer jij ook wat?” Ik antwoord: “Welnee man, ik ben zo gezond als de ziekte”.

 

Ziek, zwak, misselijk en wat dies meer zij

Ik lig met sokken en een T-shirt aan in bed. Alles is stil en in diepe rust verzonken, totdat ik mijn typerende geluiden weer maak. Het is net of er een fietsband zachtjes, maar  piepend leegloopt. Mijn keel voelt aan alsof ik een bak zand op heb. Het is kwart over drie in de nacht. Als ik adem piept mijn keel. Mijn arm ligt half buitenboord en is verlamd omdat ik verkeerd heb gelegen. Mijn hand slaapt en bungelt, alsof die hartstikke dood is, uit het bed, maar ik kan niet meer slapen. Ik maak geluiden als een zeehond. Voor mijn gevoel kruipen er Mechelse mieren over mijn rug. Mijn neus loopt en mijn voeten ruiken. Huh? Kortom ik voel mij beroerd.

Voordat ik vrouwlief wakker blaf sluip ik stilletjes naar mijn pc-tje, dan doe ik toch wat nuttigs want slapen lukt niet meer. Ik lag maar te hoesten. Er droop zweet van mijn voorhoofd terwijl ik het koud had. Ik had koude handen en voeten, iets wat ik nooit heb.

Als ik ziek ben ga ik mij ook ziek gedragen. Zoals sokken en een T-shirt aan in bed. Normaal moet ik daar niet aan denken… veel te warm. Overdag een joggingbroek aan die zo lekker slobbert, zo één waar je nog niet dood in gevonden wil worden. Er is dan ook een speciaal ziektedrankje in huis: anijsmelk, gemaakt van gekookte melk met anijsblokjes. Alleen als ik ziek ben drink ik anijsmelk. Straks maar even kijken of de houdbaarheidsdatum voor de anijsblokjes nog goed zijn. Ze liggen er al jaren. Waarschijnlijk is de houdbaarheidsdatum allang overschreden. Misschien ben ik daarom wel zo ziek. Er moet ook weer fruit worden aangeschaft. Normaal houd ik wel van een stukje fruit, maar als ik ziek ben organiseer ik altijd een soort van fruitmand om mij heen. Kiwi’s, vanwege de grote hoeveelheden vitamine C, druiven, bananen doen het ook goed, alleen word je er volgens mij er alleen maar dik van, mango, het liefst erg rijp, maar ja, ik ben tenslotte ziek. Er is één groot nadeel: als ik ziek ben heb ik weinig trek. En als je dan wat fruit hebt gegeten ben je blij als dé ziekte-emmer weer naast je binnen handbereik staat.

We hebben ook een heus ziektekleedje in de huiskamer. Zo’n fleece dekentje. Eigenlijk ligt die altijd over de rugleuning van de bank gedrapeerd ter decoratie, maar als je ziek bent is het heerlijk om dat over je heen te trekken en er net je ogen bovenuit te laten steken. Bram, de Teckel ligt dan op het beste plekje van de fleece-deken: tussen mijn benen. O ja, Bram wordt voor je uitgelaten, jaha. Dus eigenlijk heeft ziek-zijn op het zieke gevoel en een thermometer in je ster na wel voordelen.

Soms als het heel erg is ga ik over op rigoureuze huismiddelen: een grog van een borrelglas cognac, het sap van een limoen, een schep honing en heet water erop. Smaakt dat dan? Welnee het is net of je een baarmoeder aan het oplurken bent, maar je zweet er als een tierelier van. Ik ben ervan overtuigd dat met het zweten ook de griepveroorzakers mee naar buiten komen. Tja, zo heb ik zelfs als ik ziek ben nog rituelen.

Doordat ik zo ziek ben komen er ook wel echt vieze verhalen bij mij boven borrelen. En ze zijn nog waar gebeurd ook. Voor het gemak noem ik de hoofdrolspelers van dit vieze verhaal Henk en Annie. Beide geboren en getogen in Rotterdam en beide gaan nogal ’kort door de bocht’ ten opzichte van elkaar.

Zo rond de kerstdagen werden er vakantieboeken bij het reisbureau gehaald om eens goed door te spitten. Waar zou de vakantie het komende jaar naar toe gaan. Henk is er uit. ”An, we gaan fliege”. ”Maar Henk, je weet toch dah knie tege fliege kan?” ”An, je set je dur maar oferheen, we gaan naar Me-jor-re-ka”. Annie heeft niets meer in te brengen. De reis gaat per vliegtuig naar Majorca. De vertrekdatum nadert en langzaam maar zeker wordt het Annie duidelijk dat ze echt niet terug kan. Ze gaat vliegen. Dagen van te voren is Annie zenuwachtig. Volgens Henk moet Annie maar wat flinker worden, ’t is tenslotte maar twee en een half uur vliegen dus waar zeurt Annie over. Eenmaal in het vliegtuig zitten Henk en Annie naast elkaar. Annie knijpt in de hand van Henk als het vliegtuig de startbaan oprolt. De motoren beginnen te gieren en de mensen worden in de stoel gedrukt door de snelheid van het vliegtuig. Annie zit met haar ogen dicht bij het raam, maar is te bang om naar buiten te kijken. ”An,  as ie toch nie wil kijke, la mij dur dan sitte”. En Annie wordt uit haar stoel gebonjourd. Na ongeveer een half uur zit het vliegtuig in wat turbulentie en het vliegtuig valt wat meters uit de lucht en zoeft daarna weer omhoog. Annie zit inmiddels al flink te boeren en wordt nog nerveuzer dan wat ze al is. ”Henk, kgeloof dak moe kokke”. ”Mens stel je nie an!” Henk begon zo langzamerhand toch echt moe te worden van al dit gezeur. ”Henk, kmoet soon sakkie hor. Henk toe dan, kmoe eg kokke. O God, een sakkie  ik mot kokke! Henk snel un sakkie”. Even later zit Annie met een hele volle mond en bolle wangen. Henk nog steeds druk aan het zoeken naar een kotszakje kijkt driftig naast de stoelen. In de stoel voor hem graait hij en ja, een kotszakje. Inmiddels slikt Annie een keer goed en zegt: ”La maar Henk ’t is al weg”.

Toen ik dit verhaal hoorde liepen de rillingen bij mij over mijn rug.

Als u nu nog niet misselijk bent, dan heb ik nog wel zo’n verhaal. Mijn broer ging een keer op een zondagmiddag naar de boulevard van Scheveningen. Even lekker uitwaaien. Na een flinke wandeling had hij het koud gekregen en was hongerig geworden. Er werd gekozen voor een patat met Bearnaisesaus. Een wittige, zachtgroene saus met dragon en kleine stukjes sjalotjes erin. Hij was er verzot op. Al dippend en snoepend liep hij verder, af en toe een meeuw een patatje toewerpend. Wederom werd er een patatje in de saus gedoopt en gulzig in de mond gestopt. Er was iets met de saus. De smaak klopte niet. Het was bitter. Het was te dun. De kleur was donkerder. Bah, het smaakte echt niet. Terwijl hij op het punt stond met zijn bakje patat naar de patatboer te gaan en verhaal te halen keek hij in zijn patatbakje. Terwijl hij de ene meeuw een patatje toewierp scheet een overvliegende meeuw over zijn patat. De stront zat zelfs op zijn mouw. 

Donders waar is de emmer?

Start van een nieuw jaar

Oudejaarsavond lag ik waterpas. Vrouw ziek, zelf ziek. Met waterogen en zweterig besloot mijn vrouw om half tien dat het niet meer ging, ze ging naar bed. Daar zit je dan. In je uppie op de bank stom voor je uit te kijken. Voor wie bleef ik eigenlijk wakker? Om het vuurwerk om twaalf uur te kunnen zien? Ik hoestte alsof ik jaren lang in een kolenmijn had gewerkt en dagelijks twee pakjes zware Van Nelle had gerookt. Het had wat weg van het blaffen van een zeehond met paringsdrift.

Kwart over tien gooide ook ik de handdoek in de ring. Ik kon het niet meer opbrengen om tot twaalf uur op te blijven.

Voorzichtig gleed ik onder de lakens waar ik werd verrast op een warmte alsof er een radiator van een racewagen in lag. Allemachtig dit was echt warm. Niet veel later was ik onder zeil.

Twaalf uur. Er was een knal alsof het huis van de buren ontplofte. Ik zat rechtop in bed en hoestte direct mijn longen onderste boven. Met als gevolg dat ik het gevoel had alsof ik een bak zand op had. Hoestend en proestend probeerde ik de slaap weer te vatten. Het lukte nog ook, ondanks de knallen.

Een paar dagen later, nog steeds beroerd, ontdek ik de onaangeroerde zak oliebollen. Spetterhard waren ze inmiddels. Ook voor Jan Noppie gekocht. Je kon er een raam mee ingooien.

Zonde eigenlijk. Ik ben best gek op oliebollen rond deze tijd van het jaar, maar spetterharde oliebollen is ook niks.

Na een paar dagen ben ik weer actief op mijn kantoor. Nog steeds wel hoestend, maar ik ben weer bezig. Diverse trainingen inplannen, afspraken maken, mensen bellen, kortom er is weer wat bedrijvigheid. Maar echt druk is het nog niet. Is eigenlijk altijd de eerste twee weken van januari zo.

Maar ik wil aan de gang, buffelen. Geld verdienen.

Ik weet dat het goed komt, maar altijd die stilte vooraf maakt mij altijd onrustig. Daar komt nog bij dat het weer van de afgelopen dagen echt troosteloos te noemen is. En, het vooruitzicht is dat dit nog wel een aantal dagen zo zal blijven. Enige verandering is dat het koud gaat worden.

Als ik dit zo teruglees zie ik somberheid. Ik ben duidelijk toe aan voorjaar of zomer, warm weer. Winter is lekker hoor, als het maar vriest en als er maar sneeuw ligt. Kortom, als het een echte winter is. Sleeen of schaatsen met koek en zopie. Dat zijn nog eens winters. Niet zo’n verkapte herfst met veel regen en donker weer.

Zomer, dat is wat ik wil. Gisteren ook weer geïnformeerd of we onze vakantie weer in Frankrijk door kunnen brengen. Gaat zeker lukken. Ik zie het nu al weer voor me: naar het bakkertje en mij verbazen over het vertrouwen wat mensen daar hebben. Werkelijk, in een bezoek heb ik mijn ogen uitgekeken. Er waren drie mensen voor mij en ik zie het volgende schouwspel: oude vrouw koopt twee stokbroden en een pain complet. Vervolgens slaat het bakkersvrouwtje het bedrag aan. De oude vrouw overhandigd haar portemonnee en het bakkersvrouwtje rommelt er wat geld uit en doet wisselgeld terug in de portemonne. De volgende klant besteld een stokbrood en begint een cheque uit te schrijven voor een bedrag van tachtig cent. De laatste klant wil drie stokbroden, vier croissants, wat merengues en iets voor bij de koffie of zo. Het bakkersvrouwtje slaat het bedrag aan en zonder te betalen groet de man en loopt de bakkerij uit. En toen was ik… Lekkere vooruitzichten.

Ziek, zwak en ook nog misselijk

Ik lig met sokken en een T-shirt aan in bed. Alles is stil en in diepe rust verzonken, totdat ik mijn typerende geluiden weer maak. Het is net of er een fietsband zachtjes, maar  piepend leegloopt. Mijn keel voelt aan alsof ik een bak zand op heb. Het is kwart over drie in de nacht. Als ik adem piept mijn keel. Mijn arm ligt half buitenboord en is verlamd omdat ik verkeerd heb gelegen. Mijn hand slaapt en bungelt, alsof die een eigen leven leidt, uit het bed, maar ik kan niet meer slapen. Ik maak geluiden als een zeehond. Voor mijn gevoel kruipen er Mechelse mieren over mijn rug. Mijn neus loopt en mijn voeten ruiken. Huh? Dan ben ik verkeerdom gebouwd. Kortom ik voel mij beroerd.

Voordat ik vrouwlief wakker blaf sluip ik stilletjes naar mijn pc-tje, dan doe ik toch wat nuttigs want slapen lukt niet meer.

Pasgeleden had ik een gesprek met Ernst Jan, een goede vriend. We keken naar gemeenschappelijke doelen die voor ons liggen. Sommige collega-ondernemers vinden dat raar. Dan zit je met je grootste concurrent om te tafel om gemeenschappelijke doelen te stellen. Tijdens het gesprek voelde ik al dat het de verkeerde kant met mij opging. Ik liep maar te hoesten. Er droop zweet van mijn voorhoofd terwijl ik het koud had. Ik had koude handen en voeten, iets wat ik nooit heb.

Als ik ziek ben ga ik mij ook ziek gedragen. Zoals sokken en een T-shirt aan in bed. Normaal moet ik daar niet aan denken… veel te warm. Overdag een joggingbroek aan die zo lekker slobbert, zo één waar je nog niet dood in gevonden wil worden. Er is dan ook een speciaal ziektedrankje in huis: anijsmelk, gemaakt van gekookte melk met anijsblokjes. Alleen als ik ziek ben drink ik anijsmelk. Straks maar even kijken of de houdbaarheidsdatum voor de anijsblokjes nog goed zijn. Ze liggen er al jaren. Waarschijnlijk is de houdbaarheidsdatum allang overschreden. Misschien ben ik daarom wel zo ziek. Er moet ook weer fruit worden aangeschaft. Normaal houd ik wel van een stukje fruit, maar als ik ziek ben organiseer ik altijd een soort van fruitmand om mij heen. Kiwi’s, vanwege de grote hoeveelheden vitamine C, druiven, bananen doen het ook goed, alleen word je er volgens mij er alleen maar dik van, mango, het liefst erg rijp, maar ja, ik ben tenslotte ziek. Er is één groot nadeel: als ik ziek ben heb ik weinig trek. En als je dan wat fruit hebt gegeten ben je blij als dé ziekte-emmer weer naast je binnen handbereik staat.

We hebben ook een heus ziektekleedje in de huiskamer. Zo’n fleece dekentje. Eigenlijk ligt die altijd over de rugleuning van de bank gedrapeerd ter decoratie, maar als je ziek bent is het heerlijk om dat over je heen te trekken en er net je ogen bovenuit te laten steken. Bram, de Teckel ligt dan op het beste plekje van de fleece-deken: tussen mijn benen. Dibbes, de Duitse Staande Draadhaar, ligt voor de bank, want de baas zal hem toch ooit wel eens een keertje op de bank vragen? Nou, echt niet. Hij is veel te groot om op de bank te liggen. O ja, de honden worden voor je uitgelaten, jaha. Dus eigenlijk heeft ziek-zijn op het zieke gevoel en een thermometer in je ster na wel voordelen.

Soms als het heel erg is ga ik over op rigoureuze huismiddelen: een grog van een borrelglas cognac, het sap van een limoen, een schep honing en heet water erop. Smaakt dat dan? Welnee het is net of je een baarmoeder aan het oplurken bent, maar je zweet er als een tierelier van. Ik ben ervan overtuigd dat met het zweten ook de griepveroorzakers mee naar buiten komen. Tja, zo heb ik zelfs als ik ziek ben nog rituelen.

Doordat ik zo ziek ben komen er ook wel echt vieze verhalen bij mij boven borrelen. En ze zijn nog waar gebeurd ook.

Voor het gemak noem ik de hoofdrolspelers van dit vieze verhaal Henk en Annie. Beide geboren en getogen in Rotterdam en beide gaan nogal ’kort door de bocht’ ten opzichte van elkaar.

Zo rond de kerstdagen werden er vakantieboeken bij het reisbureau gehaald om eens goed door te spitten. Waar zou de vakantie het komende jaar naar toe gaan. Henk is er uit. ”An, we gaan fliege”. ”Maar Henk, je weet toch dah knie tege fliege kan?” ”An, je set je dur maar oferheen, we gaan naar Me-jor-re-ka”. Annie heeft niets meer in te brengen. De reis gaat per vliegtuig naar Majorca. De vertrekdatum nadert en langzaam maar zeker wordt het Annie duidelijk dat ze echt niet terug kan. Ze gaat vliegen. Dagen van te voren is Annie zenuwachtig. Volgens Henk moet Annie maar wat flinker worden, ’t is tenslotte maar twee en een half uur vliegen dus waar zeurt Annie over. Eenmaal in het vliegtuig zitten Henk en Annie naast elkaar. Annie knijpt in de hand van Henk als het vliegtuig de startbaan oprolt. De motoren beginnen te gieren en de mensen worden in de stoel gedrukt door de snelheid van het vliegtuig. Annie zit met haar ogen dicht bij het raam, maar is te bang om naar buiten te kijken. ”An,  as ie toch nie wil kijke, la mij dur dan sitte”. En Annie wordt uit haar stoel gebonjourd. Na ongeveer een half uur zit het vliegtuig in wat turbulentie en het vliegtuig valt wat meters uit de lucht en zoeft daarna weer omhoog. Annie zit inmiddels al flink te boeren en wordt nog nerveuzer dan wat ze al is. ”Henk, kgeloof dak moe kokke”. ”Mens stel je nie an!” Henk begon zo langzamerhand toch echt moe te worden van al dit gezeur. ”Henk, kmoet soon sakkie hor. Henk toe dan, kmoe eg kokke. O God, een sakkie  ik mot kokke! Henk snel un sakkie”. Even later zit Annie met een hele volle mond en bolle wangen. Henk nog steeds druk aan het zoeken naar een kotszakje kijkt driftig naast de stoelen. In de stoel voor hem graait hij en ja, een kotszakje. Inmiddels slikt Annie een keer goed en zegt: ”La maar Henk ’t is al weg”.

Toen ik dit verhaal hoorde liepen de rillingen bij mij over mijn rug.

Als u nu nog niet misselijk bent, dan heb ik nog wel zo’n verhaal. Mijn broer ging een keer op een zondagmiddag naar de boulevard van Scheveningen. Even lekker uitwaaien. Na een flinke wandeling had hij het koud gekregen en was hongerig geworden. Er werd gekozen voor een patat met Bearnaisesaus. Een wittige, zachtgroene saus met dragon en kleine stukjes sjalotjes erin. Hij was er verzot op. Al dippend en snoepend liep hij verder, af en toe een meeuw een patatje toewerpend. Wederom werd er een patatje in de saus gedoopt en gulzig in de mond gestopt. Er was iets met de saus. De smaak klopte niet. Het was bitter. Het was te dun. De kleur was donkerder. Bah, het smaakte echt niet. Terwijl hij op het punt stond met zijn bakje patat naar de patatboer te gaan en verhaal te halen keek hij in zijn patatbakje. Terwijl hij de ene meeuw een patatje toewierp scheet een overvliegende meeuw over zijn patat. De stront zat zelfs op zijn mouw. 

Een ongelukje

Een leuke dag in het vooruitzicht; de trouwdag van haar beste vriendin. Weken vooraf was er al de voorpret met het kopen van een nette jurk, nieuwe schoenen en een bijpassende tas. Manlief mocht, nee moest, met regelmaat mee naar Utrecht, Breda en Rotterdam om juist die outfit te vinden. Heerlijk die dagen.

Je zal het altijd zien, mannen bederven de leuke dag altijd door uitgerekend nu ziek te zijn. Manlief zag er niet bepaald fris en fruitig uit. Hij klaagde al een aantal dagen over misselijkheid en pijn in zijn buik. Maar ja, als een beste vriendin  trouwt  kun je niet wegblijven op deze speciale dag. De gehele dag kon manlief zich ‘groot’ houden maar tijdens de receptie kon hij het na een kop koffie niet meer houden en gebeurde het onvermijdelijke. Zijn buik borrelde en rommelde dat het een lieve lust was. Hij fluisterde zijn vrouw in het oor dat hij met spoed naar het toilet moest, want dit was echt niet normaal. Vlak voor het toilet liep de stront hem letterlijk de broek in. Alsof er een euro in zijn naad zat schuifelde hij het toilethokje in. Tja wat doe je dan? Hij trok zijn broek uit en met veel omhaal werd de onderbroek tussen duim en wijsvinger van de billen gepeld.  Zorgvuldig werden de billen met water uit de toiletpot gewassen. Met toiletpapier droogde hij zijn billen zo goed en zo kwaad als het maar kon af. Maar wat doe je met zo’n niet zo’n witte onderbroek? De onderbroek werd na het doortrekken van het toilet omslachtig en met veel omhaal in de wasbak ‘schoongeflodderd’, drooggewrongen en in handdoekpapier gewikkeld. Met de onderbroek tot een zo klein mogelijk propje gevouwen bereikte hij de tafel waar hij met zijn vrouw bij een aantal vrienden en familieleden van de bruid waren aangeschoven. Omzichtig deed hij de onderbroek in de tas van zijn vrouw.

De buikpijn bleef. Hij zweette dat het een lieve lust was. Doorgaan met deze avond was onmogelijk. Je vrouw vertellen om nu weg te gaan was eigenlijk ook onmogelijk. Hij maakte zijn vrouw erop attent dat het zo echt niet langer ging. Hij wilde, nee hij moest nu echt naar huis. Als een oude man schuifelde hij achter zijn vrouw aan. Samen groetten zij het bruidspaar en verontschuldigden zich voor hun vroege vertrek. Ze liepen richting parkeerplaats waar de auto stond. Tijdens de autorit vertelde de man wat hem overkomen was. Verbaasd vroeg de vrouw waar hij dan zijn onderbroek gelaten had. ”Bij jou in je tas” antwoordde de man. “Maar lieverd, ik heb helemaal geen tas bij mij vandaag”; antwoordde ze verbaasd.

Tja dit soort verhalen, daar mogen ze mij voor wakker maken. Heerlijk.

Verfrommeld

Het is weer zo ver. Met pijn in mijn harses word ik wakker. Ik heb een smaak in mijn mond alsof ik net een baarmoeder op heb. Rillerig en met een kop als een Sharpei sta ik voor de spiegel mijn tanden te poetsen. Ik doe geen eens moeite om mij nog te scheren. Alles doet zeer en mijn gezicht is verfrommeld door het constante draaien op mijn kussen. De slaap kon ik niet vatten. Er zit een flinke griep aan te komen, ik voel het. Mijn gewrichten doen zeer. Mijn neus loopt, mijn voeten ruiken, ik heb een gloeihoofd en weinig tot geen eetlust. En dat is uitzonderlijk, geen eetlust!

Met mijn ziektekleedje kruip ik op de bank en trek het kleedje tot strak onder mijn kin. Bram, de ruwhaar Teckel, ziet dit en springt direct op de bank en kruipt in mijn knieholten. Even flink duwen en het plekje is zeker gesteld.

Mevrouw Brand heeft mij verwend, ze heeft een Leven in Frankrijk en een Landleven voor mij gekocht. Dan heb ik wat afleiding. Goh, wat voel ik mij beroerd.

Af en toe staar ik uit het raam en zie de vogels snoepen van de cake en de pindanetjes. Vorig jaar heb ik de goedkoopste pot pindakaas gekocht en die horizontaal met de deksel eraf in de boom gehangen. Aan het einde van de winter was er de helft door de mezen uitgegeten.

Er zit hier werkelijk van alles. De staartmeesjes vliegen in een groepje van acht. Er zijn kool- en pimpelmezen, mussen, een roodborstje, wat merels, een winterkoninkje, een paar houtduiven, een koppeltje tortelduiven, twee eksters en af en toe een Vlaamse gaai. O ja, zelfs een keer een torenvalk. Hiervan schrokken de mussen zo erg dat zij ineens allemaal rond de stam van de kronkelhazelaar in de boom vluchtte. De torenvalk kon hierin niet doordringen dus waren ze voor dat ogenblik veilig. Het enige wat we hier niet meer zien zijn spreeuwen. Raar eigenlijk, die zag je vroeger altijd overal scharrelen.

Door een bonkend hoofd word ik weer op mij zelf teruggeworpen. Terug bij mijn griep of wat er voor door moet gaan. De kokneigingen kan ik nog net onderdrukken, hoewel… ik moet nu echt rennen naar het toilet om iets wat op kippensoep-met-bonkies lijkt weg te brengen. Mijn hemel wat voel ik mij beroerd. Na het wegbrengen van mijn ‘bonkies’  neem ik mijn positie op de bank weer in. Bram doet hetzelfde. Met de nieuwe afstandbediening van de televisie, we hebben net internet-en-bellen-en-televisie-in-één-pakket-want-dat-is-veel-sneller-en-goedkoper aangeschaft zap ik wat. 7324 zenders hebben we nu, wellicht iets minder, maar in mijn ogen veel. Zonder naar een specifieke zender op zoek te zijn besluit ik te gaan kanaalzwemmen van zender naar zender. Niets boeit mij, totdat ik stuit op een zender met ‘natuurfilms’ waarbij mannen en vrouwen kunstjes doen waarvan ik niet wist dat het in die posities mogelijk was om de oefeningen zo goed uit te voeren. Knap. De hoofdpijn verdwijnt, de kokneigingen zijn weg, ik ben gefocust op de natuurfilm. Maar nee, ook daar kan ik mij niet op concentreren. Flauw word ik ervan. Ik besluit een grog te maken van een bel cognac, honing, citroen en heet water. Niet te pruimen, je kunt net zo goed gootsteenontstopper drinken, maar je gaat er geheid flink van zweten.

Na tien uur ’s avonds heeft mevrouw Brand het zwaar om mij naar bed te brengen. Na een half uur draaien drijf ik zachtjes het bed uit. Het touw aan het bed voorkomt dat ik verder afdrijf. Ik voel mij zo slecht. En van slapen zal ook wel weer niks komen.

Ik ben echt zielig. Maar ach, het leven is net ganzenborden, je moet alleen zorgen dat je niet te lang in de put blijft zitten.