Gevangene van de hemel?

Mooi najaarsweer. Net een week terug van een vakantie in Frankrijk. Heerlijk de accu opgeladen. Geheel verstoken van alle contact met de buitenwereld; geen tv, geen wifi, geen telefoon (uitgezet). Tijd gehad om drie boeken te lezen. Normaal heb ik daar geen tijd voor of eigenlijk; maak ik daar geen tijd voor. Lekker relaxed. Geen gestotter meer, echt heerlijk ontspannen.

Nu even simpelweg winkelen met MijnLief in Oosterhout. We struinen van winkel naar winkel. Van onzin dingen, naar kledingzaken, van boekwinkel naar brasserie. We wandelen richting de brasserie voor een koffie en een tosti, het is tenslotte lunchtijd. Nooit een vervelende bezigheid. Vlak voordat we aan een tafeltje willen plaatsnemen zie ik een oudere vrouw. Ze zwaait. Maar dat kan niet, ze is al drie jaar dood! Ik verslik me en bazel wat onverstaanbaars. MijnLief kijkt me verbaasd aan. “Wat is er? Wat is er aan de hand?” Mummelend, stotterend, haast onverstaanbaar probeer ik duidelijk te maken wat ik zojuist zag als ze opnieuw langsloopt. Ze zwaait nog eens en is weg. Ik weet even niet hoe ik het heb. Een traan glijdt langs mijn wang. “Was ze er?; vraagt ze. Ik knik. “Morgen is het drie jaar geleden, Jan”. Ik was het vergeten, maar het klopt, morgen is het drie jaar geleden dat mijn moeder overleed. Ik had een goede band met haar wellicht dat juist daarom het onbewust in mijn gedachten is. Maar hoe en waarom ‘zie’ ik haar dan?

Ik ben best wel nuchter in veel zaken, maar bedriegen mijn ogen mij? Word ik gek? Ze is in de hemel, daar ben ik van overtuigd. Ze is dood, dan kun je haar niet meer zien. Gedachten wisselen zich constant af: ‘Wat als het wel kan?’, ‘Is dit wel mogelijk?’, ‘Mag je als je in de hemel bent wel eens even op bezoek en terug naar de aarde, als is het maar voor heel even?’. Mensen zullen mij wel knettergek vinden, maar dat boeit mij bar weinig. Ik vraag mij serieus af: hoelang moet je in de hemel blijven, 10 jaar, 40 jaar, onbeperkt en ben je dan een ‘gevange’ in de hemel? Gelovige mensen zeggen altijd dat de hemel mooi is, maar er is nog nooit iemand teruggekomen om dit te bevestigen. Het houd mij bezig, al een tijd. Alsof ik niks anders te doen heb.

Advertenties

Bijna een meisje gekocht en een Japanner geslagen

Weekje vakantie. Loirestreek in Frankrijk. Thuis herfstachtige taferelen, daar 20+ graden. Dikke Cohiba in de zon, ik had mezelf getrakteerd, zittend voor onze gehuurde Troglodyte (soort men cave). ’s Nachts was het fris te noemen, zo rond de 9 graden, in de loop van de dag voerde de zon het kwik op tot zomerse waarden; 20+.

Alleen bij het trakteren in Frankrijk ging het soms even fout. Bij het bakkertje waar ik dagelijks mijn croissantjes en baguettes haalde bestelde ik voor MijnLief een Parisienne. Ik had tenslotte aan de bakker gevraagd hoe dit broodje heette en ik hoorde hem toch echt ‘Parisienne’ zeggen. Zo’n Parisienne zag er echt heerlijk uit, zacht, licht tintje, mmmm, echt heel lekker. Ik wilde dus zo’n lekkere Parisienne dat was duidelijk! Non, non monsieur c’est un Parisienne. Dat zeg ik… Ik hoorde hem tegen zijn jonge vrouw vertellen wat ik hem zojuist vroeg in te pakken: ” Monsieur demandé une Parisienne?! Ze lachte verlegen. Uh monsieur… eigenlijk durfde ze het niet te zeggen… c’est un ‘pain au rasin’. Tja, dat is dus echt iets anders dan een Parijse vrouw waar ik om vroeg. En ik wilde toch echt iets lekkers trakteren.

Terwijl ik de bakkerij verlaat komt er een Fransman de winkel binnen. Nog steeds is de temperatuur aan de zeer magere kant, ik ging tenslotte vroeg naar de bakker. De man gekleed in korte broek, blootsvoets in sportschoenen. Tot zo ver niets bijzonders maar daar boven een kabeltrui met dikke wintersjaal. De combi is gewaagd te noemen.

Na het ontbijt achter de knopen zetten we koers naar een van de vele kastelen die de Loirestreek rijk is, het kasteel van Chenonceau. Dit kasteel dateert uit 1432, werkelijk een plaatje. Het kasteel is geheel omgeven door water. Alles is te bezichtigen van slaapkamers, werkkamers, prentenkabinet, maar ook de keukens met het zeer oude hout gestookte fornuis. Tel daarbij op dat de boerderij met moestuinen en bloementuinen ook te bezichtigen zijn en je bent er zo diverse uren onder de pannen. Een onderbreking om even lekker wat te eten in de voormalige stallen is meer dan welkom. We sluiten in de buffetrij aan en wachtten net als ieder ander op onze beurt om onze bestelling door te geven. Al wachtend nam ik alle heerlijkheden en de goddelijke dampen in mij op. De rij groeide en groeide toen er ineens iemand in mijn rug prikte. Ik reageerde in eerste instantie niet totdat ik een flinke por in mijn zij kreeg. Ik draaide mij om, zag niets, keek naar beneden en daar stond ze; een soort miniatuur Japanse vrouw van ongeveer een jaar of 65. Terwijl ik haar aankeek en niets zei maakte ze een wijzend gebaar naar zichzelf en vervolgens een wijzend gebaar naar een jonger Japans stel wat voor ons stond. Uit haar gebaren moest ik kennelijk op maken dat zij bij mijn voorstaande Japanners hoorde. Ik dacht een moment na en begon in mijn gebarentaal naar haar terug te ‘praten’. Ik stak mijn middelvinger op, wijs naar mijn oor en bewoog met mijn wijsvinger heen en weer. Ik ‘zei’ dus dat ik niet doof was, maar liet haar toch even achter mij wachten. Normaal ben ik heel respectvol naar oudere mensen, maar van deze vertoning was ik niet gediend. Ze porde nog een keer. Ik draaide mij nog 1x maal om en liet uitsluitend mijn vuist zien ten teken dat ik niet van porren houd. Ze begreep me.

Vlieg-tuig

Vliegen, ik zie er altijd wat tegen op. Die aluminium dingen heb ik in het verleden zelf gemaakt dus ik weet wat er wel en niet kan met zaken die tijdens het bouwen niet helemaal goed gingen. Maar goed, het vliegen is niet een van de dingen waar ik naar uit kijk. Ik ga liever met de bus, maar dat is zo’n eind rijden naar New York. Veroordeeld tot een vliegtuig dus. Okay, het zwerven vooraf op het vliegveld vind ik wel leuk. Een uur voordat het boarden begint krijg ik al de kriebels. Je stapt dan in zo’n metalen sigaar met veel te weinig ruimte. Het gangpad is maar 1 persoon breed. Op zoek naar je plaatsnummer loop je als een koe de andere passagiers achterna in de richting van je plaatsnummer. Eenmaal daar probeert iemand tegen de looprichting in weer terug te komen, want die is te ver doorgelopen. Eindelijk heb je je geïnstalleerd. Met zijn tweeën naast een vreemde nemen we plaats. De vreemde bij het raam, wij in het midden en naast het gangpad. Aangezien ik niet de dunste ben is het vastmaken van de gordel ook spannend, hebben die dingen wel genoeg lengte? Eindelijk zit je goed, nou ja ik zit zowat met mijn voeten op mijn eigen schouders, als de stewardessen uitleggen wat je moet doen als het vliegtuig in het water dondert of uit de lucht pleurt. Dan begint het vliegtuig op de startbaan te schudden en te brullen. We stijgen op. Lampjes gaan uit, mensen beginnen druk hun gordel los te maken. Benen strekken kan niet, ik zit zowat opgevouwen. Dan komen de stewardessen met een karretje langs om eten en drinken uit te delen, wel zelf kopen he? Als ik net mijn tafelblad heb uitgeklapt verzint mijn voorbuurman dat het nodig is om zijn stoelleuning naar achteren te klappen. Gevolg; mijn tafelblad drukt in mijn buik en staat schuin. Geen ideale plaats voor een drankje, die ligt inmiddels over mijn benen. De rest van de reis dus dorst. Terwijl ik met een schuin tafelblad begonnen ben aan mijn eten verzint de persoon bij het raam dat hij naar het toilet moet. Hij moet nodig, anders had hij wel even gewacht zo met al het eten op mijn tafelblad. Met een broodje onder mijn oksel, blikje fris in mijn hand, bestek tussen mijn tanden en twee kleine bordjes in mijn handen sta ik op. En natuurlijk valt het broodje op de grond. De man die naar het toilet moet die net passeert gaat op, mijn broodje staan excuseert zich en vertelt ‘dat je de 3-seconde-regel kan toepassen’, de lul.

Halverwege de vliegreis moet ik een plas doen. Nadat ik 5 keer ben opgestaan om het toilet te bezoeken en 5 keer ben gaan zitten omdat er mensen eerder bij het toilet waren dan ik lukt het mij om bij het toilet te komen. Als ik de deur open vraag ik mij oprecht af of dit niet gewoon een garderobekastje of een miniberging is. Het blijkt het toilet te zijn. Met mijn kont tegen het fonteintje en mijn schenen pijnlijk tegen de pot lukt het mij een plas te doen. De rits weer dicht doen gaat wat moeilijk omdat mijn armen tegen de deur en de wand bonken. Omdraaien lukt niet want dan zit ik klem. Met 1 voet in de wc-pot lukt het mij om de deur weer te openen en loop ik met 1 natte voet naar mijn plaats.

Voor ons zit een stel met een kind van 2 jaar. Het schijnt een leuk spelletje te zijn dat het kind op de stoel gaat staan en mij 2 uur aan blijft kijken. Met enige regelmaat steekt het ventje zijn tong naar mij uit. Een keer is leuk, twee keer is vervelend maar na een keer of tien ben ik staat bij het ventje zijn wangen binnenste buiten te keren en zijn wangen over zijn kop te trekken.

Een eindje verder zit een Rotterdams stel. Van het type ‘IQ van een poffertje’. “Sjon, Sjon, ik ben misselijk”. “Nie seure Mary, flink sijn”. “Sjon, ik denk dahk so’n sakkie nodig hep”. “Folhouwe Mary, we sijn ur bijna”. Maar Mary is echt beroerd, en dat terwijl er nog geen eens turbulentie is. Mary laat haar man John weten dat een kotszakje onoverkomelijk is. “Sjon, un sakkie, ik mot kokke!” John graait wat tussen de folders en de veiligheidskaart maar vindt geen kotszakje. “Sjon,…..Sjon!” Mary maakt wat kotsbewegingen maar houdt het binnen. Ineens zit ze met bolle wangen. John nog druk aan het zoeken, nu bij de folders in de stoel voor Mary. Mary slikt, de bolle wangen zijn niet meer bol. Dan vindt John een kostzakje en reikt die snel aan Mary aan. “Hoef nie meer Sjon, tis al weg”.

Inmiddels vliegen we zo hoog dat, als is het van een afstandje, je niets uit het raampje ziet dan alleen maar blauwe lucht. En dat dan 3 uur lang. Het laatste half uur is er van alles te zien, ware het niet dat de betreffende man bij het raampje alle zicht wegneemt omdat hij breeduit uit het raampje zit te kijken. Hij meldt nog vriendelijk dat we langs de kust vliegen, “zo mooi om te zien”. Je ziet dus geen pest. Eindelijk geland wordt er geklapt alsof we net een voorstelling in het theater hebben bezocht. Flauwekul vind ik dat. Als ik van Papendrecht naar Groningen naar mijn zwager en schoonzus rijd wordt er op de eindbestemming na tweeënhalf uur ook niet geklapt als we aankomen. Het vliegtuig taxiet naar de gate en koppelt aan de slurf aan. Als door wespen gestoken staat iedereen op en willen allemaal tegelijkertijd in het gangpad staan om zo als eerste het vliegtuig te verlaten. Eindelijk uit het vliegtuig blijkt dat we ongeveer een week moeten lopen om in de aankomsthal te komen om onze koffers op te kunnen halen.

Nee, vliegen is niet zo voor mij weggelegd denk ik.

Woorden-schat

Met regelmaat verbaas ik mij over onze taal. Rustig prakkiserend over de raarheid (is dat een goed woord?) van onze Nederlandse taal schieten er zinnen en woorden door mijn hoofd die het een buitenlander die onze taal wil leren de nodige hobbels zal geven. Ik zal er eens een paar opschrijven om de on-zin uit te leggen:

Onzin; spreek uit on-zin. Geen zin dus als je de verklaring van het woord letterlijk neemt.

Wat te denken van het woord ‘uitzonderlijk‘; uit-zonder-lijk. Je gaat dus uit of naar buiten zonder een lijk mee te nemen. Raar.

Wezenloos. Wezen-loos, kinderen zonder ouders en dan is er wat loos of zo?

Woordenschat; een rijkdom aan woorden klinkt nog aardig normaal.

Dan hebben we ook nog woorden waarmee we hetzelfde bedoelen om het makkelijk te maken: kak, stront, schijt, uitwerpselen en om netjes te zijn heb je het over faecalien.

Of deze; de logica is ver te zoeken. De vervoegingen lijken normaal. Roepen-riep-geroepen is normaal, poepen-piep-gepoepen kan weer niet.

Zodra je alle dialecten nog een keer op onze taal loslaat is het eind helemaal zoek. Aangezien ik in Rotterdam geboren en getogen ben zijn bepaalde uitspraken heel normaal voor mij terwijl taalkundig bepaalde woorden en zinnen beslist niet kunnen. In Rotterdam ga je niet gezellig op de koffie bij iemand, je gaat een bakkie doen. Je vraagt niet om het zout, maar om de zout. In Rotterdam heb je het niet over aardappels, maar over arepols. Iets gaat niet makkelijk, maar gaat as kakke sonder douwe. Nou, dan weet je het wel.

 

Franse cuisine

Mijn boek met reisverhalen over Frankrijk leg ik even weg. Ik doe mij tegoed aan de laatste warme zonnestralen, de zon schijnt op mijn kale bats en het bakkie pleur is net achter de knopen. Je merkt dat de zon al wat in kracht aan het afnemen is. Goed, we hadden een paar weken vrij genomen na de geboorte van onze kleindochter. Dochter en schoonzoon konden wel wat steun gebruiken na het ernstige auto-ongeluk van onze schoonzoon en direct erna de geboorte van ons kleinkind. Ik merk dat ik weer toeleef naar onze vakantie in Frankrijk. Ik voel dat ik daar hard aan ben om de accu weer wat op te laden. Wandelen langs de Loire, kuieren door Nantes, wijntje drinken op een terrasje in Saumur. Gewoon het idee om weer van die lekkere rillettes en kaasjes in te slaan, of gewoon in een restaurant een plat-du-jour te bestellen… mmmm. Dat valt mij trouwens ook altijd op als we in Frankrijk zijn: kijk eens bij een slager aldaar. Daar is het aanbod van vlees toch heel anders dan bij de slager hier. Als je goed bij die slager in Frankrijk om je heen kijkt tref je verschillende soorten vlees aan, niet standaard kip, rund en varken. Je treft daar zelfs vleesprodukten aan die hier zelfs verboden zijn. Dan denk ik aan runderhersenen of bijvoorbeeld varkensoren. Niet voor de hond, maar voor menselijke consumptie. In restaurants vind je ook gerust gerechten met pens of met varkenspoten, nieren. Doordat ik van de menukaart nooit de exacte vertaling paraat heb stel ik mij dan voor dat er gerechten geserveerd worden die de verbeelding een ietsje te boven gaan:

Voorgerecht:

  • een gebonden soep met bonkjes, verkregen door antiperistaltische bewegingen van een kat, gebonden met snijsel van paardenbloem;

Hoofdgerecht:

  • bufelpenisvoorhuidringen gemarineerd in Teckelurine afgewerkt met een vleugje gier of
  • verstopte zwanenhals op een bedje van een carpaccio van gevulde hertenreet.

Dessert:

  • hemelse modder; een mousseachtige substantie van endeldarm van de kievit afgewerkt met wat walvistraan.

Ik zou zo een Facebook-groep op kunnen zetten met durfals denk ik.

Dit is zo’n dag

Dit is zo’n dag waarin alles als een vertraagde film voorbij komt. 06:30 uur ze belt mij: “Pap, het is begonnen, maar het doet zeer joh!” Ik geloof haar. Maar wat ben ik trots op haar en wat voel ik mij vereerd dat ze mij belt terwijl de weeen door haar lichaam golven. Met tussenposen is het stil aan de andere kant van de lijn: “Sorry hoor, maar het was er weer een”. In al mijn wijsheid vertel ik dat warm douchen en rond lopen de bevalling bespoedigen. Ook maar van horen zeggen, maar goed het is goed bedoeld. Ik heb met haar te doen. En waarom belt ze mij en niet haar moeder, die weet meer over wat haar te wachten staat dan ik? Ik vind het spannend.

Om net 07:00 uur loop ik al met de honden buiten. Mijn gedachten zijn er niet echt bij. Ik loop bijna een Citroen C1 ondersteboven (ik ben toch veel zwaarder). Thuis gekomen zet ik een grote kop koffie. Zoals gebruikelijk volgens mijn vaste ritueel met koffie van de koffiebrander uit Breda, koffie Java-Makassar. Wezenloos kijk ik wat om mij heen. Dat wezenloos kijken is voor mij geen kunst, lukt altijd. Terwijl ik zo rondkijk realiseer ik mij dat ik vandaag opa wordt. Wat een voorrecht! Praten gaat trouwens niet geweldig nu. Al hakkelend vertel ik wat mij dwarszit. Iets met emotioneel-incontinent zijn en zo. Maar van blijheid dan.

Alles ontgaat mij een beetje van wat er om mij heen gebeurt. Mijn gedachten zitten bij mijn papa’s-kind. Twee uren verglijden als ik wederom gebeld wordt. “Op weg naar het ziekenhuis”; hoor ik mijn schoonzoon zeggen. Het klinkt mij als muziek in de oren. Op deze manier krijgen we ongeveer elk uur een update van de stand van zaken. “Pap, het doet heeeel zeer nu”. Als ik al stotterend vraag of ik naar het ziekenhuis moet komen antwoord ze ontkennend. “Het lukt wel pap, maak je geen zorgen je wordt alleen maar opa. Het gaat mij lukken!” Ik ben zo trots op haar. Of heb ik dat al gezegd. Ik bid voor haar en mijn ongeboren kleinkind.

Nog een paar uur dan mag ik kennismaken met deze, mijn Indo-kleinkind, die kleine Hoedat. Mijn kleine nona manis. Uren verstrijken. Geen berichten, geen updates meer de laatste uren. De zenuwen gieren inmiddels door mijn keel. “Gaat het wel goed?” vraag ik mij hardop af. Zenuwen of geen zenuwen maken geen verschil. Ik kan er toch niets aan bijdragen. Feit is wel dat de zenuwen bij mij blijven hangen, terwijl ik dat helemaal niet wil. Ik ben onrustig.

Dan komt het verlossende woord. “Pa, je bent opa geworden van een kleindochter. Ze heet Romy. Jullie komen toch wel?”. Direct spoeden we ons naar het ziekenhuis om onze kleine telg te bewonderen. Als ik haar zie liggen is het liefde op het eerste gezicht. Een rustig en tevreden kindje, zo mooi, zo glad, zo… zo lief. Als ik dit kleine Godswonder zo zie liggen ben ik sprakeloos. Dat zo’n klein mensje zoveel bij mij teweeg kan brengen…

Ze moeten allebei in het ziekenhuis blijven. De bloedwaarden van zowel dochter als kleindochter zijn niet goed. Er worden onderzoeken gedaan. Onzekerheid overvalt mij. Men weet nog niet wat het is, maar bij onze kleindochter worden wat zaken extra onderzocht. Ze vertrouwen het niet. De volgende dag worden de onderzoeken in het Sophia Kinderziekenhuis voortgezet. Mogelijk iets met haar hartje. “Willen jullie ook meegaan, als steun?” Maar natuurlijk! Al vroeg spoeden we ons naar het kinderziekenhuis. Een tweetal onderzoeken worden gedaan. Een hartfilmpje en een hartecho. De uitslag krijgen we direct te horen: een minuscuul klein gaatje in het hart waarvan men vermoedt dat dit binnen twee maanden gewoon dicht zal groeien. En als het niet vanzelf dichtgroeit is er een mogelijkheid dat haar kleine lijfje het zelf oplost door het zelf allemaal te reguleren. En anders is er altijd nog een kleine ingreep om de zaak operatief te herstellen. Terug in het ‘gewone’ ziekenhuis is er verder geen reden meer om mijn kleine badmuts aan de monitor te koppelen; ze mogen allebei mee naar huis. Wat een heerlijkheid en wat een opluchting. De rust in mij en bij het gezinnetje keert weer. Mijn gezin is weer een telg groter.

Er waren momenten dat ik niet of nauwelijks kon praten; teveel emoties. Stotteren, haperen, geen communicatie mogelijk en nu voel ik mij vrij. Meerdere keren hebben mijn nagels het die dagen moeten ontgelden. Meerdere keren die dagen was ik emotioneel incontinent, maar het meeste wat mij zo heeft diep heeft geraakt is dat zij van mij een opa hebben gemaakt.

Een zure pruim

Lekker samen met de honden even de polder in. Honden achterin de auto en relaxed rijden we richting een klein begrasd knotwilgenpaadje wat tussen de weilanden meandert. Er is geen mens, alleen wij. Het zonnetje breekt langzaam door. De honden schooieren door het gras en het riet. Mijn Broer staat ineens voor bij het kleine slootje wat het wilgenpaadje scheid van de weilanden. Een eend weet niet hoe snel hij weg moet komen. Beer rent onder een hek door en de neus staat als een stofzuiger aan de grond. Zigzaggend loopt hij het spoor uit. Tot bij het water. Een plons en Beer zwemt zo hard hij kan richting de drie eenden die hij luid kwakend laat opvliegen. Niet veel later rent Broer de wereld uit. In de verte zie ik hem rond een vrouw ‘dansen’. De vrouw, jaar of 67, staat met haar armen omhoog stil. Spelen, moet Broer gedacht hebben want hij probeert de handen die in de lucht steken te pakken. Ik fluit, maar hij komt niet. Die vrouw doet veel te leuk. Als we naderbij komen horen we de vrouw schelden: “Rothond, rot op. Sodemieter op rothond!” Als Beer dat hoort gaat hij er zich ook mee bemoeien. Je moet tenslotte niet zijn maat uitschelden. Luid blaffend springt ook hij om de vrouw heen die wild zwaaiend met haar armen bij het gespring van Broer weg wil blijven. Als we dichterbij zijn reageren de honden weer op de fluit en op mijn hand. Een stukje lamslong verricht toch een wondertje van miniformaat. We lijnen de honden aan en ik verontschuldig ons bij de vrouw. Nu krijg ik de volle laag. Maar goed, ik tel tot 200 en loop door. Aan het einde van dit paadje besluiten we om te keren en weer richting auto te gaan. De honden scharrelen weer door het gras en het riet, verdwijnen weer onder een hek richting weiland en ravotten samen wat af. Als we zo’n 10 minuten hebben gelopen staat Broer weer op scherp en neemt een spurt. Beer reageert direct en zet de achtervolging in. En ja, hoor de zuurpruim is ook omgekeerd en komt ons tegemoet. Ook nu weer staat ze stil met haar armen in de lucht en natuurlijk weer schelden. Ik fluit en waarachtig ze keren per direct om. Nu verontschuldig ik mij niet.

Ik snap best dat iemand niet van honden houdt, maar door wild met de armen te zwaaien wordt het voor de honden een echt spelletje. Als ze ons weer passeert gromt ze wat. Wij antwoorden geen van beiden. Wat een zuurpruim. Is het er een of heeft ze er een vraag ik mij dan af.