Rumah kecil (kleinste kamertje)

33 graden, onderweg op Java van Jogjakarta naar Batu met de trein. Na eerst al een treinreis gemaakt te hebben met een TGV-achtige trein, maar dan een soort GST (Gemiddelde Snelheids Trein), waren we met een wat meer, zeg maar lokale trein onderweg. Alles was ook wat meer ummm… vintage, of eigenlijk gewoon oud. Het boemelde wel lekker. Wat opviel waren de enorme hoeveelheden fruitbomen langs de spoorlijn. Jackfruit, Durian (lijkenvrucht), mango’s en bananenbomen in allerlei soorten en maten. Zelfs roze bananen hebben we gezien en dat terwijl ik niet eens dronken was. Het landschap was fabelachtig mooi. Dessa’s en palmbomen wisselden af met de zojuist genoemde fruitbomen.

Na een paar uur boemelen kreeg ik een ‘melding’ dat ik toch echt even een stevige plas moest doen. Als je het idee hebt dat als je voorover buigt het water je in de mond loopt omdat er zo’n druk op je blaas staat, dan kan ik je verzekeren dat de nood hoog was. Bij het toilet aangekomen zie ik een deur ter breedte van een schoenendoos. Ik kijk naar de afbeelding op de deur en het blijkt toch echt de rumah kecil, het toilet te zijn. Ik open de deur en zie door de deuropening een volmaakt gat in de treinvloer en een ruimte waarin je naast elkaar best zou kunnen simultaanpissen. De deur echter geeft alleen toegang tot mensen ter grootte van een kabouter met puntmuts en hengeltje. En, ik moest echt heeeeel nodig. Ik probeerde in de breedte door de deur te gaan, lukte niet. Dan maar gewoon voorwaarts zoals elk ‘normaal’ mens, kansloos. Ik moest en zou pissen. Man man, ik zou het zand tussen de stoeptegels vandaan kunnen pissen zoveel druk stond erop. Ik ga echt naar binnen, koste wat het kost; dacht ik nog. Met een soort van kleine aanloop perste ik mij met geweld door de deur. Volgens mij had het met een schoenlepel sneller gekund.

Na een opluchtende plas stond ik voor het volgende dilemma: ER WEER UIT. Een aanloopje ging niet. Ik zette maar af tegen de achterwand van het toilet en wrong mij met geweld en veel gekreun eruit. Een Indonesische vrouw zo groot als een barkruk stond al aan de andere kant van de deur te wachten tot zij toegang tot de rumah kecil kreeg. Zij wandelde zo naar binnen… Selamat pagi; zei ik nog. Mij werd geen blik waardig gegund, waarschijnlijk omdat de deur niet zo makkelijk meer sloot. Ik weet ook niet waarom.

Advertenties

Eerbied

Batu, Indonesië. 33 graden, staalblauwe lucht. Na jaren van beloftes van mijn kant: ‘Als we 25 jaar getrouwd zijn gaan we naar Indonesië’ en tegenslag waardoor dit niet lukte konden we eindelijk 10 jaar later de beloofde reis wel maken. Een rondreis van West-Java naar Oost-Java, met de boot oversteken naar Bali om nog een paar dagen bij te komen van alle indrukken. We reisden met een touringcar, trein, becak, fiets, taxi, boot en paard en wagen van west naar oost, een kleine 2000 kilometer. Een reis die voelde als thuiskomst. De cultuur, de vriendelijkheid, het respect, de taal, de mensen, het eten, het voelde zo vertrouwd. Wat totaal niet vertrouwd was waren mensen die met mij op de foto wilde of voor mij stopte, hun handen voor hun gezicht tegen elkaar drukte en een buiging voor mij maakte. Een taxichauffeur die schielijk stiekem probeerde een foto van mij te maken terwijl ik naast hem zat. Toen ik vroeg wat hij deed en wat de bedoeling was kwamen duizenden excuses, ‘Maar, mag ik alstublieft met u op de foto? Mijn vrouw en kinderen zouden dit geweldig vinden!’ Ik stemde toe, uitgebreid werd ik samen met hem op de foto gezet. Tijdens het bezoek aan een tempel probeerde een moeder met een kind van twee een zelfde actie. Een foto met een mobieltje maken op een dusdanige manier dat ik er toch echt wel opstond. Ik snapte dat er opzet in het spel was en vroeg of zij perse mij op de foto erbij wilde. ‘Nou alstublieft, heel graag!’ Samen poseerden wij met het kind terwijl een voorbijganger de foto van ons maakte. ‘Of de voorbijganger ook met mij op de foto mocht?’ Welja, waarom niet. En zo gebeurde dit nog een paar keer.

MijnLief was met een excursie mee naar de Bromo-vulkaan. Ik niet, ik voelde mij niet lekker. Wat ritmestoornissen gooide voor mij roet in het eten. Nou, dan maar even rustig aan. Om 01:00 uur was ze al vertrokken om de zonsopgang te zien op de kraterrand. Rond 11:30 uur zou ik haar terug kunnen verwachten. Na een kop koffie bij een restaurantje ben ik naar de straatkant gelopen, heb een wandelingetje in de straat gemaakt. Na terugkomst ben ik voor het hotel op een laag muurtje in het zonnetje gaan zitten in afwachting van MijnLief.

De zon op mijn kale bats brand nog net geen gaatje in mijn schedel. Ik sluit half mijn ogen tegen het felle zonlicht en wacht hier enigszins soezend tot de verwachtte bus terugkomt. In de verte komt er een oud etenverkopertje aanlopen. Aan zijn rimpels en lederachtige huid te zien moet deze man 149 jaar zijn denk ik. Met zijn juk met aan weerskanten gamellen met warm eten strompelde hij mij tegemoet. Voor mij stopte hij, legde zijn juk af, vouwde zijn handen voor zijn gezicht en prevelde wat  en boog in mijn richting. Ik volgde zijn voorbeeld en deed hetzelfde. De man pakte zijn juk op en vervolgde zijn weg. Bijzonder, dacht ik nog. Even later stopte er een scooter aan de straatkant. De berijder stapte af, kwam op de stoep staan, vouwde zijn handen voor zijn gezicht en prevelde wat in mijn richting. Hij boog, stapte op zijn scooter en reed weg. Even was ik met stomheid geslagen totdat er een auto stopte. De man stapte uit, kwam op de stoep staan, vouwde zijn handen voor zijn gezicht en deed precies hetzelfde als de scooterrijder. Ik volgde zijn voorbeeld en begroette hem op dezelfde wijze. Ik snapte er niets van.

Nadat het Bromo-vulkaangezelschap is teruggekeerd vroeg ik aan de reisleider of hij wist wat dit betekende; mensen die met mij op de foto wilden en mij op hierboven beschreven wijze groetten. De reisleider dacht na en vroeg of ik mijzelf weleens goed in de spiegel had bekeken. “Natuurlijk!”; antwoordde ik hem; “Vanmorgen nog!” “Dan moet het u toch wel opgevallen zijn dat u met iemand een grote gelijkenis vertoond: erg dikke buik, kaal hoofd en denk de bril eens weg, Bhoedda!” Ja, er begon mij toch wel een licht op te gaan nu. “En”, zei de man: “Daar komt bij dat de gedachte hier is dat mensen met een flink dikke buik ook gezien worden als mensen met veel wijsheid!” Vooral dat laatste heb ik heeeel goed onthouden!

Dagdromen

Rijdend in de bloedhete zon, weliswaar met de airco aan, dwalen mijn gedachten wat af. Ik weet het, ik weet het, een slechte combi als je aan het autorijden bent, maar het gebeurt gewoon. Van dit lekkere tropische weer verglijden mijn gedachten naar Franse contreien en immobilien zoals de Franse dat plegen te noemen. Met regelmaat trek ik een denkbeeldige cirkel met een passer vanaf ons huis met 500 kilometer tot aan het Franse erfgoed op de kaart gemeten. Alles daartussen is goed. Liefst nog aan de zeekant van het land. Dan kom je al gauw ergens in Nord-pas-de-Calais uit of in Picardie. We hebben al eens rondgereden in de omgeving van Montreul-sur-Mer. Een paar keer stonden voor serieuze ruines voor de echte klusser. Met andere woorden, aan mij niet besteedt. Nee, dan de longiere (langgerekt streekhuis) wat we met grote regelmaat huurde, dat voldeed wel. Wel een koud huis en alleen met houtkachel warm te stoken. Voor mij is die hou niet zo’n probleem, want ik ben vol vet gebouwd. Voor MijnLief ligt dat anders, die maakt nog een koprol in een TL-buis, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar dat bewuste huis was AF, de omgeving was goed, 20 minuutjes van het strand. Kortom, de ideale streek. Ik ben toen maar eens wat serieuzer bij zo’n immobilen-winkel op de prikborden gaan staren en warempel, er was er een in de buurt van dit leuke dorp waar we verbleven. Adres, voor zo ver dit erbij stond, opgezocht en op onderzoek uit gegaan. Bij het bewuste perceel aangekomen kon je vanaf de wegkant niet zien dat erachter de manshoge bramen en andere jungleachtige begroeiing een huis zou moeten staan. 3000m2 volledig overwoekerd terrein waar je met een kapmes je een weg moest banen om bij de voordeur te geraken. De stenen leken met Velpon aan elkaar geplakt te zijn. Eindelijk bij de voordeur trok ik aan de deurklink die ik prompt in mijn handen hield echter zonder deur. Met een dikke tak de deur wat verder open gewrikt en niet veel later dondert heel de deur uit de sponning. Nu is het in Frankrijk al niet netjes om ongevraagd (en zonder makelmannetje) iemands terrein op te lopen, laat staan dat je bij dit bouwval de deur eruit wrikt. Maar goed, eenmaal binnen keek ik richting plafond en zag de lucht. Een boom was omgewaaid en had ‘lichtjes’ het huis geraakt. ‘Het heeft potentie’ zouden anderen wellicht zeggen, ik ben omgedraaid. Als ik net uit dit overwoekerde oerwoud kom begint een voorbijganger op een fiets met een kwaad gezicht te raaskallen. Nu is mijn steenkolen-Frans van dien aard dat ik, indien er rustig tegen mij gepraat wordt, ik deze persoon kan verstaan. Deze man goot echter een woordendiarree over mij uit. Totdat ik het zat was: ” Ja je moeder….”; brieste ik hem toe. Waarschijnlijk door mijn kordate pas in zijn richting, de taal die hij niet begreep en mijn boze blik heeft hij eieren voor zijn geld gekozen en vertrok hij met gezwinde spoed.

Bij ons vakantieverblijf aangekomen buig ik mij over de nutteloosheid van 2 door mij gegraven plantgaten in de tuin van de vakantiewoning waarvan ik vergeten ben waarom ik die gegraven had. Ik besluit om met ontbloot bovenlijf in de zon mijn ogen even te sluiten. Als ik na anderhalf uur diep zwetend wakker wordt en mijn rechterhand van mijn borst haal terwijl de linkerhand er al slapend gevoelloos vanzelf af valt lijkt het net of ik in wit de provincie Utrecht op mijn borst heb geschilderd. Als ik wat verwilderd om mij heen kijk vraagt MijnLief: “Heb jij het ook zo warm?” ‘Welnee joh die felpaarse auberginekleur bij mij is van de make-up joh!” Ja, ik flap er nogal eens wat uit zonder er goed bij na te denken.

Ik kijk nog steeds naar Franse huisjes en bezittingen met behulp van mijn pc. Nog steeds niets gevonden wat mijn hart een huppeltje extra laat maken. Maar zo’n zoektocht geeft een mens weer wat te doen. En, wegdromen kan nog steeds.

Als geluk tastbaar is

29 graden en volop zon. Geen zuchtje wind en de vooruitzichten zijn veelbelovend.

Als God in Frankrijk. Wie kent dit spreekwoord niet? Voor een ander zal er wellicht een ander land kunnen staan, bij mij is dat echt Frankrijk. Laatst mochten we weer een week genieten van de heerlijkheden van dit land. Zon, ruimte, rust, kaasjes, worsten, culinaire hoogtepunten.

Met enige regelmaat verblijven we in Frankrijk in een Troglodyte, een grotwoning, in La Bournee, een buurtschap in de buurt van Saumur. Uitgehouwen zandsteen onder het maaiveld. De rivier de Loire dicht in de buurt. Jachtvelden om de hoek.

Voor de opening is dan een nette voorgevel gemetseld, natuurlijk van zandsteen. Op het dak (het maaiveld) de normale begroeiing, in dit geval een leuke tuin. De honden kunnen lekker rennen in de tuin op het niveau van de woning. Vogels van allerlei pluimage fluiten alsof hun leven ervan afhangt. Een gekrakeel van vogelgeluiden, heerlijk. Voor de rest niets, geen bijgeluiden uitsluitend vogels. Met regelmaat zie je een hagedis of een slang langs de wanden van de uitgraving een nog beter plekje zoeken om op te warmen in de zon.

We besluiten Tours te gaan met een tussenstop in Montsoreau. Even een ontbijtje met koffie en een croissant op een terras, maar vanwege de drukte zat dat er niet in. Iedere 2e zondag van de maand is er antiekmarkt. Eentje waarvan de kwaliteit en de diversiteit aan spullen tot buiten de landsgrenzen bekent zijn. Langzaam schuifelden we van kraam naar kraam. Wat mij het meest intrigeerde was een kraam met gesmeden sloten en sleutels van wel zeer oude deuren. En, alles nog goed werkend. Even twijfelde ik om zo’n slot mee te nemen voor bijvoorbeeld onze tuindeur of zo. Maar ja, veel te groot, te robuust. Nadat we echt alles gezien hadden liepen we op ons dooie akkertje naar de auto om onze weg te vervolgen naar Tours.

Tours, zo’n gezellige stad met een oud en een nieuw centrum. Ik ben meer voor dat oude centrum met zijn vakwerk huizen. Het lijken wel huizen en winkels uit een attractiepark. Ik geniet. Winkeltjes met outdoor spullen, winkels met wijn, met ambachtelijke nougat, een winkel van een couturier waar echt alle kleding nog maatwerk is, een snoepwinkel. Ik kwijl nog net niet.

Wandelen maakt dorstig! Als we op het centrale plein van het oude centrum komen omarmen de terrassen elkaar. Een ruim aanbod; restaurantjes, bistro’s, cafeetjes. We besluiten het er even van te nemen met een glaasje wit en een Frans biertje, die ijskoud is. Ik realiseer mij dat in dit geval geluk tastbaar is. Even helemaal niets moeten, nergens aan hoeven denken of ergens mee rekening moeten houden en dan mensen kijken genietend van een koud biertje. Proost!

DSCN1868

antiekmarkt van Montsoreau

 

Flashback

Het is koud, -7 met een gevoelstemperatuur van -17 graden Celsius. Hier en daar sneeuw. Vanuit mijn werk onderweg naar huis, over de A2. Het schiet maar langzaam op. Het begint al wat te schemeren. Kinderen schaatsen op het ijs. Een leuke sliert met jongens en meisjes vermaken zich op het ijs.

Het is koud, -10 op de thermometer. Overal ligt sneeuw. Vanuit school spullen thuisbrengen, schaatsen pakken en naar het ijs. Het schoot maar langzaam op. Op de Lede ligt goed zwart ijs. Jongens waren bezig een echte goede baan op het ijs te maken. Aan de rand van de sloot ging ik op een oude krant zitten om mijn schaatsen aan te trekken. Ik had ze net nieuw gehad. Met enige kracht trok ik de beschermers van de schaatsen en legde ze naast mijn schoenen op de kant. Wat onstabiel maakte ik mijn eerste slagen op mijn nieuwe noren. Ik was er groots mee. Het schaatste lekker, maar zo nu en dan moest ik mijn evenwicht nog wat hervinden. In de verte kwamen twee meisjes aan schaatsen. Een met donker haar. Dat is het enige wat ik mij van haar kan herinneren. Welke kleding zij droeg en op wat voor schaatsen zij schaatste kan ik mij niet meer voor de geest halen. Van het andere meisje weet ik nog elk detail; schouderlang hoog blond haar, oorbelletjes in de oren, een zilverkleurig donsjack aan met een skinny spijkerbroek eronder en schaatsend op witte kunstschaatsen. Al babbelend schaatste zij mij tegemoet. Onze blikken kruisten elkaar. Ik probeerde mij letterlijk staande te houden op het ijs. Wat was ze leuk. Terwijl ik naar het einde van de oneindige sloot schaatste merkte ik op dat haar vriendin weg was en zij kort achter mij aan schaatste. Ze had de beschermers van haar schaatsen in haar handen en zwierig kwam ze langszij. “Wil je mij helpen? Ik kan nog niet zo goed schaatsen”; zei ze. “Als je mijn beschermer ook vasthoudt lukt het mij vast beter”. Ik pakte de beschermer vast. Samen schaatste we verder. Ze loog trouwens, ze kon schaatsen als een tierelier, maar dat boeide mij op dat moment maar weinig. Hier schaatste ik samen met een voor mij wild vreemd meisje, een heel mooi meisje. We schaatste van het ene einde naar het andere einde van de sloot. De tijd vergleed. “Kom, geef me je hand, zei ze, dan heb ik wat meer houvast”. En teder schoof ze haar hand in de mijne. Ik voelde mijzelf gloeien,…wellicht door de kou. De straatlantaarns gingen aan. Vijf uur, tijd om naar huis te gaan. Maar ik wilde niet. Zij moest naar huis zei ze; ‘Want als de lantaarns gaan branden is het vijf uur en daarna gaan we eten”. We deden onze schaatsen uit, onze schoenen aan en liepen over het besneeuwde gras naar de straat. Ze zei gedag en op een hollende rende ze linksaf richting de Brink. Ik heb haar het hele eind nagestaard want ze was zo leuk.

De volgende dag wist ik niet hoe snel ik vanuit school naar huis moest rennen om mijn schaatsen te pakken en richting het ijs te gaan. Terwijl ik richting het ijs liep en op oude kranten plaatsnam om mijn schaatsen aan te trekken speurde ik de sloot af of ik haar ook zag. Maar nee, ik zag haar nergens. Teleurgesteld schaatste ik naar het andere einde van de sloot. Ik zag haar nergens. Ineens werd ik vanachter in mijn rug gebonkt. “Jij was er eerder, maar ik kon je niet bijhouden”. Ze hield mij met beide handen vast. “Kom dan gaan we weer”; zei ze. “Geef me je hand” zei ik stoer. Direct klemde ze haar hand in de mijne. Aan het andere einde van de sloot stopten we even. Ze kwam voor mij staan en omhelsde mij. Haar hoofd legde ze tegen mijn borst. “Leuk he, zo samen schaatsen?” Leuk, ik vond het hemels. Voor mijn gevoel heeft er twee maanden ijs gelegen. Toen het ging dooien zag ik haar niet meer. Hoe zij heette weet ik niet want ze heeft haar naam nooit genoemd. Hoe oud was ik? Ik schat dertien jaar.

De auto achter mij toetert, we schuiven weer vier meter op in de file. Een sliert met jongens en meisjes vermaken zich op het ijs.

Winter

Als je naar buiten kijkt lijkt het geen winter, eerder lente. De crocussen steken hun koppie boven de grond, de zon schijnt uitbundig en de zonnewarmte wint aan kracht. Maar als je buiten loopt zegt de temperatuur toch anders, -5. En dat terwijl we niet eens met wintersport zijn, maar gewoon in ons eigen kikkerlandje duiken de temperaturen naar beneden. -10 tot -13 in de vroege ochtend bij een gevoelstemperatuur van -14 tot -17 graden. Eigenlijk heb je geen thermometer nodig, je merkt het vanzelf dat het hard vriest als je struikelt over de hondendrollen in plaats van dat je er door uitglijdt.

Vanmorgen even met Frits wezen sporten in het park. Even, want ik kotste zowat mijn hart uit. Al dagen aan het kwakkelen, hoesten, wat verhoging. De laatste oefening deed mij bijna de das om. Maar goed, ik heb weer wat gedaan. Een paar spierpijnopleverende oefeningen, waarvoor dank Frits. Een half uurtje oefeningen gedaan. Echt koud had ik het niet, totdat… door het even op adem komen en het stilstaan ik het gevoel had dat mijn tenen los in mijn schoenen lagen. Maar al met al weer bewogen en daardoor 10 gram afgevallen onder mijn ogen. Het is het waard!

Nu de 11 stedentocht nog en het is echt winter. Het wordt tijd.

Bereikbaar

Met veel plezier schrijf ik over geneuzel wat ik meemaak. Soms kijkend over de schouder van een ander, soms vooraan staand bij de dingen die er toe doen. Dan weer over zaken die totaal onbelangrijk zijn, maar wel leuk om er op papier over te zeiken en te ouwehoeren. Heerlijk vind ik dat om te doen. Zou ik niet schrijven, dan moet ik proberen teveel leuke dingen te onthouden om hierover later ooit nog eens te kunnen vertellen.

Je moet het willen zien.

Op mijn dooie gemak rijd ik met de auto door het dorp. Hierbij passeer ik regelmatig bushaltes. Bij de verschillende bushaltes die ik passeer staan reizigers te wachten tot de bus arriveert. Wat mij opvalt zijn die reizigers. Allemaal met het hoofd omlaag. Kijkend op hun mobiele telefoon. Een toeterende auto wordt niet eens opgemerkt. Allemaal zijn die reizigers verzonken in hun telefoon. Twitter, Snapchat, Facebook, Badoo, Tinder of God mag weten welke app heeft hun aandacht. Niemand praat met elkaar. Vind ik ook zoiets; Facebook, een mooi medium waardoor ik met overzeese familie alweer een tijd contact heb. Ik zie op foto’s en berichten hoe het mijn oom, tantes, neven en nichten vergaat. Maar als ik dan de keerzijde van de medaille bekijk; ik krijg van de meest onbekende mensen uit zowat elk deel van de wereld vriendschapsverzoeken. Of ik met hen ‘ vrienden’ wil worden. Geen idee waarom die mensen met mij bevriend willen zijn. Zij spreken mijn taal niet, ik die van hen niet (mijn Swahili is de laatste tijd slecht te noemen). Iedereen leeft maar op de automatische piloot. Dat deed ik zelf overigens ook. Zeker in dit nieuwe jaar ben ik bewuster gaan leven, bewuster gaan nadenken. Ik ben dankbaarder geworden voor hetgeen ik mijn ‘ bezit’ mag noemen. Het woord ‘ bezit’ is hier eigenlijk relatief. Maar als je je bewust bent hoe gezegend je eigenlijk bent, sta je toch weer met beide benen op de grond in het leven. Laat het maar komen zoals het komt, wees er bewust van.

Even terug naar het leven met het gezicht naar beneden, kijkend uitsluitend naar al die app’s op de telefoon. Ook zoiets door uitsluitend snel te reageren en direct door te gaan naar een ander bericht of app maak je soms snel schrijffouten die nogal knullig overkomen. Zo las ik van een vrouw dat ze het fijn vond dat ze op die bewuste pagina ‘gelikt’ wilde worden. Dan zou haar pagina meer mensen trekken. Ja, dat kan ik mij dan wel voorstellen.

Ik denk terug aan zo ongeveer 1993, het ontstaan van de mobiele telefoon. Was je een echte zakenman, dan had je een mobiele telefoon. Zo’ n grote accu, loodzwaar, met een grote telefoonhoorn. De eerste auto’s werden uitgerust met een telefoon die je op de haak kon gooien. De meeste jonge mensen weten niet eens hoe een bakeliet telefoon eruit zag. Daarna kregen we de Kermit, een platte mobiele telefoon, die je van greenpoint naar greenpoint moest brengen. Alleen bij zo’n greenpoint was een antenne waar je bereik had. Later kregen we van allerlei merken zaktelefoons. Hiermee kon je uitsluitend bellen. Later kwam hier het sms-en bij. Denk maar eens aan die beruchte Nokia 3310, wie had hem niet. En nu, nu kunnen we zo te zien niet meer zonder. Ja natuurlijk vind ik een mobiele telefoon handig. Echter, af en toe vind ik het een straf. Standaard als we met vakantie zijn zet ik dat ^%%$#-ding uit en lever ik het bij MijnLief in. Onbereikbaar voor iedereen die geen familie is!

Ook zoiets; stel je eens voor dat je in plaats van reageert met een duimpje, hartje, boze- of trieste-emoticon gewoon eens life tegen mensen aanpraat. Stel je gaat langs bij je buren in de straat om je kleinkind te laten zien of je komt met je geweer aan de deur. Ik vraag mij dan af of er ook een duim omhoog gaat. Je buurman staat de auto te wassen en je loopt naar buiten en roept ” Vind ik leuk”. Volgens mij komen dan die mannen in witte jassen je ophalen en doen ze je een pyjamajasje aan waarvan de mouwen op je rug vastgemaakt kunnen worden en nemen ze je mee om ergens te gaan logeren. Tja, dan ben je even niet ‘ bereikbaar’.