Fuck-it list en gedachten opruimen

Ken je dat, dat je ineens denkt: ‘Ik ben er helemaal klaar mee’? Nou, dat gevoel heb ik nu dus. Even een beeld schetsen hoe dit ontstond: de stortbak van het toilet was kapot. Vervangen was de enige optie, dus op richting bouwmarkt. Aldaar is het zoeken geblazen naar de juiste bak bij de juiste plee. Al zoekend kom je tot de conclusie dat een plee van 30 jaar oud en een modern hedendaags toilet even niet helemaal met elkaar verenigd willen worden. Iets met andere diameters en aansluitingen. Maar goed de oude stortbak verwijderd en de nieuwe opgehangen. Dan is het grote moment daar; nieuw aansluiten op oud. Dussss….. als je alle vloeken weglaat, dan heb ik een uur lang niets gezegd. Tijdens het omhelzen van de pot waarbij ik in een voor mij aardig onbekende houding lag werd er aangebeld. Gehaast wurm ik mij uit mijn ongebruikelijke positie, mijn knie nog even flink stotend aan de pot. Bezweet en geïrriteerd opende ik de deur en de reclamemachine in menselijke gedaante stak van wal: “Goeoeoede..middag, ik ben Pierre van Nuon en……” “Nou en!”; schold ik naar de man en smeet met een knal de deur dicht. Ik kreeg een vage indruk dat de man verbaasd was, maar goed, ik dook weer in mijn pothouding. Later dacht ik heel kort dat dit misschien niet geheel netjes was, maar fuck-it dacht ik. En zo kwam de gedachte boven borrelen van een fuck-it-list.

Dan wordt het tijd voor een soort algeheel gevoel van fuck-it allemaal. Niets kan mij op dit moment rotten. De moord ermee. Terwijl ik dit zo denk, ontstaan er al snel categorieën in mijn fuck-it list die ik best zou willen delen. Categorieën zoals: het stotteren, werk, vakanties.

Stotteren: Al bijna twee jaar stotter ik. Eerst hele dagen en op dit moment meestal alleen ’s avonds. Voor diegene die mijn berichten enigszins volgen weten dat dit door emoties en vermoeidheid de kop op steekt. Eigenlijk als gevolg van niet of onvoldoende rouwverwerking. Diverse fijne mensen heb ik naar hun laatste rustplaats mogen brengen. Mensen waarmee ik juist zo leuk en fijn onderweg was. Het begon zo’n beetje met Arie, de jagermeester, wat pijn in zijn buik en hij had een hekel aan artsen. “Ja hoor, die maken je beter, ja duhhuh”. Uiteindelijk moest hij eraan geloven en moest naar het ziekenhuis. Een operatie volgde en men kon niets meer voor hem doen. Het ziekenhuis, de plek waar hij niet meer uitkwam. En ja of Rick tijdens de uitvaart het orgel wilde bespelen. “En Jan, wil jij dan in de dienst spreken?” Natuurlijk. De anderen zouden Arie de kerk binnendragen. Bij het binnendragen van de kist in de kerk lag Arie’s patronengordel opgemaakt met bloemen op de kist. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonvader. Hij was niet zo lekker. De zuster van het zorgcentrum gaf aan dat hij maar vast naar zijn kamer moest gaan, ze zou zo bij hem komen met bloeddrukmeter. Even nog de buurman die stond te douchen met de voordeur op een kier de stuipen op het lijf gejaagd door een opmerking: “He Janssen, moet ik even je rug komen wassen, dan moet je wel even de zeep van de grond oprapen?” “Beemer donder op ouwe viezerik!” Hij ging lachend op bed liggen in afwachting van de zuster en sloot met een glimlach zijn ogen om nooit meer wakker te worden. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonmoeder die in een ander zorgcentrum verbleef piepte er ineens tussenuit. Hartinfarct, onverwachts. Eindelijk had zij rust. De dag na de begrafenis lag ik met zeer ernstige hartritmestoornissen getriggerd door een tekenbeet in het ziekenhuis waar de artsen vochten voor mijn leven. Ja, ik piepte er zelf bijna tussenuit. Toen preventief het stilzetten en weer op gang brengen van mijn hart op het programma stond bracht dit wel wat teweeg. Een routineklus, maar toch: “Mevrouw Brand, wilt u straks wel extra afscheid van uw man nemen? We bellen u wel als het gelukt is.” En MijnLief, had het hierdoor extra zwaar te verduren. Net haar moeder begraven en dan afwachten hoe het met mij af zou lopen. De dagen erna dagelijks naar mij op bezoek in het ziekenhuis. Na een week op de Eredivisie van het ziekenhuis mocht ik naar huis. Een jaar heb ik nodig gehad om er weer enigszins bovenop te komen. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn moeder voelde zich niet zo lekker. Dus onderzoek, en nog een onderzoek, nog een onderzoek, en weer een. Nog maar een onderzoek. Niets te vinden. Zo was ze al een jaar verder. Mijn vader wilde een second opinion. Wat het ene ziekenhuis niet vond, vond het andere wel. Alvleesklierkanker! Een k…..tziekte! “Maar snel opereren dokter”; was haar reactie. De arts gaf haar een antwoord wat niemand wil horen. “Mevrouw, al was u 21 en het zag er precies hetzelfde uit als nu dan zouden we ook niet opereren”. Op de vraag hoeveel tijd haar nog restte kreeg zij als antwoord: 3 maanden. Het werden er 3 1/2. Maanden waar ik mijn moeder zag interen van 85 kilo naar 32 kilo. Het maakte diepe indruk op mij!

Telkens was ik de vent die de rots in de branding was. De vent waar iedereen bij kon uithuilen. Mijn schouder was sterk en breed. Niets kon mij van mijn stuk brengen. En iedereen wist dat en maakte hier dankbaar gebruik van. En nu, nu ben ik een huilebalk. Zeker als ik weer niet kan praten of als het praten slechts wat gemummel is. Maar ik heb besloten het achter mij te laten. Alle fijne mensen die er niet meer zijn los te laten. Ik kan er niets aan veranderen. Wel kan ik omzien naar deze mensen met een een gevoel van mooie herinneringen die ik niet wil vergeten. Die herinneringen maken nog steeds diepe indruk op mij, maar met een goed gevoel. Ik ga verder!

Werk: 60 uur werkte ik per week, soms meer. De telefoon stond dag en nacht aan. Elk telefoontje, elk e-mailbericht zou wel eens een potentiële klant kunnen zijn. Dus ik was altijd bereikbaar. Alles moest wijken voor mijn werk. Geld was een geweldige bijkomstigheid. Maar wat als je van het geld niet kunt genieten? Wat als je het geld niet uit kunt geven omdat je het te druk hebt? Die tijd in het ziekenhuis heeft mij aan het denken gezet. 7 dagen lag ik op de Eredivisie van het ziekenhuis. Je hebt dan echt tijd om na te denken omdat de tijd toch stil staat. Na mijn ziekenhuisopname en de Eredivisie aldaar heb ik mij toen voorgenomen om alleen nog leuke opdrachten te aanvaarden. Opdrachten die mij inspireren. Opdrachten die mij een voldaan gevoel geven. Ja, er moet wel brood op de plank komen. Soms doe ik opdrachten gratis. De klanten die ik niets factureer staan soms met open mond te kijken en weten niet wat hen overkomt. Soms zijn opdrachten zo leuk en speelt geld op dat moment geen rol. En ik ga ervan uit dat als er bij hen ooit eens een vraag komt, dat zij mij aanbevelen. Een soort ambassadeurs van mij en mijn werk zijn ze dan. En het werkt!

Vakanties: Gewoon weer naar zonovergoten witte stranden met overal vrouwen met een klein bikinietje en een broekje met zo’n flosdraadje in hun bilnaad. Zo’n gevarendriekhoekje met touwtjes. Heerlijk! Heel gevaarlijk wat ik nu schrijf, want ik herinner mij zo’n voorval met een gevarendriehoekje met touwtjes. Een voorval van een paar jaar geleden in Schevingen. We hadden bij een strandtentje gereserveerd om eens lekker te eten en te genieten van de zonsondergang. Temperaturen van 30-plus was in die maand heel gewoon, met van die lange zwoele avonden. Heerlijk! Het buitenterras zat helemaal vol. Plots komt er een vrouw met kind van het strand het terras op lopen. De vrouw had niet de intentie om iets te willen eten of drinken, maar wilde vanaf het strand via de kortste weg de boulevard op. De dichtst bijzijnde trap van strand naar boulevard was wel dertig meter verderop dus….juist via het terras van het restaurant. Tot zover is er nog enig begrip voor de vrouw op te brengen, maar… de vrouw had niet zo veel kleding aan. Of eigenlijk ze had niets aan op een ieniemini bikinislipje. Slipje kan je eigenlijk ook niet noemen, het was meer een gevarendriehoekje met touwtjes. En het zat nog hartstikke strak ook. Ze was ook nog eens vrij gezet, had erg grote borsten, en die hingen bijna over haar knieën. Echt, dan schiet mijn schaamhaar zowat uit de krul he. Nee, het was geen fraaie verschijning. Terwijl ik dit met MijnLief bespreek hoor ik de twee jonge stellen achter ons tegen de vrouw zeggen: “Mevrouw, alstublieft zeg, we zitten te eten he?

Maar goed, dat terzijde. Ik ben er inmiddels achter gekomen dat 1 of 2 keer per jaar vakantie inplannen momenteel niet werkt om de ‘accu’ op te laden. Dus fuck-it we kunnen het nu betalen dus wat we sinds enige tijd doen is geen 2 lange vakanties inplannen, maar meerdere kleine vakanties. Weekendjes weg, een midweekje, een weekje naar Praag, Rome, New York, La Bournee, Saarburg, Maastricht, Londen, Aarhus, Dublin of iets dergelijks. elke twee maanden proberen we dit te doen. Telkens weer een lichtpunt om naar toe te leven. En het werkt!

Jagen voelt ook vaak als een soort mini-vakantie. Zeker als het meerdere dagen zijn. Daar moet ik ineens aan denken; jagen in Duitsland. Al weer een tijd geleden overkwam mij dit. Met de honden als drijver mee in een groot revier met uitgestrekte vlaktes, beboste steile hellingen en rotspartijen. De jagers waren al een tijd ervoor naar hun posten op hoogzitten en kansels gebracht. De drijversploeg ging op linie door het veld. Bij de steile hellingen aangekomen keek ik even naar mijn buurdrijvers hoe zij de helling zouden nemen. Nou, het was gewoon ieder voor zich bleek al snel. Met 2 honden door het veld ging heuvelopwaarts fantastisch. Het leken net 2 klimijzers. Ze trokken mij letterlijk omhoog. Toen neerwaarts. De honden zetten zich schrap. Ik ook, alleen hielp dat niet. De grip onder mijn laarzen verdween en voor ik het wist gleed ik met grote snelheid naar beneden, de honden aan de lijnen achter mij aanslepend. Nergens houvast. Ineens gleed ik langs een klein berkenboompje. Ik greep mij vast en niet veel later gleed ik met het berkenboompje in mijn hand verder. Een boomstronk stopte mijn val. Met mijn Knabbel en Babbel er bovenop. Het enige wat er dan door je heen gaat en langzaam ergens naar je buik kruipt is pijn. Zoveel pijn dat je wil kotsen en je ma wil bellen. Zo’n soort pijn. Mijn Knabbel en Babbel lagen als platgeslagen knaken in mijn broek. Vanaf een hoogzit en een kansel in de verte hoorde ik een vrouw roepen: “He Jan, wie geht es?” Onbegrijpelijk dat ik jagen nog steeds leuk vind na dit voorval, maar ja het ontspant zo lekker. Ook weer een gedachte die een plekje heeft gekregen.

Ik richt mij nu op de vakantieonderbrekingen, op mooie inspirerende opdrachten en op de fijne dingen. Fijne dingen zoals mijn nieuwe functie: family manager. Vroeger heette dat opa 😉

 

 

 

 

 

Advertenties

De MRI-scan (of de pers)

Gelukkig alweer een paar jaar geleden na mijn onfortuinlijke tekenbeet en de daarop volgende hartritmestoornissen. Het heeft een diepe indruk op mij achtergelaten.

Twee maanden na mijn ziekenhuisopname is de dag van de MRI-scan aangebroken. Geen idee wat dit allemaal inhoud. Afwachten maar. Als ik aan de beurt ben kom ik in een ruimte met een apparaat wat veel weg heeft van een tunneltje. Eigenlijk lijkt het op een grote rolladekoker. Ik moet met ontbloot bovenlijf op de uitgeschoven tafel gaan liggen. Hierbij krijg ik een soort harnasje op mijn borst vastgemaakt om te zorgen dat de beelden goed kunnen worden vastgelegd. Er wordt een koptelefoon op mijn hoofd gezet voor de herrie en dan begint het apparaat te grommen en met tafel en al schuif ik met mijn hoofd als eerste de tunnel in. En dan lig ik klem. Met mijn postuur, ik weeg 0,112 ton, ben ietwat dik, lig ik echt klem in die rare trechter. De verpleegkundige duwt mij nog een soort balletje, de noodbel, in mijn handen. Er wordt nog even gezegd dat als ik het eng vind of als ik iets nodig heb ik dan in het balletje moet knijpen. En dan begint het apparaat herrie te maken. Doffe klappen geeft het apparaat.

Ik kan mij voorstellen dat mensen claustrofobisch worden. Het plafond van dit rare apparaat zit 1,5 centimeter van mijn neus vandaan. Dan hoor ik via de koptelefoon een stem die zegt: ”Inademen… uitademen… adem vasthouden.” En 23 seconden mag ik dan niet inademen. Moet je eens proberen! Als je gaat zwemmen houd je je adem in om onderwater te gaan. Hierbij moet ik eerst inademen, dan mijn adem uitblazen en pas dan niet meer ademen. Nou ik kan je verzekeren dat juist dat niet makkelijk gaat. Zeker niet als je borstkast niet uit kan zetten omdat je klem ligt. Als ik aangeef dat ik klem lig wordt er gezegd dat ik het goed doe. Ja maar, joehoe, ik lig echt klem en kan slecht ademhalen zo. En weer: ”Inademen… uitademen… adem vasthouden.” Dat gaat zo vijf kwartier door! Gek word ik daar van! Als ik na vijf kwartier  uit de tunnel wordt gehaald en aan de verpleegkundige aangeef dat ik toch aardig klem lag zegt deze dat het bij mij nog goed ging. De tafel schoof automatisch met mij erop naar binnen. Bij andere mensen gebeurd het dat zij handmatig de tafel met een schoenlepel moeten helpen om de mensen klemvast in die tunnel te persen. Ik kan mij nu voorstellen hoe een rollade zich voelt voordat die in dat netje beland.

Bij thuiskomst heb ik toch maar eens de cardioloog van het ziekenhuis gebeld wanneer ik nou een oproep krijg om mijn bundeltjes te laten wegbranden. Het is tenslotte al juli. Navraag bij het ziekenhuis in Dordrecht leert dat zij mijn gegevens naar een verkeerde afdeling van het ziekenhuis in Breda hebben gestuurd. Via de cardioloog kom ik aan een rechtstreeks nummer van het ziekenhuis in Breda. Daar hoor ik dat ik niet op de lijst voor kom. Weer gebeld met Dordrecht. Mijn gegevens zijn nogmaals per bodedienst verstuurd. Begin juli krijg ik een oproep om mij bij de afdeling cardiologie te melden voor een soort intakegesprek. Tijdens dit gesprek krijg ik te horen wat de risico’s van de behandeling zijn. Goed ik waag de stap van de behandeling. Heb ik wel een keus? Ik geef door dat we drie weken op vakantie gaan en dat ik dan niet verrast wil worden door een oproep van het ziekenhuis. Er wordt gelukkig een aantekening gemaakt. Met een gerust hart, wat klinkt dat toepasselijk, ga ik op vakantie. Heerlijk even alle zorgen van de afgelopen maanden achter mij laten.

Tijdens onze vakantie in, hoe kan het ook anders, Frankrijk zit ik lekker met vrouwlief op ons terrasje van onze vakantiebungalow. Glaasje ‘fris’, stukje kaas, stukje worst erbij. Mijn lief loopt naar binnen om de fles ‘limonade’ nog eens te pakken. Op het moment dat ik het mes en de worst pak gaat figuurlijk gesproken het licht bij mij uit en word ik wakker onder de tafel. Worst op de grond. Mes nog in mijn handen. Geen idee hoelang ik buitenwesten was. Ik had 1 glaasje wijn op. Er was geen aanwijzing, geen gevoel wat ik aan voelde komen. Ineens was alles zwart. Ik kan u vertellen, daar word je niet geruster van.

Als ik na onze vakantie dit aan de arts vertel vraagt hij hoe vaak dit gebeurd is. Als ik hem vertel dat dit een keer is, is hij verheugt. Een keer is niks, dat is positief, zegt hij vrolijk.

22 april 2009

Het was woensdag 22 april, zowat elf maanden na mijn eerste opname. Een opname door een tekenbeet die een latent aanwezige hartafwijking meer dan zichtbaar maakte.

Tijdens een verhuisklus bij een grote multinational in Rotterdam meende ik weer te voelen dat mijn hart soms niet en soms wel klopte. De nacht ervoor had ik daar ook al last van. Met vrouwlief afgesproken dat zij een afspraak zou maken bij de huisarts. Om 11:00 uur kon ik terecht. Eenmaal binnen bij de huisarts nam hij mijn pols op en luisterde gelijktijdig met zijn stethoscoop op mijn borst. “Hé, nu hoor ik niets. O, nu weer wel. Meneer Brand ik voel geen pols. Mmm. O, nu voel ik weer wel een polsslag. Alleen heel traag. Nee, nu weer veel te snel.” De huisarts besloot de cardioloog in het ziekenhuis maar te bellen om raad.  Het advies was om mij maar direct in te sturen bij de spoedeisende hulp. En jawel, daar lag ik weer. Weer werd ik aangekoppeld aan een monitor en weer begon dit apparaat direct te protesteren met piepjes en toetertjes ten teken dat ik ’het niet goed deed’. Een zuster was even weggelopen en kwam verschrikt terug rennen met de vraag: ”Meneer Brand, meneer Brand, u leeft toch nog wel?” Jawel ik leef nog! Met spoed werd ik wederom naar de intensive care gebracht. Direct kreeg ik een infuus met medicijnen in mijn arm gefrot. De infuuspaal werd dichterbij het bed gezet en gestaag verdwenen de druppeltjes in mijn arm. Daar lig je dan weer, de druppels keek ik na terwijl ze in mijn arm verdwenen. Ik had toch niets beters te doen. De zon scheen, maar ik kon er niets van zien omdat ik met mijn hoofdeinde achter het raam lag. Naar buiten kijken kon dus ook niet. Na een half uurtje was de zak met medicijnen leeg en werd de volgende zak aangekoppeld. Ongeveer een uur na dit infuus begon mijn hart weer in een normaal ritme te kloppen. Sinus-ritme zoals dat heet. Gelukkig mocht ik van de zaalarts aan het eind van de dag naar huis. Echter de cardioloog besliste anders. ”Meneer Brand u moet een nachtje bij ons overblijven. U heeft zoveel medicijnen in korte tijd binnengekregen dat er gerede kans is op bijwerkingen. En zodra dat het geval is kunnen wij u hier beter behandelen dan wanneer u thuis bent.” Tja dat was waar, maar wel een domper.

Van één van de zusters kreeg ik een krantje aangereikt om mijn zinnen wat te verzetten. Al bladerend door de krant kwam ik het bericht tegen dat Martin Bril, één van mijn favoriete schrijvers, op negenenveertig jarige leeftijd uit het leven was gepiept. Slokdarmkanker zorgde voor zijn ondergang.

Zonder dat ik het wist is mijn stijl van schrijven vergelijkbaar met dat van Martin Bril. Hij schreef ook zoals hij alles zag en meemaakte. Hij genoot echter van een redelijke bekendheid. Hij was vaak te zien in het tv-programma De Wereld Draait Door. Ook was hij met vaste regelmaat in het theater te vinden met Bart Chabot om iets literairs ten gehore te geven.

De zon scheen. 22 april 2009 was het. Ik vergeet die dag maar liever.

De MRI-scan (of de pers)

Een paar jaar geleden moest ik een MRI-scan ondergaan om te zien of de operaties aan mijn hart (tekenbeet opgelopen en daardoor hartafwijking aan het licht gekomen). Geen idee wat dit allemaal inhield dus afwachten maar. Als ik aan de beurt ben kom ik in een ruimte met een apparaat wat veel weg heeft van een tunneltje. Ik moet met ontbloot bovenlijf op de uitgeschoven tafel gaan liggen. Hierbij krijg ik een soort harnasje op mijn borst vastgemaakt om te zorgen dat de beelden goed kunnen worden vastgelegd. Er wordt een koptelefoon op mijn hoofd gezet voor de herrie en dan begint het apparaat te grommen en met tafel en al schuif ik met mijn hoofd als eerste de tunnel in. En dan lig ik klem. Met mijn postuur, ik weeg 0,112 ton, ik ben een heel klein tikkeltje te dik, lig ik echt klem in die rare trechter. De verpleegkundige duwt mij nog een soort balletje, de noodbel, in mijn handen. Er wordt nog even gezegd dat als ik het eng vind of als ik iets nodig heb ik dan in het balletje moet knijpen. En dan begint het apparaat te grommen en herrie te maken. Doffe klappen geeft het apparaat.

Ik kan mij voorstellen dat mensen claustrofobisch worden. Het plafond van dit rare apparaat zit 1,5 centimeter van mijn neus vandaan. Dan hoor ik via de koptelefoon een stem die zegt: ”Inademen… uitademen… adem vasthouden.” En 23 seconden mag ik dan niet inademen. Moet je eens proberen! Als je gaat zwemmen houd je je adem in om onderwater te gaan. Hierbij moet ik eerst inademen, dan mijn adem uitblazen en pas dan niet meer ademen. Nou ik kan je verzekeren dat juist dat niet makkelijk gaat. Zeker niet als je borstkast niet uit kan zetten omdat je klem ligt. Als ik aangeef dat ik klem lig wordt er gezegd dat ik het goed doe. Ja maar, joehoe, ik lig echt klem en kan slecht ademhalen zo. En weer: ”Inademen… uitademen… adem vasthouden.” Dat gaat zo vijf kwartier door! Gek word ik daar van! Als ik na vijf kwartier  uit de tunnel wordt gehaald en aan de verpleegkundige aangeef dat ik toch aardig klem lag zegt deze dat het bij mij nog goed ging. De tafel schoof automatisch met mij erop naar binnen. Bij andere mensen gebeurd het dat zij handmatig de tafel met een schoenlepel moeten helpen om de mensen klemvast in die tunnel te persen. Ik kan mij nu voorstellen hoe een rollade zich voelt voordat die in dat netje beland.

Bij thuiskomst heb ik toch maar eens de cardioloog van het ziekenhuis gebeld wanneer ik nou een oproep krijg om mijn bundeltjes te laten wegbranden. Het is tenslotte al juli (2008). Navraag bij het ziekenhuis in Dordrecht leert dat zij mijn gegevens naar een verkeerde afdeling van het ziekenhuis in Breda hebben gestuurd. Via de cardioloog kom ik aan een rechtstreeks nummer van het ziekenhuis in Breda. Daar hoor ik dat ik niet op de lijst voor kom. Weer gebeld met Dordrecht. Mijn gegevens zijn nogmaals per bodedienst verstuurd. Begin juli krijg ik een oproep om mij bij de afdeling cardiologie te melden voor een soort intakegesprek. Tijdens dit gesprek krijg ik te horen wat de risico’s van de behandeling zijn. Goed ik waag de stap van de behandeling. Heb ik wel een keus? Ik geef door dat we drie weken op vakantie gaan en dat ik dan niet verrast wil worden door een oproep van het ziekenhuis. Er wordt gelukkig een aantekening gemaakt. Met een gerust hart, wat klinkt dat toepasselijk, ga ik op vakantie. Heerlijk even alle zorgen van de afgelopen maanden achter mij laten.

Tijdens onze vakantie in, hoe kan het ook anders, Frankrijk zit ik lekker met vrouwlief op ons terrasje van onze vakantiebungalow. Glaasje ‘fris’, stukje kaas, stukje worst erbij. Febe loopt naar binnen om de fles ‘limonade’ nog eens te pakken. Op het moment dat ik het mes en de worst pak gaat figuurlijk gesproken het licht bij mij uit en word ik wakker onder de tafel. Worst op de grond. Mes nog in mijn handen. Geen idee hoelang ik buitenwesten was. Ik had 1 glaasje wijn op. Er was geen aanwijzing, geen gevoel wat ik aan voelde komen. Ineens was alles zwart. Ik kan u vertellen, daar word je niet geruster van.