Zo de zomer is voorbij

Precies 1 dag waren het tropische temperaturen. Tijdens een 3 uur durende file, ja u leest het goed, zie je nog eens wat. Ruim een uur stond ik in de file voor de Amsterdamse RAI stil. Geen beweging in te krijgen. Ongelukken op de A2 en de A4 zorgden ervoor dat ik stapvoets thuiskwam. Maar als je daar voor de RAI staat zie je echt de wereld voorbij komen.

Mensen hebben direct de neiging zowat naakt naar buiten te gaan. Dan let ik in dit geval niet op de mannen, vrouwen hebben echt mijn voorkeur. Met de auto stond ik een uur stil voor een fietspad en zebrapad. De rokjes waren gisteren zo kort dat je nog net niet de ‘Coentunnel’ in kon kijken. En maar trekken aan die rokjes omdat ze zo naar boven kruipen tijdens het fietsen of wandelen. Qua kleding zie je dan echt van alles voorbij komen. Van sprei, doorschijnende blouses tot hemdjes van een soort vitrage (waarbij je de natuur duidelijk in knop ziet staan) alles kleurt de straat zomers.

De mensen die je dan de dag erna spreekt zien er aubergine kleurig uit. De vellen hingen soms aan het lijf. De bewegingen zijn geforceerd omdat alles kennelijk zeer doet. Ze stralen nog net geen warmte uit. Na deze pre-mortale crematie door de zon zijn ze nog eigenwijs ook door zich niet in te smeren met aftersun of zo iets. Dat is zo 1970. After sun, toch misschien maar goed dat de zomer na 1 dag voorbij is.

 

 

Opa worden

Het is net zo’n reclameslogan: ‘Op een dag weet je het, je wordt brandweerman’, maar nu dan ‘Op een dag weet je het, je wordt opa’. Wat een verrassing! Maar ook wat een verantwoordelijkheid! Word ik wel een leuke, goede opa? Mag ik mijn kleinkind meenemen als ik ga jagen? Mag het mee naar korfbal en voetbal? Nu na ongeveer 27 weken begint het bij mij in te dalen; ik word echt opa.

Het begon op 2e Kerstdag. Wij geven elkaar traditioneel met Kerst cadeautjes als herinnering dat God zijn Zoon aan ons gaf als ultiem cadeau. Weken voorafgaande aan de Kerstdagen is vrouwlief al aan het ‘inventariseren’ wat de kinderen en aanhang graag willen hebben. Dan volgt de periode van die cadeautjes in huis halen. Op Kerstavond ligt er onder de kerstboom voor ieder wat wils. De kinderen doen hetzelfde en leggen hun cadeautjes erbij. De voet van de boom ligt bezaaid met cadeautjes. Het leuke van dit is dat wanneer we met elkaar klaar zijn met het kerstdiner de cadeautjes worden uitgewisseld. Zo kregen Febe en ik een plat cadeautje, voor samen. Het voelde als een fotolijst. Het was een fotolijst, maar ik kon er even geen wijs uit. Wit lijstje, zwarte afbeelding. Ik snapte er niks van. Wat was hier de bedoeling van? Vrouwlief was direct enthousiast. Nog steeds kwam het bij mij niet binnen. Totdat ik de felicitaties hoorde. Wat is dit? Het bleek een foto van de allereerste echoscopie van mijn kleinkind, mijn kleinkind. ONS kleinkind. Natuurlijk heb ik mijn dochter en schoonzoon gefeliciteerd met, wat ik in eerste instantie dacht…, een rups. Het bleek het prille begin van een echt mensenkind.

Inmiddels zijn we weken verder en begint het besef langzaam door te dringen. Mijn dochter heeft een flinke dikke toeter. Ze doet nog van alles, iets wat mij zorgen baart. Zij niet, zij is nuchter. Ze weet wat wel en niet kan. Ze weet waar ze op moet letten. En ik, ik zie overal leeuwen en beren op de weg van mijn kleine meid. Ik denk vaak terug aan de tijd dat ik met de kinderen elke avond uit mijn werk op sjouw ging; even paarden kijken bij de stallen van de manege, naar de kinderboerderij. Toen ze wat groter werden samen vissen, torren pikken zoals ik dat noemde. Je probeert het goed te doen. Je probeert te laten zien wat goed en fout is. En dan is er die dag dat ze uit huis gaan. Je ziet dingen die ik zelf anders zou doen, maar ik beet het puntje van mijn tong zowat af. Ze mogen fouten maken, ze mogen eigen keuzes maken. En nu, nu word ik ineens opa. Doen ze toch iets hartstikke goed!

Weekend

Vroeg op, 03:00 uur. Om 03:30 uur met elk een weekendkoffertje op weg naar Schiphol voor een lang weekend Rome. Onze dochter had ons naar Schiphol gebracht en zwaaide ons uit. De laatste handkus als we richting incheckbalie gaan. We zijn weer samen. Samen voor ons ‘rust-weekend’. Na het inchecken en de douane slenteren we langs de taxfree winkeltjes. De telefoon staat weer op standje ‘IK-BEN-ER-NIET’. Ik laat alles maar op mij af komen. Het idee dat je nu nog in Nederland bent en binnen een paar uur in Italie uitstapt vind ik ronduit een rare gewaarwording.

Als we in afwachting van het boarden bij de gate een plekje zoeken is het tijd voor de sport MENSEN-KIJKEN. Na een minuut of 10 komt er een oudere vrouw, ik schat 75 jaar, naast ons zitten. Even later vraagt ze of we even op haar koffer willen letten zodat zij het toilet kan bezoeken. “Let op; dit is een bom fluister ik zachtjes”. Febe lacht. We raken in gesprek met de vrouw die alleen blijkt te reizen. Dan begint het boarden… en de zenuwen, bij mij dan. Na een half uurtje gaat het vliegtuig taxien. we zitten naast elkaar als het vliegtuig met veel gebrul opstijgt. Ik houd haar hand vast. Sinds ik de vijftig gepasseerd ben heb ik angst om te vliegen. Terwijl ik haar hand vasthoud realiseer ik mij dat ik zo’n beetje haar hand tot moes knijp. Ze geeft geen krimp. Wat moet ze wel niet van mij denken; een stotterende angsthaas die af en toe niet eens een woord uit kan brengen. Lekkere combi. Na tweeëneenhalf uur landen we in Rome. Als we uitstappen merken we dat de temperatuur een stuk aangenamer is dan in Nederland, zo’n 10-12 graden warmer. We banen ons een weg naar de trein. Met de Leonardo Express is het 35 minuten reizen naar het centrum van Rome. De oude vrouw zien we ook richting deze trein lopen. Ze groet nog. In de trein vinden we een goed plekje. Na 5 minuten schuifelt de oude vrouw ook voorbij. “Mag ik bij jullie aanschuiven? vraagt ze. We hebben beiden geen bezwaar. De vrouw blijkt in het verleden met regelmaat te hebben opgetreden met diverse instrumenten. Dat doe je kennelijk als muzieklerares. Als snel raken we verder in gesprek. Met haar tips en adviezen over een aparte wijk waar je goed en lekker kunt eten en wat adviezen wat zeker de moeite van het bezoeken waard is komen we in het centrum van Rome aan.

Als we uitgestapt zijn besluiten we op het station eerst even wat te eten in combinatie met een echte cappuccino. Veel keus, dilemma. Maar, we komen er uit. Dan lopend naar het hotel. Een wandeling van 20 minuten brengt ons bij het hotel. Een gezellig wat gedateerd hotel, maar het is er netjes en niet onbelangrijk, het is er schoon.

Als ware toeristen laten we ons rijden met de hop-on-hop-off-bus. Zo krijgen we al snel een goed beeld van Rome. De dagen glijden voorbij. We ontbijten liever buiten de deur op een terrasje. In Italie staan ze toch al bekend om het niet-ontbijten, maar het hotel slaat alles op het gebied van de koffie. Stel je voor: een bakkie bruine drek met de smaak van slok afwaswater met wat minder sop. Nou zo. En dat in het land van de echte cappuccino he. De temperatuur van de zon loopt steeds verder op en stijgt naar de 23 graden. Zo nu en dan pakken we een terrasje met een glaasje Prosecco en een lekker biertje. Af en toe wat antipasti erbij. ’s Avonds lopen we steevast even bij de ijssalon naar binnen. Het is tenslotte maar 3 deuren verder dan het hotel en volgens de boekjes is deze ijssalon de oudste van Rome en van superieure kwaliteit. Nou, dat klopte. Wel 60 soorten ijs en allemaal met natuurlijke ingrediënten gemaakt.

De dagen gleden voorbij. Als in een flits is het alweer de dag van vertrek. Voordat we in de trein stappen richting vliegveld moet ik toch echt een plas doen op het station. Anders bestaat de kans op natte sokken. Ik baan mij een weg naar de moderne toiletten. Als ik daar bezig ben met mijn boodschap komt er een man binnenlopen, de rits al open. Graaiend of hij een slang aan het temmen is. Iedereen mag meegenieten. Ik observeer dit spektakel en kom tot de conclusie dat ie volgens mij al uit zijn hand eet.

Nog bedankt onbekende mevrouw voor uw goede adviezen over Rome.

De weg naar de hemel

Zo’n gevoel, zo’n flits die door mij heen schiet. Een soort van schrik. Zo kan ik het het beste uitleggen wat mij regelmatig overkwam. Nu op het moment van schrijven realiseer ik mij dat mij dit best vaak overkwam. Simpelweg zitten met een vraag, over jagen bijvoorbeeld. De gedachte om even Arie, mijn jachtmaat te bellen voor het juiste antwoord. Mijn schoonvader bellen met de vraag of hij even mee gaat naar België of Noord-Frankrijk. Zomaar wat wijn kopen of zo maar even wat vlees halen. Even op een dag op en neer. Gezellig. Het is bijna Pasen en dan in een tuincentrum dwalen en dan een leuk opgemaakt bloembakje achteloos in het karretje zetten, want dat zal ma zo leuk vinden. Met een schok dan realiseren dat dat niet meer kan. Als een bliksemschicht tot in je ziel geraakt worden en merken dat er een traan in je ooghoek brandt omdat je ineens weer met beide benen op de grond staat en beseft dat zij allen in de hemel zijn. Langzaam, heel langzaam begin ik er aan te wennen dat zij niet meer in ons midden zijn. Tijdens weekendjes weg of met vakantie brand ik altijd in kerken of kathedralen een kaarsje voor die dierbaren die er niet meer zijn. Twee maanden geleden kon ik dat voor het eerst met droge ogen. Met veel respect kuste ik het kaarsje bij wijze van surrogaat omdat ik die dierbaren niet zelf kon kussen. Ik plaatste het kaarsje bovenaan de grote kaarsenhouder. Bovenaan omdat ik hen, of eigenlijk dit kaarsje wat hen symboliseert, de ruimte wilde geven zodat ze mij konden zien en merken dat ik hen niet vergeten ben. Ze reizen met mij mee. Ze horen bij mij. Ze zijn waar ik ben.

Vooral sinds 8 december 2015, sinds het stotteren bij mij insloeg als een bom, ben ik op de meest onmogelijke momenten emotioneel incontinent. Een geur, een muzieknummer triggert mijn geest en brengt mij in gedachten naar die momenten, die herinneringen die mij zo dierbaar zijn. Is die herinnering daar, dan voel ik het gemis. Ik wil het zo graag opnieuw beleven met die mensen, juist met hen. Wetende dat zij er niet meer zijn. Vaak heb ik gedacht aan een bezoekregeling in de hemel. Waren er maar bepaalde uren in de maand dat je kon zeggen; ‘Vanmiddag ben ik er niet, ik ben dan op bezoek bij mijn moeder’ of ‘Ik ga even een sigaar roken met mijn schoonvader’ of ‘Sorry, geen tijd, ik ben een borreltje halen bij Arie’. Onzin natuurlijk, maar hier heb ik wel serieus over nagedacht; stel dat het zou kunnen…. Stel dat dat zou kunnen, in welke frequentie zou je dan op bezoek naar de hemel gaan? En hoe vaak zou je bij wie aankloppen? Hoe gek ook, ik heb mij dit serieus afgevraagd. Ik mis hen. Ik mis hen enorm!

Het stotteren, daar ben ik nu achter wordt getriggerd door emoties. Niet alleen verdriet, ook kwaadheid, erge teleurstelling of flinke vermoeidheid (hoewel geen emotie) zorgt ervoor dat ik binnen 5 minuten van normaal pratend via hakkelen, stotteren, heel erg stotteren in een stadium kan belanden waarbij ik geen woord uit kan brengen en mijn tong of mijn wangen kapot bijt. Het betekende voor mij dat ik heel bewust moet zorgen dat die triggers geen kans krijgen zich te manifesteren. Rustmomenten zonder afleiding inbouwen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Als ondernemer ben je 24 uur per dag bezig je bedrijf op de rit te houden. Je moet bereikbaar zijn want elk telefoontje, elke email kan van een potentiële klant afkomstig zijn. Onzin, zo denk ik nu. Je kan je zelf wel te barste werken, maar naar nu blijkt word je daar niet echt wijzer (lees gezonder) van. Ik ben gaan kijken wat mij hierbij helpt. Nou een heel belangrijke is begrip van mijn lief, mijn rots. Houvast, houvast aan haar. Onvoorwaardelijke liefde krijg ik van haar. Ik voel rijkdom, begrip, liefde, rust. En donders, dat voelt zo goed!

Samen kozen we een jaar geleden om rust te gaan inplannen en te zien of dat dit kan. Elke twee maanden een weekend weg, God mag weten waar naar toe. Ik zie wel wat er komt. Aan het begin van deze weekenden gaat de telefoon helemaal uit, ik geef hem af aan mijn lief en ben ik onbereikbaar. Vooraf hebben we al de nodige voorpret gehad door ons af te vragen: ‘Welke bestemming kiezen we en hoe bereiken we die bestemming?’ Samen zoeken, kiezen, besluiten. Samen er naar toe reizen. Samen genieten van elkaar, van de omgeving, van de lokale heerlijkheden, van de natuur, van al het moois wat onze Lieve Heer geschapen heeft. Praag, De Veluwe, Vaals, De Haan, Saarburg, Rome, New York. Soms dichtbij, soms verder weg. En zowaar, ik voel die rust. Ik merk dat dit helpt.

Het stotteren blijft steeds langer weg. De rust en de juiste mindset blijven steeds langer hangen. Zo vind ik mijn weg naar de hemel, ook al is die dan op aarde.

 

 

 

 

Een tijdperk sluit af

Dat is het eerste wat ik dacht: een tijdperk sluit zijn deuren. De nazit na de jachten in de jachthut van Arie waarin ik met Arie, Jaap, Eric, Teun, Stijn, Jan, Rick en vele anderen zo vaak diepgaande gesprekken hadden of waar er gewoon onzin werd uitgekraamd. Die jachthut is verleden tijd nu. Ook na de dood van Arie mochten we van Rina, zijn vrouw, gebruik blijven maken van de midden in het jachtveld liggende hut. Vaak blauw gestookt na een jachtdag. De hitte van het fel opgestookte houtkacheltje zorgde ervoor dat een bananenkweker jaloers zou zijn op die plek, zo enorm warm werd het er. Zoals gezegd; het is voorbij. Rina is verhuisd; het huis met daarbij ook de jachthut verkocht.

Een allerlaatste keer waren we met elkaar samen in de jachthut, als afscheid van het Arie-gevoel. Die hut, als die kon praten… Gelachen is er, gehuild, verhitte discussies waren er. We hebben het leven gevierd die avond en we hebben gesproken of diegene die ons ontvallen zijn. Gegeten hebben we, biertje en borreltje erbij.

Natuurlijk waren er verhalen over Arie, die markante man, die mij het jachtgevoel, dit virus, liet ervaren. Die mij mijn levensvisie bijbracht. Het bourgondische, het genieten, het gunnen, ik heb het ook, mede door hem. Rick sprak namens ons, jagers en voorjagers. Hij sprak mooi, weloverwogen, zijn woorden zorgvuldig gekozen. Een laatste toost, een laatste omhelzing, een laatste lach in deze hut. Arie’s hut. Een tijdperk sluit af.

Prins heerlijk

Wie is die vent, die prins? Over wie hebben we het dan? Nou ik heb het niet over een vent, ik heb het over mijn Broer, mijn Cesky Fousek. Zegt je nog niks; een Tsjechische staande hond. Cesky Fousek; letterlijk vertaald betekent het ‘hond met baard’. Nou dat klopt wel. Een ruige vacht, borstelige wenkbrauwen. Een baard en een snor. Hoe vaak het niet voorkomt dat deze deugniet gewoon ‘terugpraat’ is niet meer op 1 hand te tellen. Het is een vrolijke, open hond. Naar alles en iedereen gaat ie toe om de persoon of het voorwerp in alle hartelijkheid te begroeten of kwispelend te onderzoeken. Heeft ie wat uitgevreten en ik ben sikkeneurig, dan laat ik hem dat direct weten. Broer begint dan op zijn manier terug te praten. Altijd wil hij het laatste woord hebben. Het lijkt wel een puber. Eerder schreef ik al over zijn apporteer-kwaliteiten. Altijd loopt ie wel met iets te slepen. Waxinelichthouder op een tafeltje buiten wordt door hem binnengebracht, ook als het totaal niet nodig of gewenst is. Een emmer, ja wordt direct bij je gebracht. Basilicum uit de tuin wordt zorgvuldig geoogst. Ook als ik dat beslist niet wil. Dummy; halen; afgeven en…. er lekker mee wegwandelen. Tja, dan had ik de dummy maar sneller weg moeten stoppen. Konijn; wordt netjes gehaald, maar die ga je eerst aan alle overige honden laten zien. ‘He, zie je dit? Zie je wat ik bij mij heb? Een konijn, heb jij niet’.

Zodra ik haardhout aan het stapelen ben aan een kant van het houthok wil Broer helpen. Ik stapelen en Broer komt met een houtblok in zijn bek aan. Niet een keer maar meerdere keren helpt hij mij op deze manier mee. Totdat ik zie dat de houtblokken die ik een half uurtje ervoor aan de andere kant had gestapeld. Weg! Rotzak. Maar waar ik ook ga, hij wil mee. Fazanten slachten, yep hij staat paraat om een flintertje lever of een hartje op te ruimen. De tuin moet je tenslotte wel netjes achterlaten. Blaadjes? Opruimen en… doorslikken. Opgeruimd!

En dan de slaaphouding, de luierhouding, de pesthouding. Het lijkt wel 1 standaardpose. Daar ligt ie dan, prins heerlijk op zijn rug, met zijn armen wijdbeens. Mijn Broer.

De wandeling

37 graden. Frankrijk, de Loirestreek. Al vroeg besluit ik een lekkere wandeling met Beer, de ruwhaar Teckel, te maken. Nu eens niet in de buurt, maar met de auto een rit van 20 minuten naar de rivier de Loire. Al dagen geniet ik van de ruimte, de stilte, ik zou bijna zeggen van de eenzaamheid met ons drieen. Heerlijk!

Beer heeft er zin in, in een wip zit hij in de auto. In de auto is er nauwelijks conversatie tussen mijn lief en mij. Allebei genieten we in stilte van al het moois om ons heen. Via de landerijen en de bossen zoek ik mijn weg naar de rivier. Ik geniet met volle teugen. Zo vroeg, maar de zon brand al. In alle rust draai ik de auto het parkeervak op. Ik zie de oevers van de Loire. Zeker tweederde van de rivier ligt droog door de aanhoudende droogte. Als Beer merkt dat we stoppen laat hij weten dat het nu toch echt tijd is voor een wandeling. Vanwege de parkeerplaats die direct aan de doorgaande weg ligt lijn ik Beer eerst maar even aan. De spaarzame hoeveelheid auto’s die hier langs komen hebben volgens mij het idee dat ze op een circuit rijden, ze rijden als gekken. Maar goed, nadat we via de grasstrook eigenlijk op de bodem van de rivier lopen loopt Beer te huppelen door het zand. Elk plekje is interessant; een dooie vis, meeuwenstront, een aangespoelde tak, wier, het maakt niet uit wat. Als er een forel dichtbij boven het water uitspringt is Beer’s aandacht gevestigd op de vis. Hij moet gewoon proberen de vis te vangen, hij is er door geobsedeerd. Met zijn kleine pootjes springt hij rond, badderend en spetterend in het water. Af een toe een uitval naar weer een forel die dicht in zijn buurt boven het water uitspringt. Apporteren of opvreten moet hij denken.

We wandelen kilometers over de drooggevallen bodem van de rivier. Geen mens komen we tegen. Heerlijk. Het overige eenderde deel waar nog water stroomt, stroomt ook echt snel. Takken drijven voorbij. Al drie kwartier lopen we te slenteren door de prachtige omgeving wetend dat de zon lang en warm aan de hemel zal staan. De zon brand op mijn kale knar. Ik geniet. Na nog eens drie kwartier terug wandelen komen we weer bij de auto aan. Dat wordt een verlaat ontbijt. Maar wat geeft het, geen mens die je achter je vodden zit. Dit wordt weer zo’n heerlijke zwoele dag.