Een tijdperk sluit af

Dat is het eerste wat ik dacht: een tijdperk sluit zijn deuren. De nazit na de jachten in de jachthut van Arie waarin ik met Arie, Jaap, Eric, Teun, Stijn, Jan, Rick en vele anderen zo vaak diepgaande gesprekken hadden of waar er gewoon onzin werd uitgekraamd. Die jachthut is verleden tijd nu. Ook na de dood van Arie mochten we van Rina, zijn vrouw, gebruik blijven maken van de midden in het jachtveld liggende hut. Vaak blauw gestookt na een jachtdag. De hitte van het fel opgestookte houtkacheltje zorgde ervoor dat een bananenkweker jaloers zou zijn op die plek, zo enorm warm werd het er. Zoals gezegd; het is voorbij. Rina is verhuisd; het huis met daarbij ook de jachthut verkocht.

Een allerlaatste keer waren we met elkaar samen in de jachthut, als afscheid van het Arie-gevoel. Die hut, als die kon praten… Gelachen is er, gehuild, verhitte discussies waren er. We hebben het leven gevierd die avond en we hebben gesproken of diegene die ons ontvallen zijn. Gegeten hebben we, biertje en borreltje erbij.

Natuurlijk waren er verhalen over Arie, die markante man, die mij het jachtgevoel, dit virus, liet ervaren. Die mij mijn levensvisie bijbracht. Het bourgondische, het genieten, het gunnen, ik heb het ook, mede door hem. Rick sprak namens ons, jagers en voorjagers. Hij sprak mooi, weloverwogen, zijn woorden zorgvuldig gekozen. Een laatste toost, een laatste omhelzing, een laatste lach in deze hut. Arie’s hut. Een tijdperk sluit af.

Prins heerlijk

Wie is die vent, die prins? Over wie hebben we het dan? Nou ik heb het niet over een vent, ik heb het over mijn Broer, mijn Cesky Fousek. Zegt je nog niks; een Tsjechische staande hond. Cesky Fousek; letterlijk vertaald betekent het ‘hond met baard’. Nou dat klopt wel. Een ruige vacht, borstelige wenkbrauwen. Een baard en een snor. Hoe vaak het niet voorkomt dat deze deugniet gewoon ‘terugpraat’ is niet meer op 1 hand te tellen. Het is een vrolijke, open hond. Naar alles en iedereen gaat ie toe om de persoon of het voorwerp in alle hartelijkheid te begroeten of kwispelend te onderzoeken. Heeft ie wat uitgevreten en ik ben sikkeneurig, dan laat ik hem dat direct weten. Broer begint dan op zijn manier terug te praten. Altijd wil hij het laatste woord hebben. Het lijkt wel een puber. Eerder schreef ik al over zijn apporteer-kwaliteiten. Altijd loopt ie wel met iets te slepen. Waxinelichthouder op een tafeltje buiten wordt door hem binnengebracht, ook als het totaal niet nodig of gewenst is. Een emmer, ja wordt direct bij je gebracht. Basilicum uit de tuin wordt zorgvuldig geoogst. Ook als ik dat beslist niet wil. Dummy; halen; afgeven en…. er lekker mee wegwandelen. Tja, dan had ik de dummy maar sneller weg moeten stoppen. Konijn; wordt netjes gehaald, maar die ga je eerst aan alle overige honden laten zien. ‘He, zie je dit? Zie je wat ik bij mij heb? Een konijn, heb jij niet’.

Zodra ik haardhout aan het stapelen ben aan een kant van het houthok wil Broer helpen. Ik stapelen en Broer komt met een houtblok in zijn bek aan. Niet een keer maar meerdere keren helpt hij mij op deze manier mee. Totdat ik zie dat de houtblokken die ik een half uurtje ervoor aan de andere kant had gestapeld. Weg! Rotzak. Maar waar ik ook ga, hij wil mee. Fazanten slachten, yep hij staat paraat om een flintertje lever of een hartje op te ruimen. De tuin moet je tenslotte wel netjes achterlaten. Blaadjes? Opruimen en… doorslikken. Opgeruimd!

En dan de slaaphouding, de luierhouding, de pesthouding. Het lijkt wel 1 standaardpose. Daar ligt ie dan, prins heerlijk op zijn rug, met zijn armen wijdbeens. Mijn Broer.

De wandeling

37 graden. Frankrijk, de Loirestreek. Al vroeg besluit ik een lekkere wandeling met Beer, de ruwhaar Teckel, te maken. Nu eens niet in de buurt, maar met de auto een rit van 20 minuten naar de rivier de Loire. Al dagen geniet ik van de ruimte, de stilte, ik zou bijna zeggen van de eenzaamheid met ons drieen. Heerlijk!

Beer heeft er zin in, in een wip zit hij in de auto. In de auto is er nauwelijks conversatie tussen mijn lief en mij. Allebei genieten we in stilte van al het moois om ons heen. Via de landerijen en de bossen zoek ik mijn weg naar de rivier. Ik geniet met volle teugen. Zo vroeg, maar de zon brand al. In alle rust draai ik de auto het parkeervak op. Ik zie de oevers van de Loire. Zeker tweederde van de rivier ligt droog door de aanhoudende droogte. Als Beer merkt dat we stoppen laat hij weten dat het nu toch echt tijd is voor een wandeling. Vanwege de parkeerplaats die direct aan de doorgaande weg ligt lijn ik Beer eerst maar even aan. De spaarzame hoeveelheid auto’s die hier langs komen hebben volgens mij het idee dat ze op een circuit rijden, ze rijden als gekken. Maar goed, nadat we via de grasstrook eigenlijk op de bodem van de rivier lopen loopt Beer te huppelen door het zand. Elk plekje is interessant; een dooie vis, meeuwenstront, een aangespoelde tak, wier, het maakt niet uit wat. Als er een forel dichtbij boven het water uitspringt is Beer’s aandacht gevestigd op de vis. Hij moet gewoon proberen de vis te vangen, hij is er door geobsedeerd. Met zijn kleine pootjes springt hij rond, badderend en spetterend in het water. Af een toe een uitval naar weer een forel die dicht in zijn buurt boven het water uitspringt. Apporteren of opvreten moet hij denken.

We wandelen kilometers over de drooggevallen bodem van de rivier. Geen mens komen we tegen. Heerlijk. Het overige eenderde deel waar nog water stroomt, stroomt ook echt snel. Takken drijven voorbij. Al drie kwartier lopen we te slenteren door de prachtige omgeving wetend dat de zon lang en warm aan de hemel zal staan. De zon brand op mijn kale knar. Ik geniet. Na nog eens drie kwartier terug wandelen komen we weer bij de auto aan. Dat wordt een verlaat ontbijt. Maar wat geeft het, geen mens die je achter je vodden zit. Dit wordt weer zo’n heerlijke zwoele dag.

 

Stilte voor de storm?

De kersttijd is er weer. Weekendje Duitsland geboekt. Saampjes wandelen we van kerststalletje naar kerststalletje. Ik geniet! Diep weggedoken in onze jassen speuren we allerlei stalletjes af naar dat ene, dat mooie, dat bijzondere. We passeren de grote kathedraal. Ik kijk haar aan. ‘Zullen we even naar binnen gaan, een kaarsje branden?” Ik voel een brok in mijn keel opwellen terwijl ik dit zeg. We passeren de kolosale deuren en wandelen de kerk binnen. We gooien geld in het offerblok en nemen 3 kaarsjes. 2 voor haar ouders, 1 voor mijn moeder. Ik mis hen. Zorgvuldig en eerbiedig steken we de kaarsjes aan. Met veel gevoel geef ik het kaarsje een kus en plaats het op de kaarsjestafel. Ik denk aan haar, ik denk aan de band die ik met haar had. Het beeld aan de kerstdagen die mijn vader zonder haar weer gaat beleven maakt mij triest. Een traan brandt in mijn ogen. En niet veel later nog een en nog een. En voor ik er erg in heb is het weer zo ver, normaal praten lukt weer niet. Ik zit weer op slot. Er komt weer geen normaal woord uit mijn mond. Helemaal in mijzelf gekeerd. Ik zit weer op slot. Ik wil eruit, maak open denk ik. Ik voel een arm om mijn nek. Haar blik is veelzeggend. ” Het gaat weer even niet he?” Ik schud mijn hoofd. ‘Het zal wel ff stil zijn. Ik moet eerst weer rustig worden pas dan ben ik weer online denk ik’; toets ik in op Whatsapp.

Emoties, vermoeidheid, herinneringen of een combinatie er van, allemaal triggers die mij het normaal praten belemmeren. Ik raak de woorden kwijt merk ik. Langzaam vergeet ik de woorden die ik zo graag wilde vertellen omdat het te lang duurt tot het lukt om het simpelweg uit te spreken. Als je de woorden kwijtraakt die je juist wil gebruiken om te vertellen wat je van binnen voelt en je niet meer normaal kunt communiceren lijken die woorden kilometers ver weg. In je hoofd formuleer je de zinnen en uit je mond komt niets. Niets anders dan … euhuh, gruff, zniet, wulnie. Mijn ogen tollen in het rond terwijl ik probeer ook maar een zinnig woord uit mijn mond te krijgen. Zinloos, niets anders dan wat gekreun. Boos, wanhoop, angst, van alles schiet er door mijn hoofd. Word ik gek? Mijn mond lijkt bevroren. 3, 4 keer bijt ik op mijn tong of op mijn wang tijdens een poging normaal wat te kunnen zeggen. Kansloos….er komt niets. Tranen biggelen over mijn wangen. Ik voel mij gevangen in mijzelf. Tranen stromen onophoudend over mijn wangen. Via Whatsapp communiceren we het hoognodige. Het kerstgevoel is compleet weg. Ik wil schreeuwen, slaan, gillen. Zinloos! Na drie kwartier ben ik in staat stotterend mijn verhaal aan haar te doen. Pas dan ben ik weer in staat hakkelend te vertellen wat ik voel, wat er in mijn hoofd rondspookt. Het voelt niet eerlijk. Het gaat over, dat weet ik. Het heeft tijd nodig. Het stotteren blijft al wel steeds langer weg. Het rare is dat nu het stotteren langer wegblijft ik op sommige momenten helemaal niet uit mijn woorden kom.

Ja ik weet het, loslaten is mijn sleutelwoord. Laten gaan. Daarna zal het praten weer normaal zijn denk ik. Nou berg je dan maar, want dan lul ik de oren van je hoofd.

Mijn school

Sinds een paar maanden heb ik een mooie opdracht als interim facility manager bij een Engelse school. Hele dagen je verstaanbaar maken in het Engels. Sommige collega’s vinden mij erg direct in de benadering, anderen waarderen dat juist. Dat komt omdat ik in hun ogen echt alles voor elkaar krijg en overal mee weg kom. Ik struin over drie verschillende locaties en geniet. Op de hoofdlocatie, mijn standplaats, is de directie gevestigd en de jongste kinderen zo tussen de 3 en 5 jaar worden daar gehuisvest. Op een andere locatie krijgen de kinderen tussen de 6 en 8 jaar les. De laatste locatie biedt plaats aan de kinderen in de leeftijd van 9 tot en met 18 jaar. Als ik door de gangen wandel voelt het als mijn eigen school.

Het is als een, ik zou bijna zeggen; rare ervaring dat de leerlingen zo veel respect voor volwassenen hebben. Laatst sprak een meisje van ik schat 4 jaar mij aan: “Excuse me sir, may I speak at you?” ” Ofcourse you may!”; zei ik. “You are always so kind at us… and I love your tiny beard. It is still so young.” Ik schoot in de lach en wist even niets te zeggen totdat ik een antwoord had: “It looks young, but it is no puppy my love”. Met haar hand voor haar mond grinnikte ze en liep verder in de rij. Heerlijk vind ik dit soort momenten.

Voor een periode van 4 jaar word ik ingehuurd om de facilitaire afdeling op te zetten en de school klaar te maken voor de verhuizing welke gepland staat voor eind 2019.

  • verhuisplannen maken;
  • organiseren;
  • het schooleten op een hoger plan brengen;
  • training van onderwijzend – en onderwijsondersteunend personeel qua veiligheid verzorgen;
  • beveiliging coordineren;
  • de veiligheid garanderen;
  • verbouwingen coordineren;
  • centrale inkoopprocedures opzetten;
  • kwaliteit van de Support Staff op een hoger plan brengen.

Zomaar wat zaken die op mijn ‘bord’ liggen. Ik geniet met volle teugen. Zelden heb ik mij zo voldaan gevoeld. Voor een aantal jaren gegarandeerd werk, geweldig leuk werk. Pakkiedeftig wandel ik door de panden. Leren agenda in mijn hand. Met het koude weer draag ik mijn vertrouwde oranje sjaal. Een jongetje van ik denk 6 jaar vraagt: “Are you the new priest, sir?” Ik ontken hoewel mijn agenda als een bijbel volgeschreven staat met de informatie die ik dagelijks nodig heb. Kortom: ik geniet.

Weidelijkheid

Bijna de opening van het jachtseizoen. Ik ben al weer licht gespannen voor de uitnodigingen: of die komen en wanneer die komen. Een heerlijke tijd vind ik het. Ik ontmoet weer oude bekenden en nieuwe mensen waaronder boeren, burgers en buitenlui. De kou, de koffie ’s morgens vroeg, de driften, de nazit (vaak met snert en roggebrood met spek), het maakt mij wat melancholiek. Dan denk ik terug aan mijn eerste uitnodigingen als drijver en hondenman en aan mijn eerste uitnodiging als geweer. Mooie herinneringen, met af en toe een herinnering aan een jachtuitnodiging waar ik hele grote vraagtekens met uitroeptekens er achter zet. Ik zal twee voorvallen beschrijven waarbij ik vind dat deze manier van jagen beslist niet kan.

Het gebeurt niet vaak, maar af en toe kom ik mensen tegen…  Ze stinken naar putlucht en een zure lucht van zweet en drank. En ook na het jagen, tijdens de nazit, kan ik mij verbazen over het feit dat dit soort figuren nog rechtop kunnen zitten. Laat staan dat ze tijdens de jacht nog iets geraakt hebben. Een paar jaar geleden kreeg ik de uitnodiging om in de polder te komen jagen. Een groep van dertig jagers verzamelde zich rond de afgesproken boerderij. Een ieder van de geweren kreeg een post toegewezen en ging te voet naar de afgesproken plek toe. De eerste drift werd aangeblazen. Al snel hoorde ik de eerste schoten. Aan het einde van deze drift werd het tableau neergelegd. Een enkeling toonde geen enkel respect voor het geschoten wild door het wild op de juiste plek in het tableau te gooien en/of over het uitgelegde wild te stappen. Uit respect loop je om het tableau heen, maar dat terzijde. Na het leggen van het tableau werd er in het veld koffie geschonken en direct er achteraan kwamen de flessen Jagermeister. En het was nog geen half tien in de ochtend toen de plastic bekertjes soms tot de rand met Jagermeister gevuld werden. Zoiets kan niet vind ik. Met drank op een geweer hanteren is bij mij uit den boze. Zoals de Fransen zouden zeggen: ‘Je ne suis pas van lotje hè’.

De nazit was in een dorpscafeetje. Daar zat ook zo’n jager die in het veld al de nodige borrels had genuttigd. Hij zat gewoon opgebaard op de barkruk. En dat rijdt gewoon met de auto naar huis. Het zou mij niks verbazen als je een aantal dagen later in de krant zou kunnen lezen dat zo’n  iemand met een tuintje op zijn buik naast de kerk ligt. Gelukkig is dit geen regel, maar een uitzondering is het ook weer niet.

Laat ik een ander voorval beschrijven. Het is herfst. Winderig, een heel gure wind blaast over de akkers. Om en nabij de 13 graden. Al heel vroeg in de ochtend kwam ik  bij de boerderij in de polder aan waar die dag gejaagd zou worden. Een ieder werd hartelijk ontvangen met koffie en ontbijtkoek. Na de koffie legde de jagermeester de veiligheidsregels uit en wat die dag vrij zou zijn om op te jagen: fazantenhanen, konijnen, eenden, de man 2 hazen en houtduiven. Duidelijk lijkt mij zo. Na de uitleg werden de posten uitgezet en de drijvers naar hun startposities gebracht. Een oude man van ver in de tachtig kreeg een plekje toegewezen bij een dammetje. Een krukje werd voor de man uitgeklapt. De mannen begeleide de oude man uit de auto en brachten hem naar zijn krukje. Een man liep terug om de oude man’s geweer te halen en bracht hem zijn geweer. Zelf kreeg ik een post naast de oude man ongeveer 60 meter bij hem vandaan. Het duurde even maar in de verte kwamen de drijvers toch luid roepend en kloppend met een stok op de grond aangelopen. Een eerste schot viel. Niet veel later nog een schot maar nu kwam het geluid meer van rechts. Inmiddels waren de drijvers op 60 meter van de posten genaderd. Hier en daar ging er een eend op uit de afwateringsslootjes. Inmiddels waren de drijvers binnen de 30 meter gekomen. Er ging een haas op, recht op de hoogbejaarde jager af. Hij richtte, ik riep nog niet te schieten vanwege de onveilige situatie, en hij drukte af. Het haas ging over de bol en tegelijkertijd dook een drijver ineen. De drijver kreeg een lading hagel vol in zijn murf. De verwondingen vielen mee, maar dit had nooit mogen gebeuren. De oude jager is zijn geweer afgenomen. Op advies van zijn zoon heeft hij zijn geweren bij de politie ingeleverd in afwachting van verkoop ervan. Zijn jachtakte heeft de oude jager niet meer laten verlengen. En terecht. Gelukkig zijn de jagermeesters tegenwoordig strenger. Kan helemaal geen kwaad.

 

 

Herrie op een chateau

Daar hang ik dan, in een comfortabele stoel bij de vakantiewoning. Gevloerd na een geweldig mooi kasteelbezoek, sippend aan mijn nieuw gevonden wijntje. Een rosé van Syrah/Grenache/Carignan. Zo’n droomwijn, of eigenlijk een wegdroomwijn. En zo passeert de dag nog een keer. Een lome dag.

In de Loirestreek lijkt het of op elke hoek van de straat van een dorp er een kasteel uit de grond gestampt is. Dus keuze te over om er eentje uit te pikken die inspirerend genoeg voor ons is. Thuis had ik al een aantal kastelen in mijn boekje over de Loirestreek opgezocht. De vorm en uitstraling van het kasteel van Ussé is in de middeleeuwen de inspiratiebron van een schrijver geweest om het sprookje Doornroosje te schrijven. Het boekje vertelde over de te bezoeken orangerie, de zadelkamers, de wijnkelders en de vertrekken van het kasteel zelf. Inspirerend genoeg voor ons dacht ik. Zo zetten we koers naar het dorpje Ussé. Niet over de snelweg, maar gewoon met de auto zoveel mogelijk binnendoor rijdend langs de Loire en de omgeving.dscn2342

Bij aankomst blijkt dat meerdere mensen het zelfde idee hadden als wij, maar wat dondert dat, we zijn er nu toch. Allereerst bekijken we het kasteel van de binnenkant. Binnen zijn de vertrekken nog steeds ingericht zoals in de periode rond 1850. Indrukwekkend. Zelfs de rommelzolder was te bezoeken. Boeiend, maar ik heb altijd meer oog voor de keuken, de orangerie, de tuinen, de zadelkamer, de stallen, de rijtuigenstalling, de kapel en de caves. Na de kasteelvertrekken bekijken we overige bezienswaardigheden van het domein in de hiervoor beschreven volgorde. Alles prachtig onderhouden.

Na een paar uur ronddwalen op het domein zegt de natuur mij dat ik even een plas op de plaats moet maken. Zoiets doe je hier niet letterlijk, dus ga ik driftig op zoek naar een toilet. In de buurt van de caves, daar waar de wijnvaten in een uit de kalksteenrotsen uitgehouwen grot liggen opgeslagen zie ik een bordje met een pijl en de tekst ‘toilet’. Ik volg de bewegwijzering en kom terecht bij een soort halve metalen schaftkeet. Als ik de deur open zijn er twee toiletten. De ene staat op rood, bezet. Dus neem ik het toilet wat vrij is. Buiten was de temperatuur 37 graden. Een metalen gebouwtje…. juist, het was heet binnen. In het toilet zitten wanden, maar deze wanden lopen niet tot het plafond maar zijn vanaf het plafond open. Tussen plafond en wand zit ongeveer 75 centimeter. In het toilet naast mij klinkt gegrom. Kennelijk heeft mijn buurman grote problemen, alsof hij een kind aan het baren is, zo klinkt het. Al zie ik de man niet, ik krijg er altijd een soort beeld bij. Een man van een jaar of zeventig. Grijze baard. Bril met ronde glazen. Maar voor het zelfde geld is het een kerel van misschien net in de 30.

Aan de geluiden te horen kost het hem de grootste moeten datgene wat hij graag wil het daglicht te laten zien. “Grrrrrumpffff. Uhhhuhmm. Uh. Uhhuh! Mmmmfff! Merde, pas de plons.” Schaamteloos liet de man zijn inspanningen de vrije loop. Op het geweeklaag volgen een aantal flinke winden. Mede door de hitte neemt de stank ernstige, serieuze vormen aan. De aardse geuren zal ik maar zeggen, zoals van een vieze onderbroek met natte handdoek twee weken bewaard in een plastic tasje. Snel druk ik mijn plas af. Ik ben niet lang binnen geweest en heb mijn adem ingehouden. Toch kom ik zowat kokhalzend buiten. Blij dat ik buiten ben en toch enigszins misselijk van de stank laat ik mijn buurman in zijn champignonfabriek achter. Maar een ding is zeker: mijn buurman had daar schijt aan.

 

dscn2369