Weidelijkheid

Bijna de opening van het jachtseizoen. Ik ben al weer licht gespannen voor de uitnodigingen: of die komen en wanneer die komen. Een heerlijke tijd vind ik het. Ik ontmoet weer oude bekenden en nieuwe mensen waaronder boeren, burgers en buitenlui. De kou, de koffie ’s morgens vroeg, de driften, de nazit (vaak met snert en roggebrood met spek), het maakt mij wat melancholiek. Dan denk ik terug aan mijn eerste uitnodigingen als drijver en hondenman en aan mijn eerste uitnodiging als geweer. Mooie herinneringen, met af en toe een herinnering aan een jachtuitnodiging waar ik hele grote vraagtekens met uitroeptekens er achter zet. Ik zal twee voorvallen beschrijven waarbij ik vind dat deze manier van jagen beslist niet kan.

Het gebeurt niet vaak, maar af en toe kom ik mensen tegen…  Ze stinken naar putlucht en een zure lucht van zweet en drank. En ook na het jagen, tijdens de nazit, kan ik mij verbazen over het feit dat dit soort figuren nog rechtop kunnen zitten. Laat staan dat ze tijdens de jacht nog iets geraakt hebben. Een paar jaar geleden kreeg ik de uitnodiging om in de polder te komen jagen. Een groep van dertig jagers verzamelde zich rond de afgesproken boerderij. Een ieder van de geweren kreeg een post toegewezen en ging te voet naar de afgesproken plek toe. De eerste drift werd aangeblazen. Al snel hoorde ik de eerste schoten. Aan het einde van deze drift werd het tableau neergelegd. Een enkeling toonde geen enkel respect voor het geschoten wild door het wild op de juiste plek in het tableau te gooien en/of over het uitgelegde wild te stappen. Uit respect loop je om het tableau heen, maar dat terzijde. Na het leggen van het tableau werd er in het veld koffie geschonken en direct er achteraan kwamen de flessen Jagermeister. En het was nog geen half tien in de ochtend toen de plastic bekertjes soms tot de rand met Jagermeister gevuld werden. Zoiets kan niet vind ik. Met drank op een geweer hanteren is bij mij uit den boze. Zoals de Fransen zouden zeggen: ‘Je ne suis pas van lotje hè’.

De nazit was in een dorpscafeetje. Daar zat ook zo’n jager die in het veld al de nodige borrels had genuttigd. Hij zat gewoon opgebaard op de barkruk. En dat rijdt gewoon met de auto naar huis. Het zou mij niks verbazen als je een aantal dagen later in de krant zou kunnen lezen dat zo’n  iemand met een tuintje op zijn buik naast de kerk ligt. Gelukkig is dit geen regel, maar een uitzondering is het ook weer niet.

Laat ik een ander voorval beschrijven. Het is herfst. Winderig, een heel gure wind blaast over de akkers. Om en nabij de 13 graden. Al heel vroeg in de ochtend kwam ik  bij de boerderij in de polder aan waar die dag gejaagd zou worden. Een ieder werd hartelijk ontvangen met koffie en ontbijtkoek. Na de koffie legde de jagermeester de veiligheidsregels uit en wat die dag vrij zou zijn om op te jagen: fazantenhanen, konijnen, eenden, de man 2 hazen en houtduiven. Duidelijk lijkt mij zo. Na de uitleg werden de posten uitgezet en de drijvers naar hun startposities gebracht. Een oude man van ver in de tachtig kreeg een plekje toegewezen bij een dammetje. Een krukje werd voor de man uitgeklapt. De mannen begeleide de oude man uit de auto en brachten hem naar zijn krukje. Een man liep terug om de oude man’s geweer te halen en bracht hem zijn geweer. Zelf kreeg ik een post naast de oude man ongeveer 60 meter bij hem vandaan. Het duurde even maar in de verte kwamen de drijvers toch luid roepend en kloppend met een stok op de grond aangelopen. Een eerste schot viel. Niet veel later nog een schot maar nu kwam het geluid meer van rechts. Inmiddels waren de drijvers op 60 meter van de posten genaderd. Hier en daar ging er een eend op uit de afwateringsslootjes. Inmiddels waren de drijvers binnen de 30 meter gekomen. Er ging een haas op, recht op de hoogbejaarde jager af. Hij richtte, ik riep nog niet te schieten vanwege de onveilige situatie, en hij drukte af. Het haas ging over de bol en tegelijkertijd dook een drijver ineen. De drijver kreeg een lading hagel vol in zijn murf. De verwondingen vielen mee, maar dit had nooit mogen gebeuren. De oude jager is zijn geweer afgenomen. Op advies van zijn zoon heeft hij zijn geweren bij de politie ingeleverd in afwachting van verkoop ervan. Zijn jachtakte heeft de oude jager niet meer laten verlengen. En terecht. Gelukkig zijn de jagermeesters tegenwoordig strenger. Kan helemaal geen kwad.

 

 

Herrie op een chateau

Daar hang ik dan, in een comfortabele stoel bij de vakantiewoning. Gevloerd na een geweldig mooi kasteelbezoek, sippend aan mijn nieuw gevonden wijntje. Een rosé van Syrah/Grenache/Carignan. Zo’n droomwijn, of eigenlijk een wegdroomwijn. En zo passeert de dag nog een keer. Een lome dag.

In de Loirestreek lijkt het of op elke hoek van de straat van een dorp er een kasteel uit de grond gestampt is. Dus keuze te over om er eentje uit te pikken die inspirerend genoeg voor ons is. Thuis had ik al een aantal kastelen in mijn boekje over de Loirestreek opgezocht. De vorm en uitstraling van het kasteel van Ussé is in de middeleeuwen de inspiratiebron van een schrijver geweest om het sprookje Doornroosje te schrijven. Het boekje vertelde over de te bezoeken orangerie, de zadelkamers, de wijnkelders en de vertrekken van het kasteel zelf. Inspirerend genoeg voor ons dacht ik. Zo zetten we koers naar het dorpje Ussé. Niet over de snelweg, maar gewoon met de auto zoveel mogelijk binnendoor rijdend langs de Loire en de omgeving.dscn2342

Bij aankomst blijkt dat meerdere mensen het zelfde idee hadden als wij, maar wat dondert dat, we zijn er nu toch. Allereerst bekijken we het kasteel van de binnenkant. Binnen zijn de vertrekken nog steeds ingericht zoals in de periode rond 1850. Indrukwekkend. Zelfs de rommelzolder was te bezoeken. Boeiend, maar ik heb altijd meer oog voor de keuken, de orangerie, de tuinen, de zadelkamer, de stallen, de rijtuigenstalling, de kapel en de caves. Na de kasteelvertrekken bekijken we overige bezienswaardigheden van het domein in de hiervoor beschreven volgorde. Alles prachtig onderhouden.

Na een paar uur ronddwalen op het domein zegt de natuur mij dat ik even een plas op de plaats moet maken. Zoiets doe je hier niet letterlijk, dus ga ik driftig op zoek naar een toilet. In de buurt van de caves, daar waar de wijnvaten in een uit de kalksteenrotsen uitgehouwen grot liggen opgeslagen zie ik een bordje met een pijl en de tekst ‘toilet’. Ik volg de bewegwijzering en kom terecht bij een soort halve metalen schaftkeet. Als ik de deur open zijn er twee toiletten. De ene staat op rood, bezet. Dus neem ik het toilet wat vrij is. Buiten was de temperatuur 37 graden. Een metalen gebouwtje…. juist, het was heet binnen. In het toilet zitten wanden, maar deze wanden lopen niet tot het plafond maar zijn vanaf het plafond open. Tussen plafond en wand zit ongeveer 75 centimeter. In het toilet naast mij klinkt gegrom. Kennelijk heeft mijn buurman grote problemen, alsof hij een kind aan het baren is, zo klinkt het. Al zie ik de man niet, ik krijg er altijd een soort beeld bij. Een man van een jaar of zeventig. Grijze baard. Bril met ronde glazen. Maar voor het zelfde geld is het een kerel van misschien net in de 30.

Aan de geluiden te horen kost het hem de grootste moeten datgene wat hij graag wil het daglicht te laten zien. “Grrrrrumpffff. Uhhhuhmm. Uh. Uhhuh! Mmmmfff! Merde, pas de plons.” Schaamteloos liet de man zijn inspanningen de vrije loop. Op het geweeklaag volgen een aantal flinke winden. Mede door de hitte neemt de stank ernstige, serieuze vormen aan. De aardse geuren zal ik maar zeggen, zoals van een vieze onderbroek met natte handdoek twee weken bewaard in een plastic tasje. Snel druk ik mijn plas af. Ik ben niet lang binnen geweest en heb mijn adem ingehouden. Toch kom ik zowat kokhalzend buiten. Blij dat ik buiten ben en toch enigszins misselijk van de stank laat ik mijn buurman in zijn champignonfabriek achter. Maar een ding is zeker: mijn buurman had daar schijt aan.

 

dscn2369

In verwachting

Ineens viel het op, een dikke toeter. De overbuurtjes zijn in verwachting. Zij heeft echt een flinke bolle toeter, zo’n ballonbuik. Bijna eentje net zo groot als ik heb. Nog een paar weken en dan is het zo ver. Voor haar heeft het nu al lang genoeg geduurd, ze is het zat. Laatst was ik met haar in gesprek toen een vrouw langsliep die de dikke buik van de buurvrouw was opgevallen.

Zodra bij vrouwen, en met name de wat oudere vrouwen die zelf ook kinderen hebben, een zwangere vrouw in het oog springt weten zij altijd direct het geslacht van het ongeboren kind. Zo ook deze vrouw meende het te kunnen zien. “Ach meid zwanger? Wat leuk. O, ik zie het al, je draagt hoog. En als je hoog draagt, dan… En vanmorgen zag ik twee eksters vliegen. En de zoon van mijn zus heet Roy. Roy en boy: het wordt dus een jongen.” Als ik dit soort onzin hoor moet ik mij altijd inhouden om niet te roepen: “Ga weg, heks”. Ik vind dat toch zulke onzin! Natuurlijk heb je vijftig procent kans dat je het geslacht raad, maar om dan allerlei bakerpraat erop los te laten en daar je bevinding aan te staven. De overbuurvrouw reageerde verder niet, gelukkig.

Dat doet mij denken aan de periode dat mijn vrouw in verwachting was. Toen mijn vrouw van onze oudste  in verwachting was kwam ook het onderwerp ‘zwangerschapsgym’ ter sprake. Ik stelde mij er het volgende bij voor: rennende zwangere vrouwen om al te oefenen hun weggelopen kind te grijpen. Zwangere vrouwen die over hekjes springen, denk aan het stukje hiervoor, je bent je kind kwijt dus hop over een hekje achter je kind aan. Touwtje springen, want wat is er nou leuker dan met je dochtertje samen touwtje te springen. Kogelstoten: voor als je kind verder weg is gerend maar wel binnen bereik van een steentje, nou ja uh….kei, zodat je het kind uit kunt gooien en het snel kan pakken. Maar al deze dingen waren het niet. “Vaders wilt u wel ter ondersteuning van uw partner meezuchten”. Nou ik heb wat zuchten gelaten zeg. Ik heb gekreund, gesteund. Dat vonden ze dan weer overdreven. Onzin vond ik het, maar ik deed wel braaf mee!

Eindelijk was het zover, de geboorte van onze oudste dochter diende zich aan. Omdat we nog zo bleu als een zeehond waren namen we maar wat stripboeken mee naar bed om de tijd wat door te komen. Met een paar uurtjes was het wel gepiept toch? Na meer dan vierentwintig uren waarbij mijn vrouw de ene na de andere wee te verduren kreeg en de pijn helser werd kwam de verloskundige. Ik wist niet eens of ik wel mocht bellen. Ja, je mocht bellen als de weeën om de twee minuten kwamen. Dat deden ze, even later was het weer om de drie a vier minuten. Dan weer om de twee minuten. Dus toch die vroedvrouw, wat een titel, gebeld.

Na veel geworstel, ik werd door mijn lieftallige vrouw gebeten, geslagen, mijn tepel omgedraaid, geknepen, uitgescholden, was er een hoofdje zichtbaar. Nou ja, een plukje zwart haar, een kruintje. De raarste scheldwoorden kreeg ik van mijn lief naar mijn hoofd geslingerd, en het waren geen woorden als: nare man, verdikkie het doet een beetje zeer of potjandikkie dommerd. Nee, als je de scheldwoorden weglaat zei ze praktisch niks. Maar ze zei er wel bij dat ze het niet meende. Het kwam door de pijn en de vermoeidheid.

De vroedvrouw, vroedvrouw wat een woord he,  zag nu het hoofdje verschijnen. “Nu gaat het heel snel hoor meneer Brand”; zei ze. Eigenlijk had ik op dat moment verwacht dat ze zou zeggen: “Meneer Brand pak uw keepershandschoenen maar en neem uw positie in bij het raam het kan nu elk moment gebeuren. Ja, daar komt het en… vangen!” Een snelle graai in de linkerbovenhoek bij het raam… en ik was ineens vader. Ja wist ik toen veel. Toen had ik nog geen ervaring in dat soort dingen.

Die baby’s, als ze net geboren zijn, dan poepen ze van dat… zachtgewordenhard. Wat gelige prut. En stinken! Een volwassen vent zou er trots op zijn.

Ook zo iets waar ik totaal van slag van raakte: Na de geboorte van onze oudste kregen wij regelmatig ‘controle’ van een Hindoestaanse vrouw van het consultatiebureau (in het kort noemde ik dat altijd; het consulaat). Mijn vrouw had al dagen na de geboorte enorme buikpijn. De Hindoestaanse vrouw eiste het megamaandverband, zeg maar matras, van mijn vrouw op. Het zat heel begrijpelijk onder het bloed. Ze hield het dicht onder haar neus en met een goede snuif wist ze het zeker: baarmoederontsteking. “Dat kun je direct ruiken meneer Brand”. En prompt duwde ze die gebruikte, bebloede maandverband pal onder mijn neus. Ik maakte een wegtrekkende, bijna kokkende beweging om zo snel mogelijk bij die vieze lap weg te komen. “Kom op, ruik dan”; riep die heks. O, als ik er nog aan denk krijg ik kippenvel. Boe, zo vies.

Andere overburen hadden na een dochter te hebben gekregen nog een kinderwens. En na wat ‘oefenen’ bleek buurvrouw inderdaad zwanger. Tijdens de regelmatige controle bleek dat zij niet één maar twee baby’s kon verwachten. Tja, dat was niet gepland. Alles moest dubbel aangeschaft worden. Vervelend. Lastig. Niet leuk. Hoe dit te doen? Hoe moesten zij dit nu toch aanpakken? Paniek.

Na de bevalling was het zelfs zo dat opa en oma bijna dagelijks over de vloer kwamen om mee te helpen met de verzorging van de kinderen, het huishouden te doen, boodschappen doen en eten koken. Lief hoor, van die opa en oma, maar wie wilde nou kinderen? Echt zowat elke dag kwamen opa en oma langs. Soms zelfs zo vroeg dat de gordijnen nog niet open waren en pa en moe nog op bed lagen. De baby’s werden uit bed gehaald en in badje gedaan. Pa en moe mochten nog wel blijven liggen. Kinderen grootbrengen en opvoeden is tenslotte zwaar, heel zwaar werk.

Ook zo iets; zien volwassenen een baby in een kinderwagen, dan veranderen ze in volslagen malloten. “Kijk nou, koetsjie koetsjie koetsjie.” Alsof de baby doof is: “Hebbie dan van die kleine voetjes. Hebbie dan van die kleine voetjes?” “Huttepuh, jaha, huttepuh. Wat doet ie dan, he? Wat doet ie dan?” Alles wordt minimaal twee keer herhaald alsof het kind al dement en doof is voordat het naar de dagopvang gaat. Verschrikkelijk. Zo’n baby kan nog niet eens praten. Laat staan dat het kind het verstaat.

Moet je je eens voorstellen dat iemand zo tegen een volwassenen praat. Dat duurt dan ook niet echt lang. Dan komen op aanwijzing van de buren vanzelf die mannen met die witte jassen uit een geblindeerd busje en doen je een pyjama aan waarvan de mouwen op de rug vast kunnen. Dat is makkelijk zeg.

Overigens ik ben nu ook in verwachting; ik wil zo graag een huisje in Frankrijk kopen. Of telt dat niet?

 

Nederlanders in den vreemde

In Nederland ontkom ik er niet aan, maar in het buitenland ontloop ik mijn landgenoten het liefst. Vooral in restaurants. Ik weet niet wat dat met Nederlanders en hun kinderen is, maar tegenwoordig is het heel normaal dat kinderen van tafel lopen terwijl vader en moeder nog niet klaar met eten zijn. Er wordt in het restaurant rond gerend als ware het een speeltuin. Het is mij zelfs een keer overkomen dat een Nederlands kind bij mij aan tafel kwam staan om een hap van mijn eten te vragen. “Even proeven?” Ik zou dat kind zo een stetter voor zijn hersens willen geven! Maar je moet kwaad zijn op de ouders. Waar zijn hun manieren?

Je ziet al van verre dat het Nederlanders zijn aan het AD wat zij kopen. Ik zelf koop altijd het plaatselijke sufferdje, al was het alleen maar voor de weersvoorspellingen voor de komende week. Trouwens met een Frans krantje val je gelijk niet meer op en ga je op in de massa van de Franse bevolking.

Dat vind ik ook altijd fantastisch; sta je bij het bakkertje. Ik wacht op mijn beurt. In de vitrine liggen nog 4 croissants en 2 pain au chocola. Een Fransman voor mij koopt un pain. In de tussentijd komt er een Nederlands echtpaar achter mij staan. Dat wist ik want zij sprak haar man toe: “Bram, er liggen nog 4 croissants. Die nemen we hoor!” Al wilde ik maar 2 croissants als ik aan de beurt ben neem ik ze alle 4, al moet ik ze thuis weggooien! Ja, zo ben ik. Ik kan het niet helpen, het duiveltje in mij wordt altijd gewekt als ik Nederlanders zie of hoor in Frankrijk.

Ook zo iets: wat ik tijdens onze vakantie hoorde slaat alles. Het was warm. Er stond een zwoele warme wind. Het was een graad of vijfendertig. Daar stond ie dan, met een kop als een vuilnisbak en een buik alsof ie al jaren met zijn mond open fietste. Hooguit zeventien of achttien jaar. Een kop met krullen. Er zat duidelijk geen kwaad in de rotzak.

“Yes mevrouw. That ijsje, yes. Met urdbee-smaak, yes. En do you for my friend ook that. Yes, I tell it for him, because he speakt it niet. Yes, I know. But he is much jonger then ik. O sorry mem, what smaak is that. Is it ennanes? What, how do you noem that? Pijnappel! Pijnappel? O ananas! Yes I love that ook. It’s tropical hè? Red, who I? O yes, that’s from de verbrending from de sun. O yes, yes, I did not put enough smeeroil tegen de verbrending on my body en now I have a red striep on my side. Too weinig smeeroil, and there was also veel wind. So the sand that woei on my body schuurt it raw. Yes it hurts, the vellen hanging er on. But also from the water. Yes, we have zo’n plenkie were you can ly on in the streams. And then when there is een hoge wave you can go met the flow off the wave all the way to the strand.

Later in the day we go to the lesbiansbaker. Lesbiansbaker? Lesbiansbaker, the man who has a bonk of clay on a draaiende schijf. I must koop still what for my mother.

Sorry….., o slagroem on the ijsje? Yes but not so veel because else I word toe dik. Is it light-slagroom? Yes?

Where do I come from? Monster in Holland. No, I am not a monster. Monster is where I woon. It is but you know it.

Hmmm, lekker ijs mem. So tonight we come trug for another ijsje because they are very lekker. Howdoe! Als ik dit soort gesprekken hoor krijg ik de kriebels en tegelijkertijd moet ik lachen.

“Zalig zijn zij die niets te zeggen hebben en dat ook niet doen”.

Fotosessie

Met een pup in huis is er altijd reuring. Altijd moet je ogen in je achterhoofd hebben zodat je ziet wat die kleine doerak nu weer uithaalt. Een pup in huis betekent vroeg op voor de ochtendplas, goede verzorging geven, veel kroelen en veel foto’s maken. Vooral de laatste tijd gebeurt het regelmatig dat ik Broer, de Cesky Fousekpup, en/of Beer de Teckel zo ontzettend lief zie staan, zitten of liggen. Voor mijn werk gebruik ik vaak een spiegelreflexcamera, die ligt dan wel op mijn kantoortje op de eerste verdieping. Voorzichtig haal ik die dan van boven om even later tot de conclusie te komen dat het sfeerplaatje met Broer of Beer voorbij is. Camera voor Jan Lul gehaald. Maar de camera laat ik dan wel beneden liggen want stel je voor dat er zich weer zo’n mooi moment voordoet. Af en toe probeer ik dan toch geforceerd een sfeerplaatje te creëren. ”Broer… hier. HIER! Zit!” Broer gaat model zitten. Nu Beer nog. ”Beer… hier. HIER! HIER, zeg ik!” ’t Is een Teckel hè, dus eigenwijs. In de tijd dat ik Beer netjes neerzet geeft Broer nieuwsgierig een lik over de lens die op dat moment voor mijn buik hangt. Doekje zoeken voor de lens. Ik kom terug… honden weer in de tuin. Wederom roep ik ze naar mij toe en laat hen zitten. Nou trekt Beer weer zo’n rare kop, met van die opgetrokken oren en zijn kop scheef. Ik zet Beer netjes neer en Broer vindt het weer te lang duren en wandelt weg. Even later zie ik Broer in mijn kruidentuintje staan, want hij zag weer een hommel en neemt en passant een hapje basilicum. Broer sommeer ik terug te komen, wat hij ook netjes doet. Als een kunstenaar modelleer ik zijn kop. Hij laat het allemaal netjes toe en geeft spontaan een poot. Zijn poot was modderig dus op mijn blouse heb ik een ‘stempel’ van een poot. Beer ziet Broer netjes bij mij zitten en prompt probeert Beer de boel op stelten te zetten en bijt Broer in zijn reet om te spelen. Broer inmiddels ook niet lullig meer, vindt dat zoiets niet kan en neemt een spurt om Beer terug te pakken op welk plekje dan ook. Tering, rothonden.

Plots zitten ze weer model. Perfect voor een foto. Ik stel scherp, wil afdrukken, geheugenkaartje vol. Ik geef de moed op, leg de camera binnen op de kast neer. In mijn kantoor haal ik een nieuw geheugenkaartje en plaats deze in de camera. De camera leg ik weg en loop vervolgens terug de tuin in. Tot mijn stomme verbazing zie ik Broer en Beer broederlijk naast elkaar zitten, een pracht plaatje. Ik sluip naar binnen voor de camera, kom terug met de camera… ’t is feest denkt Broer we gaan stoeien met de baas. Daar sta ik dan met mijn camera om mijn nek met honden die echt met mij willen stoeien. Wat moet je daar nou mee. Gek word ik daar van. Onze oudste dochter, doet dat anders. Roept Broer en Beer bij zich, zet ze neer en schiet de prachtigste plaatjes. ”Geen gezeik pap, ze moeten gewoon luisteren”; krijg ik dan te horen. Ja, hèhè, dat snap ik. Alleen bij haar gaan ze zitten, blijven zitten, houden hun koppen netjes, zijn braaf en wachten netjes tot de fotoshoot af is en er kunnen mooie foto’s gemaakt worden. Pas als ze gezegd heeft dat ze mogen gaan gaan de honden weer huns weegs. De volgende keer pak ik mijn geweer, twee patronen erop en…, dan blijven ze waarschijnlijk wel netjes liggen.

Broer3

Flashbacks

Meer en meer realiseer ik mij dat dit aardse leven niet oneindig is. Hoe ouder ik word, hoe vaker we een bericht krijgen dat een dierbare of bekende ziek is of inmiddels is overleden. Langzaam aan krijg ik het gevoel dat we verder doorschuiven in de rij. Dat doet mij beseffen dat je het leven moet omhelzen. Steeds vaker koester ik de momenten met vrouw en kinderen en mijn vader. Ja, die is er nog en ook die snapt dat elk jaar boven de 80 jaar een toegift is. Hij geniet met volle teugen wat hem nog in de schoot geworpen wordt. Met mijn broer is ie al twee keer mee met vakantie geweest. Wij halen hem op de meest onverwachte momenten op om hem een dag met een gouden randje te bezorgen.

Steeds vaker besef ik ook dat ik sommige ‘vossenstreken’ van hem hem. Laatst vertelde ik aan mijn zoon mijn herinnering aan Koninginnedag van ik denk 1972. Een jaar of 10 was ik. Mijn vader kocht voor mij een Charlie Chaplin-wandelstok want hij wist daar wat leuks mee. Hij had een lang elastiek aan de onderkant van de wandelstok vastgemaakt met aan het elastiek een plastic balletje. “En als je nu naar de Brink loopt dan kun je door aan het balletje te trekken en te richten op de feesthoedjes van andere kinderen ze er zo van hun hoofd vanaf schieten. Maar, mondje dicht he, niks tegen je moeder zeggen”. En daar ging ik, slachtoffers maken. Vanachter een heg schoot ik zo een feesthoedje bij een ouder kind van zijn hoofd, poing.

Ook realiseer ik mij dat de zaterdagen  met mijn vader en mijn broer ik altijd doorbracht  op de velden van CVV Zwart-Wit ’28, ons voetbalcluppie. Omdat ik de jongste was speelde ik ergens rond 10:00 uur mijn wedstrijden. Mijn broer, 2 jaar ouder, speelde dan rond 13:00 uur zijn wedstrijden. Het eerste elftal had standaard om 14:30 uur zijn wedstrijd. Heel de dag waren we er zoet. Tussen de middag altijd steevast met een bakje patat en een frikandel. Tussendoor een zakje chips en een flesje limonade. Met verweerde koppen kwamen we thuis. Getekend door de gehele dag in de zon en wind langs of in het veld vertoeven. Bij thuiskomst was er in de voorjaar-/zomerperiode broodjes met aardbeien en ’s winters soep met broodjes. Zwart-Wit ’28 mocht zich meten met ploegen als Feyenoord, de amateurs, DOVO, Bennekom, toch niet de minste clubs. Maar ja, tijden veranderen. Naar mate ik ouder werd zag ik figuren als John de Wolf bij mijn club trainer worden. Er werd geld uitgegeven, veel geld. Teveel geld waardoor de club failliet is gegaan. Direct na het faillissement werden de velden weer klaargemaakt voor bezoekers van het Zuiderpark. Alsof er nooit een vermaarde voetbalclub geweest was. De velden werden teruggegeven aan het park. Een tijdperk werd afgesloten.

Lang geleden leerde ik een meisje kennen. Een heel leuk meisje. Iets ouder dan ik. Zat eerst een klas hoger. Indisch was ze, dus anders. Andere cultuur, andere gewoonten. Toen ik haar mee naar huis nam vonden mijn ouders haar ook echt… anders. Ze was bruin. Had het over een karet als ze elastiekje bedoelde. En over even kipas als ze waaieren bedoelde wanneer haar eten te warm was. Wij hadden geen bottel-tjebok op het toilet, voor het wassen na een grote boodschap. Ze was ANDERS. Mijn ouders vonden dat, laat ik zeggen, vreemd. En was ze nou Indonesisch of Indisch? En wat was het verschil tussen die twee? Tot op de dag dat mijn moeder overleed heeft zij het uit moeten leggen.

Een eerste kleindochter werd geboren; beige. Twee jaar later nog een kleindochter; blank, gelukkig. Weer twee jaar later een kleinzoon; bruin. Oeps. Mijn ouders waren toch wel groots met hen. Trots, op hun klein kinderen. Maar als mijn ouders bleven eten, dan genoten zij. Wat er werd flink ‘uitgepakt’ en uitgebreid getafeld.

En als mijn zoon even bij opa vlak voor zijn vakantie een bakkie gaat doen is mijn vader hartstikke trots op hem. Mijn zoon werd even meegenomen naar de kledingkast. Er werd een colbert van Van Gils uit de kast gepakt. “Pas em is. Heb ik maar een keer aangehad. Moest ik van oma kopen. Het is een zomer colbert”. Het zit hem als gegoten en houdt het gelijk aan. Als hij weer thuis binnenstapt is het echt een meneer.

Tja zo hebben we nogal wat meegemaakt.

 

 

Apporteren: van duif tot olifant

Al enkele weken is er een klein monster bij ons in huis. Nee, nu lieg ik. Het is een lieverd die pup. Een Cesky Fousek, Tsjechisch voor hond met baard. Donders wat heb ik er een plezier van. Een zachtaardige hond met toch een eigen willetje. Heel wat anders dan de Duits Staande Draadhaar die we eerst hadden. En nu is ook de hele cyclus van het opvoeden begonnen, waar ook de hondentrainingen bij horen. Bij Bep, de trainster kan hij al niet meer stuk. Met zijn bijna 3 maandjes oud laat hij nu al mooi werk zien. Aangelijnd volgen gaat niet onaardig. Los volgen gaat prima. ik kan zijn aandacht nu nog aardig vasthouden. Benieuwd hoe dat over een paar maanden is. Voor en achterlangs volgen bij een groep honden gaat ook goed. Tot zover ben ik tevreden. Maar het apporteren wat dit jonge hondje doet vind ik fabelachtig. Als er een dummy wordt opgegooid is hij geinteresseerd. Als er een dummy wordt opgegooid en er worden geluidjes bij gemaakt wordt hij alert en haalt graag de dummy en brengt hij die ook nog eens netjes bij mij.. Zaterdag was zijn eerste kennismaking samen met mij met een duif. De duif werd opgegooid met wat geluidjes en direct ging de kop scheef en de oren omhoog. Op het commando ‘Apport” stoof hij naar voren en pakte de duif vol in de borst. Bij het commando ‘Hierrrr’ kwam hij de duif netjes brengen en ging warempel al zitten. De duif zittend afgeven, voor mij een wonder met die jonge leeftijd. Het bleek niet eens een toevalstreffer, want het volgende apport met de duif werd hetzelfde uitgevoerd. Kijk daar word je als baas echt blij van. Broer, want zo heet de hond, was total loss van alle oefeningen en indrukken. Om hem niet te overbelasten vond ik het genoeg geweest. Maar Bep had nog 1 oefeningetje voor Broer in petto; een verloren apport. Het leek mij te hoog gegrepen, maar je moet ergens beginnen. Bep liep de begroeiing in en ‘verstopte’ de duif. Nadat ik Broer losknipte en het commando ‘Zoek apport’ gaf ging hij vastberaden de vegetatie in en kwam zowaar met een duif uit de struiken. Parmantig kwam hij met zijn gevonden duif aanlopen, ging voor mij zitten en het leek erop dat hij hem af wilde geven. Dat bleek ijdele hoop. Met enige overtuiging liet ik hem de duif afgeven in ruil voor een blokje worst. Ook de tweede maal lukte dat.

Thuis komt de hond van alles brengen. Schoenen, een waxinelichthouder, een kussen, schapenvacht, noem maar op, hij brengt het. Het is niet nodig, maar om boos te worden op Broer terwijl hij blij is als hij wat kan brengen is ook zo wat. Nu nog leren dat hij alleen hoeft te apporteren als ik hem dat opdraag. En niet boos worden als hij een Hummelbeeldje van een olifant uit het kastje haalt en komt brengen. “Foei’; zei ik nog en prompt spuugde hij het beeldje uit en kletterde op de plavuizen. Mijn trots gekrenkt en het beeldje heeft geen olifantenpoten meer.

Broer apport duif