In de ban van de… hond

Na de dood van Dibbes, onze Duitse Staande Draadhaar, hadden we na een periode van verdriet besloten dat er weer een hond bij zou komen. Een Cesky Fousek, een Tsjechische voorstaande  hond. Een echte werkhond, maar met een zachter karakter dan een Duitse Staande Draadhaar. De kennel is uitgezocht, de keuze is bepaald.

Als we wakker worden en opstaan ligt Bram, de oude Ruwhaar Teckel, te bibberen. Pijn! Nu had Bram wel een tumor in zijn lies maar had er ogenschijnlijk niet echt last van. Bibberen en zachtjes gepiep doen mij besluiten naar de dierenarts te gaan. Mijn oudste dochter besluit met mij mee te gaan om Brammetje tijdens de autorit bij te staan. Bram loopt gewillig mee richting dierenartspraktijk. De dierenarts onderzoekt hem en het blijkt dat ie geen last heeft van de tumor, maar van een lichte hernia. Toch besluiten we hem aan de tumor te laten opereren. Dit betekent een algehele controle om te zien of Bram’s gezondheid dit toelaat. Nou… foute boel. Bram is helemaal niet gezond. Buiten de tumor heeft Bram last van hartruis en hartritmestoornissen. Op de vraag hoe oud Bram is antwoord ik dat ie ruim 11 jaar is. De dierenarts mompelt wat. “U heeft 65% kans dat Bram na de operatie niet meer wakker wordt”. Zo dan, daar had ik niet op gerekend. En direct de mededeling van de dierenarts dat Bram per direct vollledige rust moet. Dus geen lange afstanden wandelen. Niet meer rennen enzovoorts. Ik meld de dierenarts dat ik met Bram af en toe nazoeken op aangereden of aangeschoten grofwild doe. “Nu niet meer hoor”; krijg ik als antwoord. Bram moet per direct met pensioen. Hmmm. Thuisgekomen meld ik mijn vrouw wat mij is verteld. Dat betekent dat de aanschaf van een Cesky Fousek wordt uitgesteld. Ik bel met Leo van Teckekennel Uijt de Pracktijck. Deze mensen hebben precies de Teckels die qua uiterlijk en karakter bij mij passen. Ze verwachtten dat binnen twee of drie dagen hun teef gedekt zou worden. Na een aantal weken meldde Leo dat de moederhond drachtig was. En dan volgt het lange wachten. Na een aantal weken kreeg ik de mededeling dat er 5 puppy’s geboren waren. 4 reuen en een teefje. Wij wilden een reutje. Na 9 weken lang wachten is het zo ver en mogen we onze Beer ophalen. Vanaf dat moment ben je weer helemaal terug bij af. Vroeg uit bed want er moet in de vroege uren een plas gedaan worden. Maar ook de training tot zweethond moet weer van start. Ook geen sinecure.

Ik ben weer aan het werk. Bij commando ‘Kussen’ schieten er nu 2 Teckels onder de tafel en weten dat ze niet moeten gaan klooien. Ik ben tenslotte aan het werk. En dan krijg je een plaatje zoals je ziet op de foto. Ze blijven 2 uur zo liggen. Kop koffie zetten betekent direct SPELEN. Koffie is op en wederom duiken ze op het kussen. Dan, als er weer 2 uur voorbij zijn krijgt Bram, de oude Teckel het aardig met dit kleine wurm te stellen. Zorgvuldig wordt er in Bram zijn oor gebeten, er geprobeerd een stuk vel los te scheuren, een lip te perforeren. Okay, maar eventjes de tuin in. Het is na een paar minuten wel erg stil buiten. Bij inspectie blijkt er een stuk clematis IN de border te zijn opgegraven en afgebeten, goudsbloemen vertrapt en loopt Beer met een steentje in zijn bek. Ik zie hem slikken en met een zweefduik kan ik nek voorkomen dat die kleine rat hem doorslikt. Pfff. Vrouwlief stapt binnen en de rotzak zie ik weer stil en braaf op zijn kussen liggen met een gezicht van ‘It wasn’t me!’

Om de 2 uur ga ik met de honden naar buiten. Bram vindt dat heerlijk, dat is vaker dan toen hij alleen was. Bram doet zijn plas en zijn poep en maakt lekker zijn rondje. Beer loopt lekker vlot mee, kijkt wat Bram doet en denk volgens mij ‘f**ckit, dat doe ik niet op een vieze straat of in het gras. Laat mij dat maar binnen doen.’ En ja hoor, ik stap met de honden binnen en direct wordt Pluis de kater belaagt. Gelukkig bijt Pluis wel van zich af en mikt een paar wel geplaatste meppen op de kop van die kleine rekel. Eenmaal binnen denkt Beer dat poepen in de kamer zo hoort en neemt de karakteristieke houding aan. Je hoort hem wat bezweringen uitspreken en mijn vrouw rent naar hem toe om hem mee naar buiten te nemen. Net op tijd. Hij poept buiten in de tuin. Gelukkig. Zwabberend loopt ie naar binnen, hij heeft slaap. Hij kijkt naar zijn kussen, zakt wat naar beneden en doet een plas waar een volwassen vent jaloers op zou zijn. Hup, weer met keukenrol in de weer. Er wordt wat afgedweild in huize Brand. Zowel door ons als door die kleine rothond. Als ie weer in de kamer plast fluister ik Beer in zijn oor dat als dit zo doorgaat ik hem terugbreng of naar de kinderboerderij breng alwaar ik hem over het hek zal gooien. Hij lijkt niet erg onder de indruk.

Ik besluit kleine Beer te vertellen van mijn geweer met kaliber .308 en dat daar deelmantelpatronen in kunnen. En zie hier het resultaat.

Beertje onder tafel

Advertenties

Dan zie je niets

Al vroeg in de ochtend was ik in het bos. Stilte alom. Vogels zongen. Een haas rende weg bij het zien van mijn gestalte. De zon scheen door de bomen en belichte de stammen en de gevallen bladeren. Rust, niets dan rust. Hier geniet ik enorm van. Langzaam bewoog ik mij door het bos om sporen uit te zetten voor de cursisten die ik rond 10:00 uur bij de rand van het bos verwachte. Staartmeesjes vlogen al kwetterend in grote groepen af en aan. Net of dat ze boos op mij waren omdat ik hun gebied binnendrong. Zoveel moois, zo’n heerlijke rust.

Na het uit zetten van de sporen sprokkel ik meestal nog een hoeveelheid haardhout bij elkaar. De overblijfselen van de houtkap van een jaar geleden. Alle uitheemse bomen zoals de Amerikaanse eik of Douglasspar moesten het ondanks hun hoge leeftijd ontgelden. De restanten van de afgebroken takken van de eik zoek ik altijd bij elkaar. Het is tenslotte hardhout. Elke keer levert dat weer een avondje stoken op. Tijdens het sprokkelen zie ik altijd vaste bezoekers hun hond uitlaten in het bos. Zij kennen mij, ik ken hen. Door hun komst weet ik hoe laat het is. Zij komen stipt op vaste tijden met hun hond. Zo groet ik de accountmanager van hondenvoeding met haar hond, een jager met zijn Bracco Italiano en de oude vrouw met haar Airdaleterriër. Sporen zijn gezet, hout is gesprokkeld. Tijd voor een kop koffie en wachten op de cursisten.

Als ik besluit nog even een wandelingetje te maken stopt er auto. Een vrouw, twee kinderen en een drukke hond springen uit de auto. Direct raust de hond door het bos. Zo druk als de hond is, zo zijn ook de kinderen. Al roepend en schreeuwend naar elkaar beginnen zij aan hun boswandeling. Volgens mij kun je als je 3 meter van elkaar vandaan loopt elkaar best nog verstaan. Maar nee, het moet roepend en schreeuwend. “MAM, ER ZITTEN TOCH BEESTEN IN HET BOS?” De moeder antwoord bevestigend. Hoewel ik al een eind bij hen vandaan ben hoor ik duidelijk het antwoord van de moeder. Na een half uurtje kom ik bij de auto terug en schenk mijzelf nog een kop koffie in. Al roerend sta ik een spektakel gade te slaan van een moeder met twee zeer drukke kinderen en haar hond.

In de verte nadert een auto. En plots zie ik de hond een run nemen en waar ik bang voor was gebeurt: auto vol in de remmen omdat de hond vlak voor de auto de weg over rent. De automobilist draait zijn raam open en direct krijg ik de volle laag. Ik probeer de man nog uit te leggen dat het niet mijn hond is, maar dat hoort de man al niet meer. Even later komen de vrouw en de twee kinderen aan. Als ik haar aanspreek over de hond en de remmende auto krijg ik als antwoord: “Ja, dat doet ie wel vaker. Echt vervelend hoor”. Geen excuus of wat dan maar ook alleen maar: “Waar is mijn hond meneer?” Als ik aangeef geen idee te hebben waar de hond gebleven is word ik zelfs vermanend aangesproken. “U had toch wel even kunnen kijken waar Bo naar toe is gerend?” Als ik probeer te vertellen dat ik door de automobilist de volle laag kreeg en dus niet zag waar de hond heen rende wordt dit al niet meer gehoord.

De cursisten komen een voor een aan en drinken een kop koffie. In de verte zie ik de vrouw met de twee kinderen en de hond aankomen. De kinderen nog steeds schreeuwend en roepend naar elkaar en naar de vrouw. “JAMMER HE MAM DAT WE GEEN DIEREN HEBBEN GEZIEN?” Nee, met zoveel herrie zie je echt niets.

Mijmermomentje 2

Eerder schreef ik al dat ik geloof dat dingen niet zonder reden gebeuren. Nu ontmoet ik de man achter de  inspirerende titel Lopend Stilstaan, de titel die ik een jaar geleden op internet vond. Ik trof hem voor het eerst in den lijve tijdens een Open Coffee-bijeenkomst in mijn woonplaats. Samen elkaar inspireren tijdens een wandeling was de volgende ontmoeting. Twee coaches/trainers aan de wandel. Wat dan opvalt zijn de raakvlakken, de verschillen zijn miniem. Het is aftasten wat kan jij, wat kan ik. Hoe ben jij, hoe ben ik. En al wandelend komen we tot de conclusie dat we meer raakvlakken hebben dan verschillen. En dan is het bezinnen; kunnen en willen we iets gezamenlijk doen?

En nu, nu ben ik voor mijzelf op een rijtje aan het zetten waar mijn kansen en bedreigingen liggen. Ik ben mijn sterktes en zwaktes in kaart aan het brengen. Ik wil mijzelf en mijn bedrijf zo goed mogelijk op de kaart zetten. Kom maar op met die trainingen, coaching of andere opdrachten. Ik ben er klaar voor.

En wat verder ter tafel komt. Dat staat altijd zo leuk in een agenda van een vergadering. Tja, wat komt er verder ter tafel. Ja, ideeën zat; websites die aangepast moeten worden. Reclamemateriaal ontwerpen of, nou ja niet echt ontwerpen maar reclameobjecten verzinnen. Ook leuk. In 2008 had ik zwarte mutsen met geborduurd mijn logo erop. Dan is het hartstikke leuk als je in de winter iemand voorbij ziet schaatsen of aan het hardlopen is met mijn muts op. Nu denk ik aan sjaals. Ik denk aan het laten maken van een beachflag. Zodra ik een workshop of coaching ergens buiten houd dat men direct kan zien aan de beachflag waar iemand moet zijn. Lijkt mij leuk. Maar ook zit ik te denken aan kleine schrijfblokjes met logo of potloden in de vorm van een takje. En ook een oldtimer Landrover Defender staat op het verlanglijstje. Mijn ultieme droom met speciale bestickering. Camouflage in beige met zwart. Vanmorgen zag ik precies een foto van zo’n auto met vergelijkbare bestickering. En dan krijg ik een rilmoment. DE AUTO, precies het model wat ik graag wil en dan ook nog in de kleuren zoals ik die wil. Beige en bruin, de kleuren van Jan Brand Zweetwerk, zwart de achtergrondkleur van B On The Move. Hoe bizar is dat? Ook dit heeft kennelijk zo moeten zijn. Noem het een inspiratiemoment of mijmermoment. Ik kreeg in ieder geval een rilling. Zo’n lekkere 😉

Arie Snijders is niet meer

Het nieuwe jachtseizoen gaat bijna weer beginnen. Het beloofd veel goeds. In het veld heb ik aardig wat fazanten gezien, de nodige hazen en veel eenden. Ik denk dat het een mooi seizoen wordt met veel wildbraad.

Vanmorgen was ik voor schadebestrijding op de duiven bij de manege bij Stephanie, mijn dochter. Zij beheert de manege. Er zitten zo ongelofelijk veel verwilderde postduiven. Bovendien mankeren ze allemaal wel wat. De een heeft maar twee tenen aan een poot, de ander loopt op stompjes en weer een ander heeft rare uitslag rond de ogen of een zakdoek in de poot. Maar serieus. Stephanie had al aangegeven dat zij voor koffie zou zorgen.

Tijdens de koffie vertelde Stephanie nog over de keren dat zij mee mocht als drijver bij Arie Snijders. “Weet je nog pap bij Arie; met z’n allen in dat kleine hokkie eten na de jacht? Het was er zo klein en het zag er blauw van de sigarenrook. En die ketel met varkenskoppen pruttelend in de bijkeuken? De houtkachel werd door Arie zo hoog opgestookt dat een Zweedse sauna er niks bij was. Toen liet Arie mij nog proeven van zijn zelfgemaakte zure zult”. Ja, ik wist het nog. 

Het is inmiddels alweer bijna twee jaar geleden dat Arie op de dag van de opening van het jachtseizoen er tussenuit piepte.

Precies op die dag kwam ik 10 jaar eerder voor het eerst bij Arie. Op de kop af 10 jaar. Dat weet ik omdat toen mijn goede apporteur, Bengel de Golden Retriever dood ging. Arie vroeg aan de telefoon: of dat ik zin had om eens langs te komen; “Want jij schijnt een goede hond te hebben”. Dat was 10 jaar geleden.

Toen Rick mij verteld wat er gebeurd was stond Ik perplex, ik was sprakeloos en kon moeilijk de juiste woorden vinden. Rick had het ook moeilijk. Er vielen ongepaste pauzes in ons gesprek. Pauzes waarin we allebei ons probeerden te vermannen. Maar tevergeefs.

Arie, zo’n markant figuur. Het kan niet, het zal toch niet? Het is maar al te waar. Rick vertelde dat hij vrijdag nog bij Arie een bakkie deed en erna een borreltje. In het weekend werd Arie beroerd, misselijk, kotsen. De dag erna hoge koorts. Huisarts erbij. Naar het ziekenhuis concludeerde hij. In het ziekenhuis troffen de artsen een forse tumor bij de maag aan. Arie is niet meer wakker geworden. Heel de dag was ik mijzelf niet. Die dag zette ik mijn gevoelens op papier. In een brief aan Rina, zijn vrouw, gaf ik aan wat Arie’s dood met mij deed. Rick belde een dag later met het verzoek van Rina of ik mijn brief tijdens de uitvaartplechtigheid wilde voorlezen. Geen seconde hoefde ik hierover na te denken. Natuurlijk zou ik dat doen. Van Rick hoorde ik dat Arie’s jachtvrienden een prominente rol zouden spelen tijdens de uitvaart. Jaap en Erik waren twee van de dragers. Rick bespeelde het orgel en zou na mij spreken tijdens de uitvaart.

Twee dagen later viel de rouwkaart op de mat. Een nette typisch-Arie-kaart. Met naast de bekende bloemen een geweer en binnenin een afbeelding van een fazant. Dat was Arie.

Dan breekt de dag van de uitvaart aan. Ik voelde me wee. Zenuwachtig was ik niet om voor een grote groep mensen te spreken, maar ik voelde me raar, verdrietig, terneergeslagen. Er zat een rotgevoel in mijn systeem wat ik maar geen plek kon geven.

Als ik bij de kerkzaal kom ben ik veel te vroeg. Ik zoek een plekje in de kerkzaal. Schuifelend kwamen mensen binnen en langzaam stroomde de zaal vol. Toen de plechtigheid aanving werd de kist van Arie binnengedragen. Op zijn kist zag ik een klein net bloemstukje en een… een… Ik kon het niet goed zien. Dan zag ik dat het zijn patronengordel was die opgemaakt was met kleine bloemen. Nu had ik het echt even slecht. Ik moest mijzelf echt vermannen. En wonder boven wonder lukte dat. De begrafenisondernemer wenkte Rina en Marleen, Arie’s dochter, om naar voren te komen. Kranig waren beide vrouwen, echt kranig. Met zoveel verdriet toch een nette toespraak houden is niet iedereen gegeven. Het eerste lied schalde door de kerkzaal en niet veel later was het mijn beurt om te spreken. Met een diepe zucht begon ik met mijn brief. Het kostte mij moeite om de brief voor te lezen. Gelukkig met wat pauzes op de juiste momenten slaagde ik er in de brief netjes te verwoorden.

Na de kerkdienst sloten we in een stoet achter Arie’s kist aan op weg naar de begraafplaats. Arie werd toevertrouwd aan zijn laatste aardse rustplaats.

Arie, buitenmens pur sang. Hij was altijd met een vorm van eten bezig of praatte daar over. Een man naar mijn hart. Niet een prater als het over gevoelens ging, maar af en toe een praatjesmaker in de goede zin van het woord. Hij vertelde zijn verhalen met zoveel smaak: “Joh, ik schoot op 200 meter een spreeuw uit de lucht. 2 seconden later tijdens de val van het dier bleek het toch een duif te zijn. Niet veel later was het een eend. Maar uiteindelijk plofte er een Canadese gans naast mij op de grond.” Ja hoor, ‘tuurlijk, en mijn moeder heeft een kanarie van 60 kilo. En dat is ook gelogen. En dan te weten dat het bereik van een hagelgeweer dodelijk is tot op 30 meter afstand en zeker niet op 120 meter!

Die verhalen, ik smulde er van. Zo ook die keer dat Arie aan de slootkant onkruid aan het wieden was. Om onverklaarbare reden rolt de kruiwagen met net gekloofd haardhout de dijk af richting Arie. “Ik kon me omdraaien, de afgevallen blokken snel in de kruiwagen smijten voordat ik de kruiwagen stopte. Door de klap viel ik in het water. Maar nog voor ik het water raakte kon ik mijn shagbuil op de kant gooien zodat mijn shag droog bleef. Ik raakte het water en kon nog net 8 eendenpullen redden voordat ik op hen viel. Nou, gelukkig viel het mee. En toen ik het water uitstapte zat er ongeveer 10 kilo paling in mijn laarzen. Is het toch nog ergens goed voor geweest.”

Of die keer dat Arie zijn stuk dijk wilde ontdoen van onkruid. Met de hand wieden was ondoenlijk. Zo’n groot stuk. Ja dan heb je Arie weer, die snorde een vat petroleum op. Dop eraf. Gooide het vat op zijn kant en stak de petroleum aan en trapte het vat langs de berm van de dijk. Niet veel later stond heel de dijk in de fik.

Arie kookte ook gerust 30 liter erwtensoep. Er waren broodjes gekookt spek bij. ‘Plakjes’ spek van ruim een centimeter dik. Als toetje kreeg je nog een bordje bruine bonen met stroop en uitgebakken spekjes. En dan waren we met ons tienen. Hij verwachtte wel dat de 30 liter soep, de broodjes spek en de bonen met stroop en spekjes opging. Man, drie dagen lang liet ik winden. Van die grote groene wolken. Ik heb wat nachten op de bank geslapen. Mijn vrouw raakte zo vaak bewusteloos als ik toch in bed kroop. En zo kan ik nog uren doorgaan met het vertellen van verhalen over Arie.

En het betekende echt veel voor mij als Arie belde met een uitnodiging om te jagen. Voor Arie is het jachtseizoen definitief voorbij. Een moordvent!