De weg naar de hemel

Zo’n gevoel, zo’n flits die door mij heen schiet. Een soort van schrik. Zo kan ik het het beste uitleggen wat mij regelmatig overkwam. Nu op het moment van schrijven realiseer ik mij dat mij dit best vaak overkwam. Simpelweg zitten met een vraag, over jagen bijvoorbeeld. De gedachte om even Arie, mijn jachtmaat te bellen voor het juiste antwoord. Mijn schoonvader bellen met de vraag of hij even mee gaat naar België of Noord-Frankrijk. Zomaar wat wijn kopen of zo maar even wat vlees halen. Even op een dag op en neer. Gezellig. Het is bijna Pasen en dan in een tuincentrum dwalen en dan een leuk opgemaakt bloembakje achteloos in het karretje zetten, want dat zal ma zo leuk vinden. Met een schok dan realiseren dat dat niet meer kan. Als een bliksemschicht tot in je ziel geraakt worden en merken dat er een traan in je ooghoek brandt omdat je ineens weer met beide benen op de grond staat en beseft dat zij allen in de hemel zijn. Langzaam, heel langzaam begin ik er aan te wennen dat zij niet meer in ons midden zijn. Tijdens weekendjes weg of met vakantie brand ik altijd in kerken of kathedralen een kaarsje voor die dierbaren die er niet meer zijn. Twee maanden geleden kon ik dat voor het eerst met droge ogen. Met veel respect kuste ik het kaarsje bij wijze van surrogaat omdat ik die dierbaren niet zelf kon kussen. Ik plaatste het kaarsje bovenaan de grote kaarsenhouder. Bovenaan omdat ik hen, of eigenlijk dit kaarsje wat hen symboliseert, de ruimte wilde geven zodat ze mij konden zien en merken dat ik hen niet vergeten ben. Ze reizen met mij mee. Ze horen bij mij. Ze zijn waar ik ben.

Vooral sinds 8 december 2015, sinds het stotteren bij mij insloeg als een bom, ben ik op de meest onmogelijke momenten emotioneel incontinent. Een geur, een muzieknummer triggert mijn geest en brengt mij in gedachten naar die momenten, die herinneringen die mij zo dierbaar zijn. Is die herinnering daar, dan voel ik het gemis. Ik wil het zo graag opnieuw beleven met die mensen, juist met hen. Wetende dat zij er niet meer zijn. Vaak heb ik gedacht aan een bezoekregeling in de hemel. Waren er maar bepaalde uren in de maand dat je kon zeggen; ‘Vanmiddag ben ik er niet, ik ben dan op bezoek bij mijn moeder’ of ‘Ik ga even een sigaar roken met mijn schoonvader’ of ‘Sorry, geen tijd, ik ben een borreltje halen bij Arie’. Onzin natuurlijk, maar hier heb ik wel serieus over nagedacht; stel dat het zou kunnen…. Stel dat dat zou kunnen, in welke frequentie zou je dan op bezoek naar de hemel gaan? En hoe vaak zou je bij wie aankloppen? Hoe gek ook, ik heb mij dit serieus afgevraagd. Ik mis hen. Ik mis hen enorm!

Het stotteren, daar ben ik nu achter wordt getriggerd door emoties. Niet alleen verdriet, ook kwaadheid, erge teleurstelling of flinke vermoeidheid (hoewel geen emotie) zorgt ervoor dat ik binnen 5 minuten van normaal pratend via hakkelen, stotteren, heel erg stotteren in een stadium kan belanden waarbij ik geen woord uit kan brengen en mijn tong of mijn wangen kapot bijt. Het betekende voor mij dat ik heel bewust moet zorgen dat die triggers geen kans krijgen zich te manifesteren. Rustmomenten zonder afleiding inbouwen. Makkelijker gezegd dan gedaan. Als ondernemer ben je 24 uur per dag bezig je bedrijf op de rit te houden. Je moet bereikbaar zijn want elk telefoontje, elke email kan van een potentiële klant afkomstig zijn. Onzin, zo denk ik nu. Je kan je zelf wel te barste werken, maar naar nu blijkt word je daar niet echt wijzer (lees gezonder) van. Ik ben gaan kijken wat mij hierbij helpt. Nou een heel belangrijke is begrip van mijn lief, mijn rots. Houvast, houvast aan haar. Onvoorwaardelijke liefde krijg ik van haar. Ik voel rijkdom, begrip, liefde, rust. En donders, dat voelt zo goed!

Samen kozen we een jaar geleden om rust te gaan inplannen en te zien of dat dit kan. Elke twee maanden een weekend weg, God mag weten waar naar toe. Ik zie wel wat er komt. Aan het begin van deze weekenden gaat de telefoon helemaal uit, ik geef hem af aan mijn lief en ben ik onbereikbaar. Vooraf hebben we al de nodige voorpret gehad door ons af te vragen: ‘Welke bestemming kiezen we en hoe bereiken we die bestemming?’ Samen zoeken, kiezen, besluiten. Samen er naar toe reizen. Samen genieten van elkaar, van de omgeving, van de lokale heerlijkheden, van de natuur, van al het moois wat onze Lieve Heer geschapen heeft. Praag, De Veluwe, Vaals, De Haan, Saarburg, Rome, New York. Soms dichtbij, soms verder weg. En zowaar, ik voel die rust. Ik merk dat dit helpt.

Het stotteren blijft steeds langer weg. De rust en de juiste mindset blijven steeds langer hangen. Zo vind ik mijn weg naar de hemel, ook al is die dan op aarde.

 

 

 

 

Advertenties

Vaarwel mijn vriend

Nog een paar dagen; op 3 november wordt ie alweer 13 jaar. Best wel oud voor een hond.  Je ziet hem met de dag ouder en knokiger worden. Hij eet als een dijker en pist als een volwassen vent die net uit de kroeg komt. Een volle waterbak wordt in een keer leeggedronken om vervolgens piepend bij de achterdeur te staan: hij moet een megaplas doen. Hoewel hij goed eet zie je zijn heupen tekenen. Als we gedrieenlijk (met Bram, de Teckel erbij) langs de slootkant banjeren merk ik dat Dibbes de laatste tijd wat slingert. Al poepend probeert ie zijn evenwicht te bewaren, iets wat steeds moeilijker gaat. Maar toch, hij speelt graag, rent graag en apporteert ‘zijn’ duiven bij de manege nog graag. Al gaat dat dan wat minder snel dan vroeger, een bek vol veren is nog steeds de moeite meer dan waard. Niet kapot te krijgen. Thuisgekomen na het laatste avondrondje moet en zal hij weer op zijn kussen voor de openhaard liggen. Eerst dertig keer rondjes draaien en dan is eindelijk de juiste plek en houding gevonden: voeten en kop op het kussen, zijn oude lijf er naast. Typisch Dibbes. Maar ach, hij is op een haar na 13. Zoals ik hem nu zie liggen komen daar vast nog 1 of 2 jaar bij. Een echte ouwe Dibbes.

Ook zo typisch Dibbes: als je even voor de deur naar buiten staat te kijken moet en zal hij tussen je benen zitten. Alsof hij een parkeersteek maakt gaat hij voor je zitten en manouvreert dan achteruit, steeds dichter en stijver tegen je benen aan. De stinkerd.

28 oktober: zijn etensbak wordt weer gretig leeggegeten. En passent wordt ook de waterbak leeggedronken. Niet veel later posteert hij zich weer na de nodige rondjes en draaien op zijn kussen voor de haard. Rond een uur of 8 ’s avonds is ie wat misselijk. Hij zit zichzelf duidelijk in de weg. Met zijn neus opent hij de achterdeur om de buitenlucht op te snuiven. Niet veel later begint Dibbes te ijsberen. Liggen is even geen optie: misselijk! Toch wil ie het laatste rondje met Brammetje en mij mee naar buiten. Weer terug binnen start het ijsberen weer. Het zit mij niet lekker, maar de geruststelling komt als hij toch weer op zijn kussen kruipt. De volgende ochtend loopt ie futloos mee voor zijn ochtendplas. Na zijn plas draait ie direct om, hij wil naar huis. Ik geef hem maar gelijk. Wetende dat hij zich niet lekker voelt, geef ik hem maar een minihandje voer, eigenlijk alleen maar voor de vorm. Hij kijkt er niet eens naar. Snap ik.  Vanmiddag maar naar de dierenarts. Ik geef de honden een aai en begeef mij op weg naar de workshop zweetwerk die gepland staat.

Een leuke groep mensen met dito honden. De tijd vliegt. Het leidt lekker af, totdat…. totdat mijn zoon whatsappt dat Dibbes lusteloos is en een dikke buik heeft. Een foto volgt. Ik merk dat ik onrustig word van dit bericht. “Nog een klein uurtje dan ben ik klaar”; antwoord ik. Dat Dibbes ziek is meld ik aan de cursisten zodat zij snappen warom ik wat gespannen ben. Zodra de workshop klaar is race ik naar huis. Mevrouw Brand heeft inmiddels alles al klaar liggen voor de dierenarts. De workshopspullen laat ik maar even in de auto liggen en zenuwachtig ren ik naar binnen. Dibbes ligt op zijn zij en richt zijn kop een beetje op als ik hem aai. Hij legt zijn kop op mijn hand en zachtjes, bijna fragiel kwispelt hij met zijn kleine stompje staart. Met de telefoon in de hand en zittend naast onze grote hond heb ik de dierenarts aan de telefoon. De dierenarts wil weten wat de symptomen zijn. Geemotioneerd leg ik de situatie uit. De dierenarts geeft aan dat een collega met spoed onze kant op komt. Zodra ik ons adres doorgeef richt Dibbes zijn kop naar mij op en kijkt mij met grote ogen aan. Even haalt hij diep adem en slaakt een zucht. Het is zijn laatste. Ik zie geen ademhaling meer. Zijn hart is stil. Wezenloos meld ik de dierenarts, die ik nog steeds aan de telefoon heb, stap voor stap wat ik zie. “Dan is Dibbes overleden meneer Brand”; hoor ik haar nog zeggen. Haar collega hoeft niet meer te komen. Tranen biggelen over mijn wangen. Vrouwlief heeft het net zo slecht als ik. We omhelzen elkaar en zoeken troost bij elkaar zover dt nog lukt. Even ga ik naast Dibbes liggen. Nu kan het nog even besef ik. Het doodgaan heeft hij aan mij voorbehouden. Hij heeft echt op mij gewacht.

Dan komt het onvermijdelijke: het graven van zijn graf. Ik ben zo geemotioneerd dat ik als een bezetene letterlijk de blaren op de handen graaf, iets wat ik op dat moment niet eens besef.  Zo snel als ik kan graaf ik een nette laatste rustplaats voor mijn grote vriend. Samen met mijn dochter vlij ik Dibbes netjes en behoedzaam in zijn rustplaats neer. Voor ik hem met grond toedek wil ik dat er kranten over zijn kop gelegd worden. Stel je voor dat hij zand in de ogen krijgt, dat wil ik niet. Dan komt de laatste onvermijdelijke stap: hem toedekken. Voor mijn vrouw en dochter probeer ik mij groot te houden, iets wat mij natuurlijk niet lukt. Zorgvuldig schep ik de laatste hoeveelheid grond over hem heen, Het droevige karwei is geklaard. De strijd is verloren. Niet veel later komt zoonlief met Brammetje terug van een wandeling. Bram gaat direct op zoek naar Dibbes. In een streep loopt ie naar het vers gedolven graf. Hij snuffelt en draait er wat rond. Hij staat stil en snuffelt een laatste keer en gaat naar binnen waar hij heel dicht tegen mij aan komt zitten.

Het voelt leeg, stil, alleen, onwerkelijk. Dibbes zou 14 of 15 worden, dat had ik hem nog gezegd. Het ergste vind ik nog dat er geen hemel is voor mijn lieve hond. Nu een paar dagen later voelt het nog steeds niet goed. Het is veel te stil. Bram die dit kennelijk voelt laat zich van zijn beste kant zien. Spontaan wil hij steeds dicht tegen mij of mijn vrouw aan kroelen.

Nooit meer plagerig tegen zijn oor pieken. Nooit meer een uitdagende pets op zijn kop geven. Nooit meer tegen hem kunnen zeggen: “He lelijke hond”. Het is zo heel erg definitief. We zullen, nee moeten er mee leven. Het komt wel goed, maar het heeft zijn tijd nodig.

Vaarwel lieve vriend

.DIBBES1

Dood en begraven

Na het overlijden van de broer van mijn schoonvader (geen Roundup) is er weer een generatie verdwenen. En Arie, de jagermeester, ook nog niet zo gek lang geleden overleden. Dat zet je toch aan het denken. Al ben ik nog niet zo oud, het kan zomaar gebeurd zijn. Met een knip van je vingers ‘het licht uit’. Dat heb ik al eens mogen ervaren (lees: Gedane zaken).

Gisteravond kon ik de slaap niet vatten. Mijn gedachten dwaalden af naar: wat als ik nu definitief dood ga? Wel eens over nagedacht, maar nu lig ik wakker en aan dit soort dingen te denken. Hoe moet het met mevrouw Brand en de kinderen? Wat laat ik hen na? Heb ik wel iets om hen na te laten? Hoe zou ik mijn eigen uitvaart willen? Zijn er nog dingen die ik perse wil doen voor ik dood ga? Het laat me niet los. Altijd wil ik anders zijn en doen dan anderen. Dus bij mijn uitvaart ook. Begraven, dat is wat ik wil worden. Gewoon een eigen plekkie. Met een zwerfkei als steen met hierin gebeiteld: ‘Hij heeft zijn laatste kruit verschoten, Jan is nu eindelijk naar de kloten’. Ik zwerf tenslotte altijd van plaats naar plaats en van veld naar veld. Voor de rest geen poespas.

Maar serieus, ik zou het mooi vinden als de uitvaartdienst zou plaatsvinden met mijn jachtmaten en hun honden erbij. Het liefst in een grote tent middenin het jachtveld bij de zorgboerderij. De mensen die naar mijn uitvaartdienst komen, allemaal gekleed in het jachtgroen met kaplaarzen aan. Lekker makkelijk.

O ja, muziek. Hoornblazer blazen ‘Einde jacht’ op hun jachthoorns. En bij het plaatsen van de kist bij mijn graf, ik wou bijna schrijven ‘en bij het ter perse gaan van de kist’, lijkt het mij mooi om de soundtrack van Avatar ‘I see you’ te laten horen. En dan het liefst met Joe Goldberg als tweede stem. Een lekkere borrel na afloop met een dikke Cohiba sigaar erbij. Het leven moet tenslotte wel gevierd worden.

Bizar eigenlijk; zit ik mijn eigen begrafenis te beschrijven. Is dat gek? Nee toch? Wel? Nou ja, het schept wel duidelijkheid.

Vergeef mij Vader, want ik heb gezondigd

Sinds ik zelf de leiding heb over mijn eigen tuin probeer ik bio-organisch, ecologisch, parachutistisch, milieubewust, vegetarisch, veganistisch mijn tuin te onderhouden en dingen te laten groeien en bloeien. Er wordt geen, let wel geen, kunstdingen of giffen in de tuin gebruikt. Planten worden opgebonden aan staken en takken uit de tuin. De erfafscheiding is gemaakt van gevlochten wilgentenen. Dat staat nog leuk ook. Er is een eigen compostbak waar al het groente-, fruit- en tuinafval een tweede leven krijgt. En ik moet zeggen hier komt na een aantal maanden door de wormen gemaakte echte zwarte aarde van wat weer gebruikt kan worden voor over de borders. Eierschalen worden verkrummeld en bij de druif gestrooid. ’t Is tenslotte ook kalk en dat heeft een druif nodig. Zorgvuldig wordt onkruid eruit getrokken of uitgestoken. Nieuwe plantjes worden in de winter gezaaid, verspeend en opgepot om zodra het weer het enigszins toelaat af te harden in het kweekkasje. Er staan een mispel, een Conference peer, een olijf met olijfjes, frambozen en aardbeien in de tuin. En tussen de bloemen, klimplanten zoals clematis, geurende kamperfoelie en hop en struiken zaai ik regelmatig bosuitjes, radijs, verschillende tomatenrassen, kruiden en hier en daar pompoenen. Dat allemaal in een klein dorpstuintje met de zon in de juiste invalshoek.

Ik betrek mijn koffiebonen bij een koffiebrander op de Markt in Breda. Daar laat ik altijd een melange maken van Arabicabonen uit Indonesië en Brazilië. Als ik dan thuis koffie zet doe ik dat als volgt: met de koffiemolen maal ik de bonen. Ik doe de juiste hoeveelheid gemalen koffie in het filterzakje. Hier doe ik nog een snufje kaneel en een snufje zout bij. Ik giet de koffie met kokend water op. Moet je eens kijken wat een heerlijk bakkie pleur je krijgt. Een slokje van deze godendrank maakt dat je tong een huppeltje maakt, dat er spontaan een traan in je ooghoek prikt.

De koffiefilter leeg ik weer in de compostbak. Het filterzakje gooi ik weg want eer dat het filterzakje verteerd is, dan ben je wel een tijd verder.

Zelfs de lokale vogels worden goed voorzien. In het vogelhuisje achter in de tuin vinden de vogels regelmatig een waar buffet waarbij ze soms met servet aan komen schuiven. Het menu is divers: een cake van een euro uit de supermarkt voor de mussen en de mezen, speciaal vogelzaad met gedroogde garnaaltjes en bessen en gedroogde meelwormen voor het roodborstje en de merels, duivenvoer voor de tortelduiven en houtduiven. De eksters vreten alles wat op het menu voorbijkomt zelfs als ik er een kadaver inleg vinden die dat goed. De vogels vinden de heerlijkheden op deze gedekte tafel dan ook een ware delicatesse.

Vanuit het jachtveld wordt het openhaardhout betrokken zodat we er heel de winter warmpjes bij zitten. Hierdoor scheelt het ons in de stookkosten. In het jachtveld doen we aan biotoopverbetering. Een oud en verwaarloosd productie-wilgenbos brengen we langzaam weer tot leven.

Als ik kook dan doe ik dat met verse en de beste producten. Ik ga niet naar een groenteboer, maar naar de groentejuwelier. Brood haal ik niet bij de bakker maar bij de banketgastronoom. Vlees haal ik niet bij de slager maar bij de vleesmakelaar. Kwaliteit staat voorop. Over smaakt valt te twisten, over kwaliteit niet. Zo klinkt ‘poulet Ferrari’ hartstikke duur, maar het is gewoon aangereden kip. Dan kan het nooit lekker zijn.

Als ik ga jagen dan neem ik alles mee wat er geschoten is. Niets gaat verloren. Van het geschoten wild maak ik het heerlijkste vegetarische wildbraad of ik maak er scharrelworsten of rillettes van. Daar heb ik serieus over nagedacht.

Goed bezig, al zeg ik het zelf. Maar vergeef mij Vader, want ik heb gezondigd. Ik heb niemand misbruikt, ik heb wat anders misbruikt. Sinds enige tijd heb ik drieblad in de tuin. Dit heb ik geprobeerd te wieden echter komt dit twee keer zo hard terug. Ik heb het geprobeerd te bestrijden met ecologisch gif wat werkt met vetzuren of iets dergelijks. Maar ook dat hielp niet. Dan maar uiteindelijk grof geschut ingezet: Roundup. Het voelt niet goed, alsof ik van mijn geloof afstap. Alsof ik naakt door de straat ren. Erger, giftiger troep is er niet. Maar het helpt. Het maakt dood. Zo ook de coniferen, het onkruid op het terras, wat vaste planten en de bamboe. Het werkt fantastisch, waar het gif tegenaan komt gaat dood.