Nieuwe dag, nieuwe kansen

Er is een groot verlangen. Een verlangen om terug te gaan naar vroeger tijden. Nostalgie en melancholie wisselen elkaar af. De gedachten aan vroeger, aan de oude plaatsen waar ik gewoond heb. Zaken als zoethout, Belga-kauwgom, zakjes zwartwit komen voorbij als ik wederom in een diepe slaap al. Als ik wakker word is het voor mij duidelijk: ik moet dingen afsluiten. De rugzak raakt te vol. Ik moet tijd vrijmaken om mijn verdriet het hoofd te bieden. Tijdmaken voor Jan-tijd in plaats van uitsluitend tijd maken om anderen te helpen. Niet dat ik mensen die dat nodig hebben niet zal helpen, in tegendeel, maar er moet ook tijd komen voor mijzelf. Wandelend door de straten waar ik ben opgegroeid. Wandelend door het bos, maar wel in mijn uppie. Mijmerend, verhalen makend en geschiedenis schrijvend. Meer tijd makend om samen met mijn lief te genieten van de dag. Stiekum spijbelend zomaar weer eens de grens over schieten en in Wallonie de boel onveilig maken. Of eens te kijken of ik Londen net zo leuk vind als zij.

Twee dagen meejagen in Duitsland werkte voor mij als therapie. Beer, de Teckel mee op post en mee voor eventuele nazoeken op aangeschoten grofwild en voor de vossenbouwen.
Na vier uur sturen sms-te ik vriend Adriaan dat ik er was. ‘Gelijk door naar de kansel en zitten Jan. Ik kom eraan’, was het antwoord op mijn bericht. Zodra ik de auto door het bos had gestuurd stond Adriaan mij al op te wachten. Ik begroette Adriaan en ja, ik moest hem vertellen dat ik weer stotterde. “Ach Jan, je bent toch nog steeds hetzelfde, dus voor mij is er geen verschil”. We omhelden elkaar en zeiden even niets. De andere jachtvrienden zaten al op de hun toegewezen plek. Ik zat nog geen half uur op de kansel toen er al drie reekalveren al dartelend de weide over kwamen. Ze huppelden gewoon en sprongen om elkaar heen niet wetend wie hen door het vizier zat te bespieden. Ik heb ze laten gaan. Niet veel later kwamen er twee reegeiten op een holletje voorbij. Allebei keken ze mijn richting op en zekerden even. Nee, volgens hen was er geen gevaar. Een reegeit gedroeg zich wat raar. In de kijker leek het erop dat deze een geheel wit oog had maar zeker weten deed ik het niet. Het gedrag was echter zo anders als normaal dat ik besloot tot afschot. Het ree heeft mooit geweten wat hem getroffen had, want hij viel op het schot. Het bleek goed afschot. Het ree was blind aan een oog. Na het ontweiden zijn we richting het hotel gereden alwaar de anderen al stonden te wachten. Even handen wassen, opfrissen en Beer uitlaten en daarna richting Saarburg voor een diner.

Dag twee waren er zes driften met nog wat peuterwerk op varken, roofwild, haas, veerwild en waterwild. Bij de vierde drift stonden drie hooibergen onder een zeil. Er zou een vos zijn waargenomen, dus of ik met de hond wilde inspecteren of Reinaard thuis was. Aangezien Beer dit nog nooit gedaan had was dit best spannend voor ons allebei. Maar hij deed zijn werk goed. Bouw 1: Beer snuffelde even aan de pijp en keerde gelijk om. Bouw 2: hij snuffelde aan de pijp en begon te trillen en te kwispelen. Toen ik “er in” zei was Beer weg onder de grond. Reinaard was thuis. Bouw 3: ook hier snuffelde hij even en vond het gelijk genoeg. De vos sprong niet maar ik weet nu dat hij goed verwijst. Twee dagen jagen in Duitsland blijkt ook het relativeren te bespoedigen. De tijd die ik in mijn eentje in het donker op de kansel en op post doorbracht blijkt toch ideaal te zijn om gedachten af te wisselen met prachtige waarnemingen van God’s schepping. Langzaam aan krijgt alles een plekje.

Na de laatste drift, het maken van het tableau en het doodblazen van het wild werd na wat drinken de terugreis ingezet. Het stotteren was wat minder geworden. Door ademhalingtechnieken toe te passen en te praten bij het uitademen kreeg ik langzaam wat meer grip op mijn stotteren. Tijdens de vier uur durende terugreis heb ik bijna de gehele weg ademhalingsoefeningen en spraakoefeningen gedaan. Door woorden waarbij ik constant over struikelde hardop en langzaam uit te spreken kreeg ik wat meer grip op mijn praten. STRUIKELEN, STUITEREN, SPUITEN, SLUITEN, PRUIKEN, PRONKEN… en zo reed ik naar huis, met een mooi beeld op het netvlies van de afgelopen dagen en wat meer rust door het vele praten… tegen mijzelf.

Advertenties

Pluk de dag

Op mijn dooie gemak rijd ik richting Adriaan, de jachthouder. Het watertje meandert met mij mee terwijl ik de weg volg. Het gesprek gaat over het gebruik van zijn jachtveld in Duitsland om de zweethondencursus met een praktijkweekend af te sluiten en om te zien of er mogelijkheden zijn om managementtrainingen te combineren met jacht. Uitvoerig spreken we over dit onderwerp. Ook Adriaan weet ik enthousiast te krijgen en hij stemt toe. Eind juni zal het weekend plaatsvinden.

De volgende stap: cursisten informeren over de mogelijkheden en de daarbij horende kosten. Willen ze wel mee? Is er wel animo voor? Als ik dit bespreek zo ongeveer 3 lessen voor het einde van de cursus melden er 3 cursisten zich definitief aan. Ook mijn 2 Belgische cursisten, man en vrouw, stel ik de mogelijkheden voor en ook zij zijn enthousiast. Er is een maar, de man is zojuist aan een hersentumor geopereerd en is nog aan het herstellen. Verschijnselen: snel moe en zware benen. ‘Maar’ zo bezweert hij mij ‘Ik ga koste wat het kost mee. Ik wil dit voor geen goud missen’.

21 juni. Met een speciale e-mailnieuwsbrief vertel ik hen de laatste details zoals wat zij mee moeten nemen, hoelaat zij in Duitsland worden verwacht, het programma voor het weekend en dat zij weinig slaap zullen krijgen vanwege de vele aanzitmomenten. Van allen krijg ik een reactie terug, behalve van het Belgische stel. Er gaan een paar dagen overheen en nog steeds niets vernomen. Ik besluit het alsnog een e-mail te sturen. Geen reactie. Dan pak ik de telefoon en toets hun nummer. Voicemail. Dat is niets voor hen. Zeker de man is heel erg punctueel. Hummmm.

Eind juni. Het praktijkweekend is daar. In colonne rijden we via de Belgische Ardennen en Luxemburg naar Duitsland. Het is 32 graden. Nog steeds geen bericht van mijn Belgische cursisten. Na een rit van vierenhalf uur draaien we de parkeerplaats van het hotel op. Adriaan verwelkomt ons aller hartelijkst. Ik wijs de cursisten op de mogelijkheid hun benen te strekken en de honden van wat beweging te voorzien door hen een route langs en door een beek en bos te laten lopen. Het geeft mij wat bewegingsvrijheid om oefensporen te leggen voor de andere dag en geeft Adriaan de ruimte om indelingen te maken welke cursist met welke jager op de kansel zal gaan.

In alle rust zoek ik mijn weg door het grote gebied. Bij de grillplaats, een soort picknickplaats welke je bij de gemeente kunt vastleggen, besluit ik mijn sporen te maken. Al mijmerend leg ik de sporen. En, nog steeds niets gehoord van het Belgische stel. Zorgelijk vind ik dat. Maar goed, het zou zomaar kunnen dat als ik bij het hotel terugkom zij er ineens staan. Afwachten maar. Ik besluit nog even te genieten van het fabelachtige uitzicht. Gewoon even een Jan-momentje. Er is niets, geen geluid dan alleen van de verschillende vogels en het ruisen van de wind door de bomen. In de verte zie ik een jonge vos lopen. Traag maak ik aanstalte om naar de auto te gaan, met tegenzin. Het is hier zo rustig en zo mooi. Ik stap de auto in en rijd over de verschillende bosweggetjes weer richting bewoonde wereld en zo naar het hotel. Inmiddels is het etenstijd geworden. De cursisten hebben inmiddels kennisgemaakt met ‘hun’ jagers. Babbelkous bij babbelkous, outdoormens bij outdoormens en de ene cursist met geweer als ‘stand-alone’ met een eigen plek op de kansel.

Na het Duitse eten met als uitgangspunten Veel, Vet en Voedzaam geef ik een presentatie over het nut en de noodzaak van het zweethondenwerk en over de veiligheid in het algemeen en de veiligheid tijdens de nazoeken in het bijzonder. Er is veel interactie tijdens mijn presentatie en daar houd ik van. Ervaringen worden gedeeld, zo ook de kennis. Na de presentatie deelt Adriaan de jagers en cursisten in op de verschillende kansels in het jachtveld. Zodra een ieder zijn plek weet vertrekt een ieder. Als iedereen weg is besluit ik ook mijn plek voor die avond op te zoeken; een kansel aan de rand van het bos met uitzicht op een koolzaadveld en een weiland met koeien. Na een kwartier rijden kom ik op mijn bestemming aan en ontdoe mijn kogelbuks van foudraal, pak 4 patronen en doe die in het magazijn en hang mijn rugzak om. Ik ben er klaar voor. Rustig en zo onhoorbaar mogelijk schrijd ik door het veld naar de kansel. Rustig bestijg ik de ladder en installeer mij op mijn plek. Het uitzicht is fenomenaal. Hier zit ik dan met mijn gedachten. Gedachten aan het feit dat dit niet voelt als werk. Gedachten aan mijn vrouw thuis. Gedachten aan het stel wat er niets is. ‘Er zal toch niets gebeurd zijn? Het is niks voor hen om niets van zich te laten horen. ER IS WAT GEBEURD, DAT MOET WEL!’ Okay, ik weet mijn gedachten uit te schakelen en maak voor mijzelf het verschil tussen kijken en zien. Rustig tuur ik het veld af. Ik zie een haas. Ik zie spechten. Leeuweriken staan biddend stil in de lucht. En ineens, als in een flits, rent er een vos het veld op. 70 meter voor mij begint hij te muizen. Zich van geen kwaad bewust loopt ie jagend de muizenholletjes langs. Hij staat geen moment stil. Toch besluit ik de safe van de kogelbuks te halen. Ik richt. Rustig adem ik in, ik adem uit en druk af. Met 4 poten komt de vos los van de grond en sloft het koolzaad in. Na even nadenken besluit ik de plaats van aanschot te bekijken. Geen enkele aanwijzing dat ik hem geraakt heb is er te zien. Toch maar nazoeken ter controle vind ik.

Inmiddels is het 22:40 uur en is het genoeg geweest vind ik. Met mijn auto rijd ik door het inmiddels donkere bos richting hotel. Moe stap ik onder de douche en kruip hierna mijn bed in. De wekker stel ik in om 03:30 uur. Als ik na een paar uurtjes wakker word door de wekker kijk ik verbaasd om mij heen. Waar ben ik? Langzaam dringt het weer tot mij door: het is zaterdag en ik ben in Duitsland! Het onweert enorm. In alle stilte kleed ik mij aan ter voorbereiding op een nieuwe aanzit op de zelfde kansel. Binnen 2 seconden volgt de klap op de voorafgaande flits. En het blijft doorgaan. Hmmmm. Eventjes maar op het balkonnetje kijken hoe een en ander zich ontwikkeld. Verschillende koppeltjes jager-cursist zie ik in de auto vertrekken. Ik wacht. Het onweer wordt niet echt minder. Het lijkt ook of het onweer in het dal ronddraait. Na 20 minuten besluit ik uit veiligheidsoverwegingen vanochtend niet de kansel op te gaan. Ik kleed mij weer uit en ga nog een paar uurtjes naar bed. Tijdens het ontbijt hoor ik van de anderen dat zij in de auto geschuild hebben of gevlucht waren voor het noodweer. Inmiddels schijnt de zon alweer brandend aan de hemel. Zoals in het programma al vermeld stond is deze dag gewijd aan oefensporen en schadeherstel in het veld. Maar al bij het bespreken van het programma merk ik op dat ‘mijn’ vos toch wel nagezocht dient te worden. Een andere jager had exact het zelfde met een big van een wild zwijn; wel beschoten maar niet binnen. Ook nazoeken dus. Gedisciplineerd worden de nazoeken uitgevoerd, maar er wordt niets gevonden. Al met al hebben deze nazoeken de gehele ochtend in beslag genomen. Dus op naar de grillhut voor een lunch met broodjesgezond, zwijnenburgers en, ganzenworst. In een sliert van verschillende auto’s rijden we langs korenvelden, koolzaadvelden, bos en weilanden. Adriaan en zijn zoon Joop staan al klaar om de groep van eten en drinken te voorzien. Gretig vinden de broodjes aftrek. De middag wordt besteed aan schadeherstel. Langs de korenvelden wordt mensenhaar gestrooid om de zwijnen af te schrikken. Een werkje wat een paar uur duurt om de percelen aan de buitenzijden langs te lopen. Inmiddels is het weer tijd voor het diner. Dus ook nu spoeden we ons richting hotel. Tijdens het eten volgen de verhalen van wat er is gezien en waarop is geschoten.

De avondaanzit is weer een feit. Mijn kanseltje heb ik inmiddels weer beklommen en ik staar over de velden. Weer een haas, en weer wat spechten. Rustig scan ik het veld af. In de verte springt er weer een vos uit de dekking. Met mijn kijker van mijn kogelbuks zoek ik hem op. Het schot houd ik er in. In het verlengde van het beeld staat een koe. Daar moet je toch niet aan denken; schiet je op een vos, ligt er ineens een koe op het tableau. Nee dan maar niet. De vos drentelt verder bij mij vandaan. Nog steeds kan ik niet schieten. Op 140 meter loopt hij schuin weg. Als ik tussen mijn tanden sis staat hij stil, draait zich naar mij richting en staat op dat moment precies dwars. Rustig adem ik in, dan weer uit en druk af. De vos heeft nooit geweten wat er is gebeurd. Het is goed geweest voor vanavond. De buks leg ik steunend op de rugzak weg. Ik hurk bij  de vos en bedank hem voor zijn leven. Als jager en als mens beslis je op zo’n moment over leven en dood, dat besef ik mij terdege. Het blijft voor mij altijd wat dubbel. Het zijn zulke mooie dieren, maar zorgen voor de nodige overlast door reekalfjes aan te vallen. Natuurlijk vijanden zijn er niet voor hen. Dan zit er maar 1 ding op; reguleren van de aantallen.

Ik haal mijn vuilniszak en mijn handschoenen tevoorschijn en neem de vos in de zak mee voor op het tableau. Wederom geniet ik van de omgeving als ik met mijn auto de weg door het donkere bos zoek naar de verzamelplaats. Ik ben de eerste. Geeft niks, na het parkeren van de auto wandel ik naar de top van de heuvel en bewonder het majestueuze uitzicht. Het is zo mooi! Een voor een komen de jagers en cursisten binnen. Hetb tableau wordt gelegd. Een jaarling reebok, een big en 2 vossen. Ze krijgen de breuk op hun flank gelegd en de laatste beet in hun bek geschoven. Adriaan pakt zijn jachthoorn en voor elke diersoort wordt met alle respect met een melodie het dier ‘doodgeblazen’. Hierna volgt een ander jagersritueel; het overhandigen van de breuk (eikentakje) aan de jager die het dier geschoten heeft. Respectvol neem ik de breuk in ontvangst. Bij de jachthut worden de dieren ‘doodgedronken’. Ook zo’n ritueel. Tijdens de borrel volgen de verhalen: ‘Hij kwam langs, liep op 140 meter…’

In alle rust rijden we weer door het donkere bos richting het hotel. Het is laat, nacht. Stilletjes zoek ik mijn kamer op en ga nog even douchen. Met een voldaan gevoel kruip ik onder het dekbed. Nou ja, voldaan? Ik ben blij dat ik deze vos heb kunnen bemachtigen, maar wat is er aan de hand met mijn Belgische vrienden? Toch maak ik mij zorgen. Uiteindelijk val ik in slaap.

Er wordt niet meer aangezeten op deze zondagmorgen. Wel nog een nazoek op een vos wat uiteindelijk niets oplevert. Toch nog te vroeg besluit ik nog even naar de grote stad te gaan. Geld halen om de hotelkamers te betalen. De oude hoteleigenaar is nog steeds onbekend met zijn pinapparaat. Ja, hij heeft er eentje staan, maar hoe die werkt is hem een raadsel.

Na het ontbijt wil ik nog van de mensen weten wat er voor verbetering vatbaar is en hoe zij het gehad hebben. Een enkel verbeterpuntje komt hieruit, maar donders, wat heeft een ieder het naar zijn zin gehad. Na deze evaluatie worden de auto’s opgezocht voor de terugreis.

Maandag. De telefoon gaat een +32-nummer, België. Het is de vrouw. Haar man is met verlammingsverschijnselen opgenomen in het ziekenhuis. “Heeft hij je nog gebeld Jan?” Ik antwoord ontkennend: “Nee, ik heb niets van hem vernomen”. “Ik dacht het al. Hij vertelde mij dat hij met jou zo’n fijn gesprek had gehad.” “Hij wilde zo graag met jou mee naar Duitsland. Maar de dokters hebben nu meerdere tumoren in zijn hersenen gevonden. Hij is niet meer te redden. Mogelijk heeft hij nog twee weken…” en dan is het stil. Ik slik. Ik heb kippenvel over heel mijn lichaam. “Misschien twee weken heeft ie nog te leven, misschien iets meer” gonst het in mijn hoofd. We praten zo goed en zo kwaad nog wat verder. De rest van de middag is mijn productiviteit weg. Met regelmaat moet ik aan deze Belgische vriend denken; buitenmens, paardenman, Bourgondiër, ondernemer, man vol levenslust. Dat ben ik ook. Dat had ik kunnen zijn! Dan maar wat minder geld en gezond en genietend van het leven. Pluk de dag, het kan zomaar je laatste zijn!

kogelbuks

Schot in Duitsland

Adriaan belt. “Jan, zin om over drie weken een weekendje aan te zitten en schade te herstellen in mijn veld in Duitsland?” Ik vraag hem even te wachten. Ik leg het mijn vrouw uit en kijk haar aan met van die trouwe ogen waar een Labrador jaloers op zou zijn. “Ga nou maar, doe maar.” Adriaan krijgt mijn positieve antwoord. Ik ben erbij dat weekend!

Op vrijdagochtend rond 10:00 uur vertrek ik in mijn Berlingo naar Duitsland ter hoogte van de stad Luxemburg. Een rit van ongeveer 4 uur. Naarmate ik dichter bij mijn bestemming kom is de temperatuur wat verder onderuit gegaan. Nog voor ik het hotel bereik belt rond 15:30 uur Adriaan al of ik richting het veld wil rijden wat bij de lokale bevolking bekent staat als Das Paradies, het paradijs. Als ik de hoge heuvel oprijd en bij het veld aankom staat Adriaan mij al op te wachten. Samen lopen we naar de kansel met uitzicht over een vallei. Nog voor we de kansel bereiken rennen er drie zwijnen van ons vandaan. Staartjes wapperend in de lucht. Nou dat beloofd veel goeds. Dat is dus mijn plekje voor het komende weekend, ‘mijn’ kansel. Als ik plaatsneem en uitkijk over het dal en de natuurpracht zie dank ik Onze Lieve Heer even dat ik dit weer mee mag maken. Het is zo verschrikkelijk mooi! In stilte geniet ik. Zoveel mogelijk probeer ik in mij op te nemen. Wilde zwijnen en damherten mag ik oogsten. Mijn ademhaling is heel rustig, zo rustig dat ik blij ben dat ademhalen vanzelf gaat. Dan gebeurt wat ik al hoopte; op 70 meter van mij vandaan treden zeven reeen  uit het struikgewas. De bok voorop, de rest van de sprong volgt de leider. Mijn ademhaling gaat ineens sneller. De bok springt gracieus over het prikkeldraad en begint direct te grazen van de net opgekomen koolzaad. Wederom volgt de rest. Met half ingehouden adem spreek ik ze met mijn kijker een voor een aan. Allemaal binnen schot. Maar zoals Adriaan mij vertelde stonden deze ‘niet-op-de-kaart’ voor dit weekend. Het zonnetje gaat langzaam onder en ik kruip wat dieper in mijn jas. De muts trek ik wat dieper over mijn oren. Het is echt koud. Zoals afgesproken pak ik alles zo rond 18:00 uur in. Op dat moment is het aardedonker. Met mijn lampje schijn ik op de grond om niet te vallen. Op naar het diner. In het donker stuur ik de auto over de bosweggetjes, op naar een warme maaltijd. We eten eisbein mit sauerkraut. Na een tijd natafelen en nog een rondje buiten lopen besluit ik naar bed te gaan. Om 05:30 ga ik weer aanzitten.

Als mijn wekker ‘Wakker worden, WAKKER WORDEN’ galmt kijk ik verdwaast om mij heen. Even nadenken waar ik ben en waarom de wekker zo vroeg gaat. Het word mij weer duidelijk; jagerspakkie aan, kogelbuks klaarzetten, dik aankleden en hop richting auto. Weer stuur ik de auto over de bosweggetjes in het volslagen duister. Op de aangewezen plek parkeer ik de auto half op de akker en half op het paadje. Lampje aan en ik loop zo stil mogelijk naar mijn kansel. Ik haal de buks uit de foedraal, pak mijn patronen en klik die in het magazijn. Zo comfortabel als mogelijk nestel ik mij in een hoekje van de bank op de kansel. In de verte krast een Oehoe. De wilde zwijnen hoor ik in de verte gillen, er is duidelijk onderlinge ruzie. Leven zat! Langzaam komt de zon op en langzaam worden alle dieren wakker. Hier kan ik zo van genieten. Staartmezen vliegen in grote groepen langs de kansel. En ineens is er een vlucht van 15 (!) zwarte spechten die met hun typisch golvende manier van vliegen voorbij komen. Prachtig! In de verte in das Paradies zie ik een damhert lopen. Te ver, wel 400 meter. Even geloof ik mijn ogen niet, de een volgt de ander op. En nog een, en nog een. Weer eentje. Totaal tel ik er 36. Als ze nou maar wat dichter naar mij toe kwamen lopen. Maar nee, de hele sprong gaat grazend verder weg.

Om 08:30 uur pak ik mijn tas in. De patronen haal ik uit de kogelbuks. Buks in de foedraal. Het is echt koud, zo rond de -7 graden. Voorzichtig zet ik mijn voet op de eerste sport van de ladder. Achteloos kijk ik achter mij en ineens rent er op een holletje een vos de heuvel af en komt steeds dichterbij. Het is al volop licht, de vos zou mij toch moeten zien. Ik stap weer op de kansel, zet de tas neer. De tas rits ik zo stil mogelijk open en pak twee patronen. De buks haal ik weer uit de foedraal. Donderknetter dat maakte wat harder geluid dan ik verwachtte. Direct staat de vos stil en kijkt mijn kant op. Ik ‘bevries’ direct. We kijken elkaar recht in de ogen. Voorzichtig schat ik mijn kansen in. Zo geruisloos mogelijk grendel ik de kogel door. Langzaam breng ik de kijker op ooghoogte. Ik adem rustig in, blaas langzaam uit, houd mijn adem even vast en druk af. Raak! Ik tuur de aanschotplaats vanaf de kansel af. Door het hoge gras kan ik de vos niet zin liggen. Voorzichtig daal ik de ladder af en wandel richting de aanschotplaats. Niets, maar dan ook echt niets te zien. Eigenlijk heb ik zin om te vloeken, alsof dat helpt denk ik nog. Er ligt nog geen haar, helemaal niets. Maar het schot zat er goed op, dat weet ik zeker. Ik tuur met de kijker de richting af waar de vos gevlucht zou kunnen zijn. Ik wandel terug naar de kansel om mijn spullen op te halen. Och man wat baal ik. Wederom rijd ik de route naar het hotel. Eerst ontbijten.

Tijdens het ontbijt vraagt Adriaan of we hem kunnen helpen met de door wilde zwijnen veroorzaakte schade te herstellen. We ontbijten uitgebreid en lekker! Al tijdens het ontbijt zie ik dat het begint te sneeuwen. Vlokken als kussenslopen zo groot. Dat kan nog wat worden straks in dat heuvelachtige terrein.

Met twee auto’s rijden we naar een graslandperceel wat volledig door de zwijnen is omgewoeld. Samen met Arie en Jan, Arie’s vader, staan we even sprakeloos te kijken wat de zwijnen hebben aangericht. Allemachtig wat een ravage! Dit perceel met gras was bestemd om te oogsten als hooi of kuilgras. Nou zelf met een trekker is het ondoenlijk om hier overheen te rijden. Met harken en spades leggen we zo goed en zo kwaad de plaggen weer terug. Kuil voor kuil proberen we zo weer te herstellen. In de tussentijd blijft het hard sneeuwen. Na een paar uur werken besluiten we ons bij de anderen te vervoegen op de afgesproken verzamelplaats voor een broodje. Al lopend zien we dat er al een dikke laag sneeuw ligt. Op de heuvel hebben we prachtig uitzicht over de omgeving, dat wel, maar er bekruipt mij een vervelend gevoel. Een Berlingo is GEEN terreinwagen. Nou dat blijkt! Al bij de eerste poging weg te rijden voel ik de banden slippen. Al glijdend en glibberend rijd ik voorop de heuvel af. Het gaat best hard. Als ik dan pompend remmend wil ingrijpen merk ik dat er geen spat in de snelheid verandert. Of eigenlijk wel, ik ga harder! Hoe ik ook probeer de helling af te sturen, het maakt geen spat uit. Remmen: helpt niet. Sturen: helpt niet. Ik glijd recht op een beek af richting de T-splitsing. Met een ruk gooi ik mijn stuur naar links om het tarweveld in de rijden. Maakt niks uit merk ik, met een vaart glijd ik naar beneden. En ineens heb ik wonder boven wonder even, heel even grip en schiet met het voorwiel het tarweveld in. Doordat de grond van het tarweveld hobbelig is rem ik af en kan ik de auto stilzetten. Mijn handen trillen en mijn knieën knikken. “Pffff….. ik sta stil”; hoor ik mijzelf hardop zeggen. De T-splitsing die heel dichtbij is kan ik in alle rust nemen. Langzaam rijden we over de bospaadjes naar de afgesproken plek. Tijdens de lunch geeft Adriaan aan dat de schadebestrijding voor de rest wordt afgeblazen. Morgen wordt er verder gekeken of de omstandigheden dat toelaten alsnog verder te gaan. Aangezien ik alleen de vrijdag en zaterdag zou blijven denk ik dat het beter is om nu al de thuisreis te aanvaarden. Met sneeuw op het wegdek zal die reis langer duren dan normaal. Een voor een groet ik de jagers en dank Adriaan voor wederom een heerlijk weekend.

 

Drijfjacht te Duitsland

Alweer een tijdje geleden kreeg ik het aanbod om in Werl te Duitsland mee ter drijfjacht te gaan op de zwijnen. Door de enorm goede zomer en de natte herfst was er een overvloed aan eikels en beukennoten. Het voedsel van zowel zwijnen als reeën.
4:00 uur ’s morgens reed ik, vergezeld van Bram, een Teckel, richting Duitsland. Eerst richting Dordtmund en van daar naar Werl. Een klein plaatsje boven in Sauerland. Rond 9:00 uur kwamen we op de plaats van bestemming aan. Eerst de jagermeester, een vrouw, opgehaald. En met haar richting Hamm. Net buiten deze plaats strekte de bossen zich uit over de heuvels en de dalen. Een schitterend gezicht. Bomen zonder bladeren, sommige met roestbruine bladeren. Dit geheel omlijst met enorme hoge sparren. Prachtig. Al rijdend door het bos reden we met de jagermeester naar een open plek diep in het bos. Op deze open plek stonden al diverse auto’s geparkeerd. De plaatselijke jachtopzichter was van de partij, de notaris van het dorp, de dokter en zo nog een aantal notabele vertegenwoordigers van de plaatselijke gemeenschap. Maar stuk voor stuk sympathieke mensen met allen een gemeenschappelijke hobby, de jacht. In totaal waren er mij 8 mensen uitgenodigd. De voorjagers, waaronder ikzelf kregen allemaal een fluorescerend wegwerkerhesje. De honden hadden allemaal een extra fluorescerende halsband om en een soort geitenbelletje eraan. Dit alles bedoeld om niet per ongeluk door de jagers op de hoogzitten te worden afgeschoten. Na goede uitleg van de jagermeester wat wel en wat niet geschoten mag worden verdwijnen de jagers met een overlevingslunchpakket richting hun hoogzitten. Na ongeveer een half uur kregen ook de vier drijvers hun overlevingslunchpakketten uitgereikt. Het pakket bestond uit een tweetal lange droge worsten, een grote schnitzel, twee kleine worsten, een appel en een mandarijn. Met recht een pakket waar je in geval van nood wat aan hebt zou ik zeggen. Met een grote omtrekkende beweging lopen we met ons vieren naar het startpunt van de drijfjacht. Tijdens deze flinke wandeling zien we een sprong reeën geruisloos een bospad oversteken, weg van de jagers en drijvers. Een eind verderop steekt Reinaard, de vos, het zelfde bospad over. Ook hij knijpt er tussen uit. Als uiteindelijk het startpunt van de drift wordt bereikt volgen nog wat laatste instructies over onderlinge ruimtes en over hoe er het beste geluid gemaakt kan worden zonder aan het eind van de dag geen stem meer te hebben. Met het roepen van: “Hop, hop, hop”, en met slagen van een stok op de stammen van de bomen banen we ons een weg door manshoge braamstruiken. Het parcours is heuvelachtig en wordt doorkliefd door kleine beekjes. Een prachtig natuurschoon. Ik waan mij in een sprookjeslandschap. Na een minuut of twintig valt het eerste schot. Vlak daarna nog één. Met Bram aangelijnd baan ik mij een weg door dichte begroeiing en bijna ondoordringbare bramen. Nog anderhalve week na deze jacht heb ik doorns uit mijn armen en benen zitten peuteren.Voor Bram was het ogenschijnlijk een eitje. Al huppelend en springend ging hij mij voor door de wildernis. Na verloop van tijd hoorde ik slechts in de verte nog mijn collega-drijvers. Al lopende kwamen Bram en ik uit bij een diep dal. De helling was steil en begroeid met jonge berken. Met hier en daar wat varens op de grond zocht ik houvast op de steile helling. Voetje voor voetje daalde ik af. Mij vasthoudend aan de jonge boompjes probeerde ik mij staande te houden. Plots was ik mijn houvast kwijt en gleed ik met een boompje in mijn ene hand en Bram meeslepend aan zijn riem in mijn andere hand de diepte in. De schrik sloeg mij om het hart. De diepte kwam snel dichterbij. Op een meter of twintig naar beneden zag ik een dikke gevelde boom liggen. Mijn voet waarmee ik mijn val wilde breken gleed over de bemoste stam en voor dat ik wat kon doen hing ik met mijn benen aan weerskanten van de stam. Jawel, bovenop mijn “Arie”. Alsof ik er recht een trap in had gekregen. Tering, wat deed dit zeer. Bram zat mij beteuterd aan te staren. Mijn broek en mijn jas zaten van boven tot onder stijf onder de modder. Vanuit een hoogzit klonk er geschater. Ik was dus gezien! Weer een verhaal voor na de jacht! “Hallo Jan, wie geht es?” Ja ja, het ging weer goed. Gelukkig heb ik al drie kinderen. Verder op links van mij zag ik een drijver. En aan de rechterkant, een heel eind verder, een andere. Weer hoorde ik een schot. Ik was benieuwd. Een eind verder ging het weer heuvel op. Bram gebruikte ik als een soort dierlijk klimijzer. Ik had hem in zijn nekvel en ging op handen en voeten naar boven. Bram in de rechterhand slingerde ik omhoog. Doordat Bram zich bij de landing schrap zette had ik weer wat houvast. Op de heuveltop aangekomen zat Bram duidelijk op een zwijnenspoor. Druk snuivend merkte ik dit aan zijn gedrag. Bram trok mij richting dichte braamstruiken. Luid blaffend dook Bram de braamstruiken in. Na vervaarlijk gegrom en geblaf kwam er een flinke keiler los. Het zwijn vluchtte richting de hoogzitten. En ja, een doffe knal eindigde zijn leven. Bram gaf goed luid om het zwijn op de vlucht te doen slaan. “Weten we ook weer. Luidgeven doet hij dus ook”; dacht ik nog. Na nog eens twee uren lopen kwamen we eindelijk bij het einde van de drift. De drijvers verzamelde zich rond het al knappende vuur. “Hulptroepen” van de catering hadden al een tijdje van te voren een kampvuur gemaakt. Gluhwein en een kruidenbitter stonden al klaar. Uit de auto haalde ik twee Edammer kazen. Mijn bijdrage in de jacht. Een half uur later kwamen de jagers uit het bos terug. Zij waren nog achtergebleven om het wild wat terug wilde gaan te verschalken. Iets wat hen niet was gelukt. Bij het vuur deden we ons te goed aan de versnaperingen. De Edammer kazen vielen letterlijk en figuurlijk in de smaak. Een terreinwagen met aanhanger bracht het tableau richting kampvuur. Een keiler, die van Bram, een halfwas zwijntje en een vos werden ontweidt en uitgelegd op een met dennentakken bekleedde plek. Met veel symboliek door twee jagers met een jachthoorn het geschoten wild doodgeblazen. Zoveel traditie zou in Nederland niet misstaan. Na een stevige en goed vullende maaltijd begon ik weer aan de terugreis. Diep in de nacht kwam ik thuis, maar allemachtig wat een fantastische dag!