Rumah kecil (kleinste kamertje)

33 graden, onderweg op Java van Jogjakarta naar Batu met de trein. Na eerst al een treinreis gemaakt te hebben met een TGV-achtige trein, maar dan een soort GST (Gemiddelde Snelheids Trein), waren we met een wat meer, zeg maar lokale trein onderweg. Alles was ook wat meer ummm… vintage, of eigenlijk gewoon oud. Het boemelde wel lekker. Wat opviel waren de enorme hoeveelheden fruitbomen langs de spoorlijn. Jackfruit, Durian (lijkenvrucht), mango’s en bananenbomen in allerlei soorten en maten. Zelfs roze bananen hebben we gezien en dat terwijl ik niet eens dronken was. Het landschap was fabelachtig mooi. Dessa’s en palmbomen wisselden af met de zojuist genoemde fruitbomen.

Na een paar uur boemelen kreeg ik een ‘melding’ dat ik toch echt even een stevige plas moest doen. Als je het idee hebt dat als je voorover buigt het water je in de mond loopt omdat er zo’n druk op je blaas staat, dan kan ik je verzekeren dat de nood hoog was. Bij het toilet aangekomen zie ik een deur ter breedte van een schoenendoos. Ik kijk naar de afbeelding op de deur en het blijkt toch echt de rumah kecil, het toilet te zijn. Ik open de deur en zie door de deuropening een volmaakt gat in de treinvloer en een ruimte waarin je naast elkaar best zou kunnen simultaanpissen. De deur echter geeft alleen toegang tot mensen ter grootte van een kabouter met puntmuts en hengeltje. En, ik moest echt heeeeel nodig. Ik probeerde in de breedte door de deur te gaan, lukte niet. Dan maar gewoon voorwaarts zoals elk ‘normaal’ mens, kansloos. Ik moest en zou pissen. Man man, ik zou het zand tussen de stoeptegels vandaan kunnen pissen zoveel druk stond erop. Ik ga echt naar binnen, koste wat het kost; dacht ik nog. Met een soort van kleine aanloop perste ik mij met geweld door de deur. Volgens mij had het met een schoenlepel sneller gekund.

Na een opluchtende plas stond ik voor het volgende dilemma: ER WEER UIT. Een aanloopje ging niet. Ik zette maar af tegen de achterwand van het toilet en wrong mij met geweld en veel gekreun eruit. Een Indonesische vrouw zo groot als een barkruk stond al aan de andere kant van de deur te wachten tot zij toegang tot de rumah kecil kreeg. Zij wandelde zo naar binnen… Selamat pagi; zei ik nog. Mij werd geen blik waardig gegund, waarschijnlijk omdat de deur niet zo makkelijk meer sloot. Ik weet ook niet waarom.

Advertenties

De pisstop

De vakantie is echt voorbij. De deur is op slot gedraaid. De laatste tas stapel ik op de andere bagage en sluit de deur van de auto. De sleutels van onze vakantiewoning breng ik naar Stephane, de buurman, en gooi ik zoals afgesproken door de brievenbus. Voor de laatste maal kijken we nog even naar dit idyllische plekje. Ik start de motor en draai de auto vanuit het grasveldje de weg op. Binnendoor rijden we nog een tijdje door dorpjes en weggetjes met aan weerszijden uitgestrekte zonnebloemvelden en wijngaarden. Dat vind ik altijd prettiger dan direct over de snelweg. Zo zijn we nog net even wat langer in Frankrijk.

Inmiddels rijd ik nu al een paar honderd kilometer huiswaarts. Op de radio schalt Virginradio door de speakers en af en toe zing ik mee. Het wordt tijd om nu toch echt even de benen te strekken. Langs de zijkant van de weg doemt er een bord met ‘Aire de huppelepup’ op. Ik besluit deze te volgen. Even een broodje, even wat drinken, even de benen bewegen en even een plas doen. Aan de rand van de aire is er een parkeerplaats vrij. De auto draai ik het parkeervak binnen. De radio en de navigatie zet ik even uit.
Met de hond loop ik langs de heggetjes en over het gras. Hij pist of zijn leven er van af hangt. Er staat zoveel druk op dat ik elk moment verwacht dat een stronk uit de heg omvalt. Het werkt aanstekelijk, nu moet ik zelf ook. De hond doe ik weer in de auto, ik sluit de deur en loop langzaam naar het tankstation annex verkooppunt van etenswaren. Van uit de verte zie ik al de bordjes met de richting naar de toiletten. Het is er druk. De enige vrije urinoir is voor mij. Ik zip mijn rits naar beneden en sta in de plashouding… Naast mij staat een vlotte kerel van ik schat, een jaar of veertig. Een Vlaming, dat hoor ik aan zijn praten. Maar tegen wie praat hij? “Ach, kom aan nou!… Schiet op dan!… Doe het!… Toe dan manneke!… Ah…ja. JA!” En het water klettert in de pisbak. Voor allebei luchtte het op. Ik was mijn handen en vraag mij oprecht af, zou de pielemoos van deze man ook uit zijn hand eten?

Gezeik

Nog een paar weekjes dan is het weer zo ver. Dan zijn wij weer aan de beurt. Heerlijk richting Frankrijk, wederom naar de Loirestreek. We konden de troglodyt, de grotwoning weer huren. Wat een heerlijke omgeving. Rust, ruimte en een goede temperatuur. Toch mis ik het witte huis op de heuvel in Alette (Noord-Frankrijk) wel. We zaten er lekker dicht bij het strand, ongeveer 20 minuten rijden, en dicht bij het bos. In La Bournee is de omgeving prachtig en de temperatuur is er wat hoger. Alleen het strand van La Sable ‘d Olonne is toch nog 2 a 2 1/2 uur rijden. Maar goed, dat is voor ons ook geen probleem. Wel zijn er in de Loirestreek meer kastelen. Elk gerenommeerd dorp lijkt een kasteel te hebben. En niet te vergeten, de wijn. Overal vind je wijnvelden. Namen als D’Anjou en Chinon zijn toch wel bekende ‘merken’ in deze streek. Ja, ik zie er weer naar uit. Aan Frankrijk heb ik veel goede herinneringen.

Moet ik ineens aan denken: een paar jaar geleden op het punt van vertrek uit Ile D’Oleron, een eiland  voor de westkust van Frankrijk, besluiten we nog even naar de hypermarché (enorme supermarkt) te gaan om voor de lange terugreis croissants en ander Frans proviand in te slaan. Met een tas vol boodschappen besluit ik om toch nog even te gaan plassen. Een vader komt met zijn zoontje de toiletten binnen. Nederlanders. Hoe oud zo het manneke zijn geweest, vijf, zes jaar? Aan de hand van zijn vader loopt hij naar een urinoir, zo’n lage. Het manneke gaat op zijn tenen staan en het plassen neemt een aanvang. Alsof er 6 Bar druk op staat pist het ventje zo wat het glazuur van de pot. “Zo, moest je nodig?”; vraagt de vader. “Nou zeker!”; zegt het manneke. Als het manneke de deur open wil maken roept de vader hem toch even tot de orde: “Na het plassen altijd…?” “Handen wassen!”; vult het ventje aan. En na het handen wassen lopen ze de deur uit. “MAMAAAA…”; hoor ik nog roepen.

Na twee weken is mijn Frans weer wat opgekrikt, dus ik ben niet bang voor een conversatie. Ook niet met een Fransman in het toilet. Staand voor een pisbak komt er een Fransman naast mij staan. Met de schaamschotten tussen ons in hoor ik de man zijn gulp openzippen. Een geweldige kreun en prompt houdt de man met beide handen de schaamschotten aan weerskanten van hem vast. ‘Hangt die vent hem in het water of zo’ denk ik nog. Het geluid wat ik hoor is alsof er een volle emmer water in een volle badkuip wordt gestort. Laten we zeggen dat het aardig plonst. De man begint in voor mij onbegrijpelijk Frans te lullen: ”C’est une vache qui ri. Avec fromage de champignon. Oui! Avec grote blote poten. Et une pomme du beurre tussen de benen. Non, un frikadel avec mayonaise hangt daar tussen. Oui. Et un punaise de messing dans la batterie. Le maire est un cheval. Mais non, la fille c’est un garçon avec un zonnebril. C’est un homofile ou une travestiet. Oui, oui! Sur ile D’Oleron. Avec un cognac de Remi Martin. Et une maillot de baigne pour le zwembad. O la la!” Ik kan er werkelijk geen touw aan vast knopen. In de boeken van Peter Mayle, een naar Frankrijk geëmigreerde Engelsman, en van Ilja Gort, de Nederlandse reclameman die een wijnchateaux in de buurt van Bordeaux heeft, had ik gelezen dat als je maar af en toe binnensmonds gromt zo van: ”Bwahhh” en af en toe ”Oui” zegt en daarbij je schouders ophaalt dat het goed komt. Dus terwijl de Fransman maar doorratelt zeg ik met tussenpozen een soort binnensmondse oerkreet: ”Bwahhh… Ici?… Oui!” Nadat ik dit gezegd heb ziet de man dat ik hem ‘begrijp’. Ik voel kennelijk met hem mee. Eindelijk iemand die naar hem luistert! Omdat ik echt ben uitgeplast loop ik naar de wasbak, was mijn handen en groet de man. Mijn vrouw stond al een tijdje op mij te wachten en zei: ”Nou, dat duurde lang.” ”Tja” zei ik. ”Met een Fransman gesproken.” ”Wat zei hij dan?” wilde ze weten. ”Geen idee. Ik heb er geen woord van verstaan.”

Plassen

Het is donker buiten. Bram, de Teckel, zeurt. Hij moet naar buiten. Dibbes, de oude Draadhaar, neemt het gedrag van Bram over. Nu heb ik twee zeurende honden. De avondlucht is kil. Ik wil nog niet, want ik zit net in een spannende film. De reclameboodschappen zullen over tien minuten wel weer voorbij komen. Om in deze periode de honden uit te laten, dat ga ik niet halen, dat merk ik nu al.
Als ik mijn schoenen aantrek worden de honden onrustig. Ik open de deur naar de gang. De honden schieten langs mij heen en zitten al bij de voordeur voordat ik nog maar één voet in de gang heb gezet. Hun lijnen pak ik van de lijnenkapstok en doe die bij de honden om. Langzaam open ik de voordeur. Nou Bram gaat dat niet snel genoeg en wurmt zijn snoet tussen de kier en probeert met zijn kop de deur al verder te openen. Als ik laat merken dat ik daar niet van gediend ben gaat hij netjes zitten tot hij het commando krijgt om netjes te volgen.
Daar lopen we dan, langs de groenstroken en heggen. Bram maakt aanstalten om een zeer grote plas te doen. Hij blijft bij elk graspolletje staan, ruikt, ruikt nog eens, nee geen goede pol, geen perfect aroma, kortom er wordt niet gepist. Dibbes, ook al een daagje ouder, maakt het allemaal niets uit en maakt een plas waarop een volwassen vent komende vanuit de kroeg na flink doorhalen jaloers zou zijn. Hij loopt werkelijk leeg. Wel drie minuten staat ie onafgebroken te pissen. Bram maakt aanstalten om ook een flinke plas te doen, maar ook deze heeft niet de juiste odeur om zijn verfijnde geur te krijgen. Vier meter verder blijkt het een goede graspol te zijn, juiste hoogte, juiste geur. Bram draait om de graspol heen. Hij snuffelt, en nog eens, en nog eens. Ja, daar komt het… en Bram deponeert zorgvuldig welgeteld drie druppels op de pol.
Even overweeg ik, zoals gewassen sla in een theedoek drooggezwierd wordt, Bram op die manier van zijn ‘druk’ af te helpen. Het is toch donker, geen mens die het ziet. Lijn wat korter vasthouden. Even aanzetten en hond hoog boven mijn hoofd rondslingeren. Echt ik zit op het randje hè, om het toe te passen. Iets weerhoud mij toch ervan dit te doen.
Dibbes kan het werkelijk helemaal niets schelen, hij sluit zijn ogen half en gaat met het achterwerk naar beneden alwaar hij met veel gekreun en gebrom bijna Bram op zijn kop schijt.
Als Bram na tien meter verder te hebben gelopen hetzelfde ritueel herhaalt als wat ik net schreef, ben ik het zat. Met ferme stappen laat ik de honden volgen. Dibbes heeft er wel lol in, die houdt wel van snel. Bram daarentegen vindt het duidelijk niks en wil nu echt plassen. Als ik dan zeg: “En nou plassen…, schiet op!” gebeurd het wonderlijke, Bram begrijpt mij ineens helemaal. Hij gaat staan, de achterpoot gaat omhoog en pist met zes Bar druk de sprieten volledig van de graspol. Zo dat is nog eens pissen. Op de terugweg naar huis wordt wel elke paal, elk hegje, elk muurtje uitbundig besnuffeld. Zou hij… maar nee, de druk is er volledig af. We kunnen met gerust hart weer naar binnen. Zucht. Nog even de voetjes op tafel en een beetje hangen voor het slapengaan.