Flashback

Het is koud, -7 met een gevoelstemperatuur van -17 graden Celsius. Hier en daar sneeuw. Vanuit mijn werk onderweg naar huis, over de A2. Het schiet maar langzaam op. Het begint al wat te schemeren. Kinderen schaatsen op het ijs. Een leuke sliert met jongens en meisjes vermaken zich op het ijs.

Het is koud, -10 op de thermometer. Overal ligt sneeuw. Vanuit school spullen thuisbrengen, schaatsen pakken en naar het ijs. Het schoot maar langzaam op. Op de Lede ligt goed zwart ijs. Jongens waren bezig een echte goede baan op het ijs te maken. Aan de rand van de sloot ging ik op een oude krant zitten om mijn schaatsen aan te trekken. Ik had ze net nieuw gehad. Met enige kracht trok ik de beschermers van de schaatsen en legde ze naast mijn schoenen op de kant. Wat onstabiel maakte ik mijn eerste slagen op mijn nieuwe noren. Ik was er groots mee. Het schaatste lekker, maar zo nu en dan moest ik mijn evenwicht nog wat hervinden. In de verte kwamen twee meisjes aan schaatsen. Een met donker haar. Dat is het enige wat ik mij van haar kan herinneren. Welke kleding zij droeg en op wat voor schaatsen zij schaatste kan ik mij niet meer voor de geest halen. Van het andere meisje weet ik nog elk detail; schouderlang hoog blond haar, oorbelletjes in de oren, een zilverkleurig donsjack aan met een skinny spijkerbroek eronder en schaatsend op witte kunstschaatsen. Al babbelend schaatste zij mij tegemoet. Onze blikken kruisten elkaar. Ik probeerde mij letterlijk staande te houden op het ijs. Wat was ze leuk. Terwijl ik naar het einde van de oneindige sloot schaatste merkte ik op dat haar vriendin weg was en zij kort achter mij aan schaatste. Ze had de beschermers van haar schaatsen in haar handen en zwierig kwam ze langszij. “Wil je mij helpen? Ik kan nog niet zo goed schaatsen”; zei ze. “Als je mijn beschermer ook vasthoudt lukt het mij vast beter”. Ik pakte de beschermer vast. Samen schaatste we verder. Ze loog trouwens, ze kon schaatsen als een tierelier, maar dat boeide mij op dat moment maar weinig. Hier schaatste ik samen met een voor mij wild vreemd meisje, een heel mooi meisje. We schaatste van het ene einde naar het andere einde van de sloot. De tijd vergleed. “Kom, geef me je hand, zei ze, dan heb ik wat meer houvast”. En teder schoof ze haar hand in de mijne. Ik voelde mijzelf gloeien,…wellicht door de kou. De straatlantaarns gingen aan. Vijf uur, tijd om naar huis te gaan. Maar ik wilde niet. Zij moest naar huis zei ze; ‘Want als de lantaarns gaan branden is het vijf uur en daarna gaan we eten”. We deden onze schaatsen uit, onze schoenen aan en liepen over het besneeuwde gras naar de straat. Ze zei gedag en op een hollende rende ze linksaf richting de Brink. Ik heb haar het hele eind nagestaard want ze was zo leuk.

De volgende dag wist ik niet hoe snel ik vanuit school naar huis moest rennen om mijn schaatsen te pakken en richting het ijs te gaan. Terwijl ik richting het ijs liep en op oude kranten plaatsnam om mijn schaatsen aan te trekken speurde ik de sloot af of ik haar ook zag. Maar nee, ik zag haar nergens. Teleurgesteld schaatste ik naar het andere einde van de sloot. Ik zag haar nergens. Ineens werd ik vanachter in mijn rug gebonkt. “Jij was er eerder, maar ik kon je niet bijhouden”. Ze hield mij met beide handen vast. “Kom dan gaan we weer”; zei ze. “Geef me je hand” zei ik stoer. Direct klemde ze haar hand in de mijne. Aan het andere einde van de sloot stopten we even. Ze kwam voor mij staan en omhelsde mij. Haar hoofd legde ze tegen mijn borst. “Leuk he, zo samen schaatsen?” Leuk, ik vond het hemels. Voor mijn gevoel heeft er twee maanden ijs gelegen. Toen het ging dooien zag ik haar niet meer. Hoe zij heette weet ik niet want ze heeft haar naam nooit genoemd. Hoe oud was ik? Ik schat dertien jaar.

De auto achter mij toetert, we schuiven weer vier meter op in de file. Een sliert met jongens en meisjes vermaken zich op het ijs.

Advertenties

Flashbacks

Meer en meer realiseer ik mij dat dit aardse leven niet oneindig is. Hoe ouder ik word, hoe vaker we een bericht krijgen dat een dierbare of bekende ziek is of inmiddels is overleden. Langzaam aan krijg ik het gevoel dat we verder doorschuiven bovenaan in de rij. Dat doet mij beseffen dat je het leven moet omhelzen. Steeds vaker koester ik de momenten met vrouw en kinderen en mijn vader. Ja, die is er nog en ook die snapt dat elk jaar boven de 80 jaar een toegift is. Hij geniet met volle teugen wat hem nog in de schoot geworpen wordt. Met mijn broer is ie al twee keer mee met vakantie geweest. Wij halen hem op de meest onverwachte momenten op om hem een dag met een gouden randje te bezorgen.

Steeds vaker besef ik ook dat ik sommige ‘vossenstreken’ van hem heb. Laatst vertelde ik aan mijn zoon mijn herinnering aan Koninginnedag van ik denk 1972. Een jaar of 10 was ik. Mijn vader kocht voor mij een Charlie Chaplin-wandelstok want hij wist daar wat leuks mee. Hij had een lang elastiek aan de onderkant van de wandelstok vastgemaakt met aan het elastiek een plastic balletje. “En als je nu naar de Brink loopt dan kun je door aan het balletje te trekken en te richten op de feesthoedjes van andere kinderen ze er zo van hun hoofd vanaf schieten. Maar, mondje dicht he, niks tegen je moeder zeggen”. En daar ging ik, slachtoffers maken. Vanachter een heg schoot ik zo een feesthoedje bij een ouder kind van zijn hoofd, poing.

Ook realiseer ik mij dat de zaterdagen met mijn vader en mijn broer ik altijd doorbracht op de velden van CVV Zwart-Wit ’28, ons voetbalcluppie. Omdat ik de jongste was speelde ik ergens rond 10:00 uur mijn wedstrijden. Mijn broer, 2 jaar ouder, speelde dan rond 13:00 uur zijn wedstrijden. Het eerste elftal had standaard om 14:30 uur zijn wedstrijd. Heel de dag waren we er zoet. Tussen de middag altijd steevast met een bakje patat en een frikandel. Tussendoor een zakje chips en een flesje limonade. Met verweerde koppen kwamen we thuis. Getekend door de gehele dag in de zon en wind langs of in het veld vertoeven. Bij thuiskomst was er in de voorjaar-/zomerperiode broodjes met aardbeien en ’s winters soep met broodjes. Zwart-Wit ’28 mocht zich meten met ploegen als Feyenoord, de amateurs, DOVO, Bennekom, IJsselmeervogels, toch niet de minste clubs. Maar ja, tijden veranderen. Naar mate ik ouder werd zag ik figuren als John de Wolf bij mijn club trainer worden. Er werd geld uitgegeven, veel geld. Teveel geld waardoor de club failliet is gegaan. Direct na het faillissement werden de velden weer klaargemaakt voor bezoekers van het Zuiderpark. Alsof er nooit een vermaarde voetbalclub geweest was. De velden werden teruggegeven aan het park. Een tijdperk werd afgesloten.

Lang geleden leerde ik een meisje kennen. Een heel leuk meisje. Iets ouder dan ik. Zat eerst een klas hoger. Indisch was ze, dus anders. Andere cultuur, andere gewoonten. Toen ik haar mee naar huis nam vonden mijn ouders haar ook echt… anders. Ze was bruin. Had het over een karet als ze elastiekje bedoelde. En over even kipas als ze waaieren bedoelde wanneer haar eten te warm was. Wij hadden geen bottel-tjebok op het toilet, voor het wassen na een grote boodschap. Ze was ANDERS. Mijn ouders vonden dat, laat ik zeggen, vreemd. En was ze nou Indonesisch of Indisch? En wat was het verschil tussen die twee? Tot op de dag dat mijn moeder overleed heeft zij het uit moeten leggen.

Een eerste kleindochter werd geboren; beige. Twee jaar later nog een kleindochter; blank, gelukkig. Weer twee jaar later een kleinzoon; bruin. Oeps. Mijn ouders waren toch wel groots met hen. Trots, op hun klein kinderen. Maar als mijn ouders bleven eten, dan genoten zij. Wat er werd flink ‘uitgepakt’ en uitgebreid getafeld.

En als mijn zoon even bij opa vlak voor zijn vakantie een bakkie gaat doen is mijn vader hartstikke trots op hem. Mijn zoon werd even meegenomen naar de kledingkast. Er werd een colbert van Van Gils uit de kast gepakt. “Pas em is. Heb ik maar een keer aangehad. Moest ik van oma kopen. Het is een zomer colbert”. Het zit hem als gegoten en houdt het gelijk aan. Als hij weer thuis binnenstapt is het echt een meneer.

Tja zo hebben we nogal wat meegemaakt.

 

 

Bonkie

1979 of 1980 zal het geweest zijn. Als jonge snotgurg zat ik in dienst bij het onderdeel Luchtmacht. Na een aantal maanden training te hebben gekregen werd ik gelegerd van Nijmegen naar Arnhem en door naar vliegbasis Twenthe als straalmotormonteur.

Vaak hoor je dat mensen die in militaire dienst hebben gezeten dit verspilde tijd vonden. Ik moet bekennen dat ik het prima naar mijn zin heb gehad. In Nijmegen kreeg ik mijn basistraining, maar het uitgaansleven was gezellig. Nijmegen als stad was gezellig, maar ook de kroegjes waren gezellig. Arnhem was een stuk minder leuk. De LETS-basis was een fors eind buiten de stad gesitueerd. Er was buiten het Protestants Militair Tehuis (PMT) eigenlijk niets te doen. Het PMT had een barretje, een tafeltennistafel, verzorgde klaverjasavonden en 1x per week een filmavond. Voor de rest was er niets in de directe omgeving te beleven. Vliegbasis Twenthe was andere koek. Dicht in de buurt van Enschede en plaatsjes als Oldenzaal was er voor mij van alles te doen. Met enige regelmaat bezocht ik de eredivisie-wedstrijden van Twente, ging naar de film of ging uit stropen.

Met Anne, de barak-oudste afgesproken dat bij zijn vertrek ik ervoor zou zorgen dat elke donderdagavond er wat op de barbecue zou liggen. Dat kon van alles zijn: konijn, paling, snoekbaars, fazant of wat dan maar ook. Gewoon strikken en doggers zetten en zien wat er in kwam. Altijd was het smullen met de kerels uit dezelfde barak. De hofmeester uit onze barak zorgde voor passende bijgerechten. Zo werd elke donderdagavond een feest.

Filmavonden waren ook altijd leuk. Met regelmaat draaide er goede, nieuwe films op groot scherm. Biertje erbij, de avond kon niet meer stuk. En Bonkie was er dan ook. Bonkie… Bonkie? Wie was Bonkie? Zo naïef als ik toen was, sprak Erwin, mijn (hoe is het in hemelsnaam mogelijk) Amsterdamse slapie, met enige humor over een LuVa-meisje, Bonkie! Een aardig, wat mollig meisje met een lief gezichtje. Maar naar zo later bleek verslond zij de jonge soldaten alsof het lollies waren. En zij gaf daarbij nogal luid, zoals je dat bij honden noemt. Ze maakte gewoon herrie tijdens de daad.

En nu, een voor een worden de vliegbases gesloten, gewoon overbodig geworden. Een herinnering aan vervolgen tijden.

Geen gewoon mooi meisje

Rotterdam-Zuid. Een middelbare school. MAVO. Klas 3. De eerste schooldag na de zomervakantie. Een klas met voor de helft meisjes en voor de helft jongens.

Het is zwoel nazomerweer. De tieners gaan gekleed in vrolijk gekleurde zomerse, bij de meisjes zelfs wat spannende, kleding. Agenda’s, nog helemaal maagdelijk, worden gevuld met het rooster wat zojuist door de docent is uitgedeeld. Mentoren worden voorgesteld aan de klassen.

Daar zit zij dan. Glanzend zwart lang stijl haar tot onderop haar rug. Donkerbruine pretogen. Ietwat verlegen, maar in het bijzijn van haar vriendin durft ze. De blonde jongen schuift weifelend naast haar de bank in, bang dat zij het ziet en door haar wordt weggestuurd. Het meisje draait zich naar de jongen toe. “Hoi”, zegt ze. De jongen wordt rood en begroet haar door hoi terug te zeggen. God wat is ze mooi. Ravenzwart haar, lief beige gezichtje.

Zodra, volgens het rooster, de klas naar een ander lokaal wandelt blijft de jongen het mooie meisje in de gaten houden. Hij zal, nee, hij moet de andere lessen ook naast haar proberen te zitten. Terwijl de klas verandert van lokaal blijft de jongen dicht in de buurt van het bijzondere meisje lopen. Zodra de klas het nieuwe lokaal betreedt is hij maar een paar passen van haar verwijdert. Zo lukt het hem om bij muziek, biologie, aardrijkskunde, geschiedenis, Engels en Nederlands naast haar of in ieder geval dicht in de buurt haar te zitten. Na een aantal dagen heeft de jongen net zoveel moed verzamelt dat hij het meisje haar naam durft te vragen. En ze heeft een niet gangbare naam, ook al zo bijzonder. Tot over zijn oren is hij verliefd op haar.

Hij ziet dat zij niet Nederlands is. Zal hij? Ja, hij durft, met zijn pen prikt hij in haar rug. Als door een wesp gestoken veert zij op en draait zich om. “Wat doe je?” vraagt ze. “Uh…uhm, waar kom jij vandaan?; vraagt hij. “Kom je soms uit Japan?” “Nee joh, gekkie, ik ben Indisch”. ‘Kom je uit Japan’, hoe stom kun je zijn om zoiets te vragen. Natuurlijk komt ze niet uit Japan. Dat zie je toch zo! “Je hebt echt mooi haar. Het is erg dik, net stro”. Terwijl hij dit zegt kan hij wel door de grond zakken. Hij is tot diep over zijn oren verliefd op haar. Waarom zeg je dan van die absurde dingen? Ze lacht: “Gekkie”.

Na een aantal weken van verlegenheid, verliefdheid, verwardheid en naïviteit is er de georganiseerde klassenavond. Voor dit ‘spektakel’ is er een zaaltje bij de naburige kerk gehuurd. Een tweetal docenten hebben hun gitaar meegenomen en spelen onder andere nummers van de Eagles, de meezingernummers. Twee jongens hebben zich ontpopt als ware DJ’s. De gangbare populaire nummers worden gedraaid. De blonde jongen draait en zoekt, maar ‘zijn’ meisje is er niet. Hij voelt zich werkelijk verlaten en ongemakkelijk. Deze avond was de kans om dicht tegen haar aan te dansen op de ‘slijpnummers’. De twee docenten stellen voor een kring te vormen en het nummer La Bamba te laten draaien. Een aantal meisjes kijken verrukt en blij. Dit betekent dansen en zoenen tegelijk. De blonde jongen heeft geen idee waaraan hij zich overgeeft, maar gaat toch bij de rest van de klas in de kring staan. Dan wordt het nummer La Bamba gedraaid. Eén meisje offert zich op om het spits af te bijten en gaat langzaam dansend de kring langs. Sommige jongens kijken verwachtingsvol naar het mooie dansende meisje. Dan stopt ze voor de blonde jongen en zoent hem drie keer op de wangen. Het mooie meisje sommeert de blonde jongen haar plaats in het midden van de kring in te nemen en haar voorbeeld te volgen. Onwennig begint hij langs de groep te dansen. Dansen langs de verwachtingsvolle meisjes. Met rood hoofd begint de blonde jongen te dansen. Elk meisje kijkt hij even aan en dansend komt hij voor een meisje terecht die hij leuk genoeg vindt om te zoenen. Teder kust hij dit meisje op beide wangen. Maar het is niet het meisje waar hij zoveel liefde voor voelt. Tot zijn eigen verbazing wordt hij door verschillende meisjes die dansend de kring rondgaan gekust. Kennelijk ligt hij bij de meisjes wel goed in de markt.

De maandag na de klassenavond zit hij weer naast het Indische meisje bij het vak muziek en vraagt waarom zij niet bij de klassenavond was. “Ik mocht niet”, was het simpele antwoord. Dagen gaan voorbij, weken gaan voorbij, maanden passeren. Dan is er de werkweek naar Schotland. Met alle derde klassen wordt er vijf dagen een bezoek gebracht aan Schotland. De bussen staan klaar. Er wordt ingestapt. De blonde jongen ziet ‘zijn’ meisje de bus met haar vriendin instappen. Hij wil naast haar zitten, maar diverse klasgenoten zijn hem voor. Daardoor zit hij ver bij haar vandaan, te ver. De bus komt na driekwartier aan bij de boot in Rozenburg en rijdt de boot op. De boot zal er de hele nacht over doen om in Schotland aan te komen. De ferry wordt verkend. Al snel weet de blonde jongen dat er een bar is, een eetzaal, een loungeruimte, een promenadedek en een bardancing. In de bardancing treft hij verschillende klasgenoten al dansend aan, zo ook het Indische klasgenootje. God, wat is ze mooi. Voorzichtig nadert hij haar en verlegen vraagt hij of ze wil dansen. Samen dansen ze heel teder met elkaar. Teder, bijna breekbaar, zoekt hij voorzichtig de lippen van ‘zijn’ meisje. Beiden geven zich over aan hun verliefdheid en vergeten de klasgenoten om hun heen. Teder schuift zij haar hand in de zijne. Hand in hand verkennen zij nu samen de veerboot. De wereld bestaat niet meer, zij hebben alleen nog oog voor elkaar.

De blonde jongen ben ik al jaren niet meer, maar de verliefdheid is er niet minder om geworden. Het Indische meisje, daar ben ik vandaag op de kop af al weer 30 jaar mee getrouwd. En echt; wat is ze mooi.

 

 

Was vroeger alles beter…. Ja?

Hoewel er een aantal huizen gerenoveerd waren of vervangen door nieuwbouw ademde de wijk nog zo als vroeger. Ik snoof nogmaals. Mede door de geur kwamen allerlei herinneringen aan vroeger boven. Ook herinneringen die ik allang vergeten was en die er totaal niet toe doen. In de Iependaal kocht ik als kleine jongen voor 2 cent Belga kauwgums en zakjes zwart-wit, een stuk duimdrop of een stuk zoethout.

Al hollend rende ik altijd naar mijn lagere school, de Pniëlschool, gelegen aan de Strevelsweg. Toch rennend een loopje van een kwartier. Daar voetbalden we met alle jongens van de klas met een tennisbal en twee bakstenen als doel. Er werd zelfs tegen andere klassen op het plein gevoetbald. Had je als klas gewonnen dan won je de plastic cup die iemand ooit eens bij een pak waspoeder had gekregen. Een heuse cup van wel 6 centimeter hoog. Tegenwoordig worden de kinderen met de auto afgezet. Nog net niet wordt de auto het schoolplein opgereden. Als dat zou kunnen gebeurde het ook echt.

Ik rende van de Beukendaal naar de Langewelle, vandaar naar de Achterdonk en de Dreef naar de Groene Hilledijk en zo via het Slag naar de Strevelsweg waar de basisschool stond.

Bij de Vivo in de Eikendaal moest ik wel eens voor mijn moeder Reckit Blauw, ook wel Bommetje Blauw genoemd, en koekjes halen. Die koekjes kwamen uit een grote, vierkante trommel en werden los verpakt in een bruine papieren zak. Tegenwoordig is alles dubbel in plastic verpakt en nog eens met cellofaan afgesloten. Of ik moest Radion wasmiddel en een bus Vim halen voor het schoonschuren van de granieten gootsteen.

Op de Groenezoom was hotel-restaurant Het Witte Paard gevestigd. Een statige, voormalige boerderij. Ik vond dat altijd een gebouw wat totaal niet in de wijk paste. Het was een gerietdekte ouderwetse boerderij in een nieuw jasje. Wel chique moet ik zeggen, dat wel. Op een avond lichtte de hemel oranje op. Het Witte Paard stond in lichterlaaie. Het heeft nooit meer de functie van hotel of restaurant gehad. Na de renovatie kreeg het de functie van wijkcentrum.

Bij slagerij Van Dorp op de Groenezoom moest ik wel eens beleg of vlees kopen. Een keer moest ik speklapjes kopen. Toen mijn moeder die ging bakken stonk de hele keuken naar vis. Bleek dat de varkens vis en vismeel te eten hadden gekregen. Niet te vr… Laat ik het zo zeggen, het was echt niet zo erg lekker.

Brood werd gekocht bij Banketbakkerij Uljee. Een bakker die zijn zaakjes goed voor elkaar had. Een winkel met aan de achterkant een grote garage die omgebouwd was als bakkerij. Van broden tot luxe gebakjes, alles was er te krijgen en met zorg bereid. Tegenwoordig heeft deze bakker een stuk of tien filialen in de regio Rotterdam en omstreken. Bloemen werden gekocht bij buurman Hartog, de bloemist. Daar verdiende ik een zakcentje door de planten in de plantenkas dagelijks met water te sproeien tijdens zijn vakantie.

Aan de overkant van de West Varkenoordseweg lag het rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen. Ik kan mij herinneren dat bij recyclingbedrijf De Klok de stad Rotterdam ophield. De wijk Lombardije bestond nog niet. In de weilanden, wat nu Lombardije is, ving ik kikkers en kikkerdril. Zodra ik thuiskwam zette ik het emmertje met kikkers en kikkerdril achter het houten schuurtje. Om weken later tot de ontdekking te komen dat door de zon er een soort kikker- en kikkervisjessoep was ontstaan. De stank, daar ging je vanzelf van achteruit lopen.

Een telefoon, laat staan een mobiele telefoon, was er niet. Er waren afspraken; zodra de straatlantaarns gaan branden kom je naar huis. En net zulk werk, zodra tijdens het voetballen op een pleintje in de buurt de lantaarns aangingen renden we op een holletje naar huis. Tegenwoordig hebben de kinderen in groep 6 al een mobieltje. Soms zelfs met abonnement. Dat de ouders na een maand een paar honderd euro af moeten tikken omdat het kind onvoorzichtig is geweest met bellen, bijvoorbeeld naar een klasgenootje die met vakantie in Indonesië is, wordt op de koop toe genomen.

Ook zoiets; zojuist heb ik weer een baal kattengrit en een zak hondenvoer gehaald… juist, in grote plasticzakken. Plastic verzamelen we tegenwoordig in…juist plasticzakken die af te halen zijn bij de lokale Albert Heijn. Als je na een maand de oogst in die plasticzak bekijk dan schrik je echt.

Dat hondenvoer en het hondenvlees is allemaal verpakt. Tja, vroeger at de hond met de pot mee of die kreeg slachtafval. Schapenkoppen, stukken rib, stukken vuile pens, stukken kippenkarkas, geschoten duiven of hele poten van een geit. Dat was heel normaal. Nu is dat weer ‘nieuw’. Nu heet dat barfen als je hond moet knagen om zijn maaltijd binnen te krijgen.

Was vroeger dan alles beter? Nou, niet alles, maar toch was er meer harmonie in de samenleving. En harmonie spreekt mij nou eenmaal aan.

Luisteren met je ogen – kijken met je handen

Luisteren is meer dan horen dat weet ik inmiddels zeker. Ik maak het met enige regelmaat mee: mensen luisteren wel, maar horen totaal niet wat je zegt. Het begint al met het voorstellen. Soms krijg je zo’n weeiig, week slap handje. Je hebt je naam genoemd en al direct wordt er gevraagd: “Hoe zei je dat je heet?” Of je bent wat aan het vertellen en je gespreksgenoot begint dwars door jouw verhaal te wauwelen. Respectloos, maar het gebeurt.

Ook dat heb ik meegemaakt; overbezorgdheid. Ik zag het met de oma die in alles leeuwen en beren  op de weg  van haar kleinkind zag. “O, doe voorzichtig op dat klimrek want als je valt…”. Ik ben niet van dat benauwde. Laat kinderen ervaren. Laat kinderen kijken met hun handen. Aanzitten. Doen. Daar leren ze van. Mijn neefje nam ik mee een weiland in. Het was omheind met schrikdraad. Langzaam liep hij naar het schrikdraad met uitgestrekt handje. Op mijn “Niet aanzitten hoor dat doet zeer” stak hij zijn hand uit en met een grijns op zijn gezicht in mijn richting en met een blik van joh-oom-krijg-jij-het-lazarus raakte hij het schrikdraad aan. Ik kwam voor de zekerheid even niet tussenbeide. Door de schok schrok hij. Maar ik weet zeker, dit doet hij nooit meer, hij heeft er van geleerd

Kinderen worden in mijn ogen te beschermend opgevoed. Toen ik nog een snotneus was moest ik door weer en wind naar school fietsen. Nu worden kinderen gebracht en gehaald met de auto. Naar school, naar sportverenigingen, naar kinderfeestjes en noem maar op.  Kinderen zijn allergisch voor stof, huismijt, voor buitenspelen. Ze zijn dyslectisch,  hebben ADHD, ziekte van Weil. Of was dat bij honden? Kortom een hoop kinderen zijn bevattelijk voor allerlei zaken waar je vroeger niet eens van hoorde, laat staan dat je wist dat het bestond. Waar is de tijd dat kinderen stijf onder de modder thuiskomen van het spelen in een veld of van het voetballen op een trapveldje. Of leuker; in de sloot gevallen omdat kindlief probeerde met losse handen te fietsen. En dat dan net voordat de schoolfotograaf foto’s kwam maken. Nee, voetballen en andere sporten doen ze op de Wii, lekker binnen. Je merkt het ook dat de weerstand van de kinderen verandert.

Ik ken mensen die nog nooit, ja je leest het goed, nog nooit in het bos zijn geweest. Ze vinden het niet de moeite waard. Maar ook kreeg ik als reden dat de kinderen al aan het einde van de straat in de auto beginnen te zeuren hoelang het nog gaat duren dat ze er zijn. Er wordt dus aan de ‘gevoelstemperatuur’van de kinderen toegegeven.

Nu leven de kinderen bij de waan van de dag. Waar is de tijd gebleven dat kinderen al aan je houding zagen dat ze beter maar naar je konden luisteren in plaats van tegenspreken?

Kinderen, bezint eer ge begint. Zolang je geen idee hebt hoe je de opvoeding van je kinderen aan moet pakken zou je er niet aan moeten beginnen. Ik zie het aan mijn overbuurman. Die man moet wel ongelukkig zijn als zijn drie jonge kinderen weer een week bij hem zijn. Gek wordt hij van het gegil van die drie, maar het schijnt van hem te mogen. Of, hij schijnt er niet tegenop te kunnen. Luisteren doen ze al helemaal niet. Gelukkig hebben mijn kinderen nooit zo erg gezeurd. Autoritten van 18 uur of langer reed ik met plaspauzes in een keer. Er werd niet noodgedwongen een tussenstop bij een of ander achenebbisj hotelletje gemaakt omdat de kinderen voor de tienduizendste keer vroegen of ze er nu eindelijk waren. Er werd gezongen op muziek van Bert en Ernie. Er werd Frans of Spaans geleerd van de muziek van Bassie en Adriaan. Spelletjes werden in de auto gedaan. Ze hadden plezier, en daardoor wij als ouders ook. Er werden bij Breda blikjes limonade uitgedeeld. De blikjes werden dan pas geopend nadat we in de verte de Eifeltoren in Parijs passeerden. Nooit heb ik begrepen waarom.

Nu jaren later zie ik onze opvoeding bij onze volwassen kinderen terug.  We hebben het zo gek nog niet gedaan, al zeg ik het zelf. Alledrie kunnen ze op een nette manier met mensen omgaan en weten de natuur op waarde te schatten. Alledrie zijn ze gelukkig, ook dat is wat waard.

Mijn oudste dochter en mijn zoon zijn nog vrijgezel. Gelukkig konden hun schoonouders geen kinderen krijgen.

Terug in de tijd

Terwijl ik zo wat verhaaltjes zit terug te lezen moet ik ineens denken aan met vakantie gaan naar Frankrijk, maar dan een paar honderd jaar geleden. Hoe zou dat zijn gegaan? Nu informeer je per telefoon of per internet of het gewenste bungalowtje, hotelletje of de bewuste campingplaats nog beschikbaar is. Of  je boekt je een vakantie per internet. Per vliegtuig of per auto zit je in een paar uurtjes op je geboekte vakantieadres. Voor diegene die niet in één keer de rit per auto willen maken is er de mogelijkheid om ergens halverwege een hotelletje of een bed & breakfast te pakken die weer van alle gemakken voorzien zijn.

Bij aankomst wordt per mobiele telefoon, hetzij mondeling hetzij per sms, aan het thuisfront gemeld dat je goed en veilig bent aangekomen. Daarna neemt een ieder een verfrissende douche. Per auto ga je nog even naar een hypermarché om daar de boodschappen voor de komende dagen in te slaan. Het vlees en de andere bederfelijke waar wordt netjes in de koelkast of het vriesvak bewaard. Met een boot met jetstreamaandrijving bekijk je in een paar uurtjes de volledige kustlijn van je vakantieadres. Je maakt de nodige foto’s en video-opnamen om je familieleden thuis te laten zien hoe mooi het was tijdens die verre vakantie.

Bij thuiskomst melden we via MSN, Twitter, Facebook of  Hyves aan vrienden en familie hoe het geweest is. Allemaal snelle en moderne verbindingen die we niet meer uit ons dagelijks leven weg kunnen denken. Hoe anders was dit in de middeleeuwen. Ik stel mij het dan als volgt voor:

Als je richting Frankrijk ging moest je zorgen voor een schoudertas, een zadeltas en een warme deken. Je zwaard en je mes had je in een schede om je heup hangen. Je wist tenslotte maar nooit wat je onderweg tegenkwam. Met wat proviand voor de eerste dag ging je dan des ochtends onderweegsch. Na een rit van zo’n veertig kilometer langs velden met hop en gerst werd er gestopt. Het rosch (met ch) was moe en bezweet en uzelve ging het lopen na het afstijgen ook niet geheel moeiteloos, dan liep ge het eerste uur, laat ik maar zeggen, ‘met-je-armen-wijdbeens’. Het paard werd aan de boom geknoopt. Tegenwoordig doen ze dat op een iets andere manier met een hond die overbodig is geworden, maar goed. Je moest in het buurtschap waar je was aangeland eerst zoeken naar een herberg. Je bestelde bij de waard van de herberg een pul bier en laafde je enorme dorst. En passant vroeg je de waard of hij onderdak voor de nacht had. Gelukkig bleek dit het geval te zijn.

In deze herberg liepen ook de nodige deernen rond met een decolleté waar de rondingen praktisch uit de jurk vielen. Zeker longontsteking gehad, want de longen hangen zowat uit hunnen jurkjes. De waard vroeg beleefd of je zin had in nog enen pul bier, een bord stoofvleesch en een ’warm bed’ als u begrijpt wat ik bedoel. Je bent tenslotte alleen op reis. Na de onrustige nacht duwde je dan je hoofd in een drinkbak die buiten stond. Met dit koude water waste je lekker je gezicht. Er werd bij de waard afgerekend en je vervolgde je weg weer richting het zuiden. Onderweg werd op een met gras begroeid weggetje je leven bedreigd door twee onverlaten die beide vervaarlijk met een sabel in jouw richting zwaaiden. Gelukkig had je veel ervaring in het zwaardvechten en werden deze schurken met een paar wel geplaatste steken dood achtergelaten samen met wat andere stukken afval. Na ongeveer vijftig kilometer voelde je je rug en je achterwerk aardig branden van de inmiddels ongemakkelijke houding in het zadel. Je zat tenslotte heel de tijd ‘met je armen wijdbeens’. Wederom werd er een herberg aangedaan. Opnieuw was er gelukkig weer plaats. En ook nu was het bed warm, niet door de elektrische deken, maar door een vrouwen lichaam. Haar naam wist je nog niet. Toch maar even vragen, dat was wel zo netjes. Ach, ze bleek nog maar zeventien jaar oud te zijn. Lekker jong en fris dus. Op die manier kon je haar nog wat dingen leren, was je gelijk maatschappelijk verantwoord bezig. De volgende dag in de vroege ochtenduren sprong je even in de sloot om je even goed te wassen. Het kroos veegde je netjes weer van je hoofd. Even alles droogmaken. Schoon! Eenmaal aangekleed nam je het gekochte stuk brood en at je dit in het zadel samen met het restant van het geroosterde konijn die je gisteren gevangen had. Gelukkig nog maar 1260 kilometer, ongeveer 31 dagen rijden, het schoot al op!

Na 30 dagen bereikte je de streek waar je ‘vakantie’ wilde vieren. Langs het zandpad stond een enorme muur met daar achter een grote hoeveelheid wijnranken. Rustig dirigeerde je het paard richting het in de verte zichtbare huis. Even later rende een vrouw huilend en gillend tussen de wijnranken door richting het huis. Je riep nog: ”Deerne, waarom schreit gij?” Wel beeld, maar geen geluid zal ik maar zeggen. Geen antwoord. Halverwege het pad kwam een man met een zwartkruit geweer naar je toe. Het geweer werd op je gericht en de man zei: ”Bonsoir. Comment vous appeler? Ou est votre compagnon de voyage?” (Goedenavond. Hoe heet u? Waar is uw medereiziger?). Maar ja, je verstond geen woord van wat die man zei. Gelukkig wist je de man te overtuigen dat je geen kwaad in de zin had en mocht je in het hooi blijven slapen… samen met de deerne die eerst huilend en gillend voor je weg rende. Hè,… heerlijke vakantie. Na twee weken besloot je weer terug te gaan naar Den Nederlanden, een terugreis van 31 dagen met de nodige gevaren. Als je na 77 dagen weer op het kantoor van de schout terugkeerde zag je dat er iemand anders achter jouw katheder stond. Vreemd, je bent tenslotte maar twee weken in Frankrijk geweest. En even een facsimile (fax) versturen ging niet!

Hoe zou dat geweest zijn in de prehistorie? Je kwam thuis ‘van je werk’ en trof je vrouw in je grot aan. Dan gromde je ten teken dat je thuis was naar haar terwijl zij boven een houtvuur in de grot een holenbeer aan het roosteren was? Zij gromde terug ten teken van begroeting. Dan gromde je twee keer en dan kreeg je een bordje warme holenbeer of zo iets? En als je wilde slapen sleepte je haar aan haar lange haren mee een grot in, lekker warm. En je maakte een krijttekening om een bericht achter te laten.