Nieuwe stap(pen)

Soms kost het nemen van een nieuwe stap even wat meer tijd dan je graag zou willen. Op zoek naar nog meer en een andere ‘qualité de vie’, kwaliteit van het leven. Mijn beweegredenen zijn divers: ik wil meer genieten dan wat ik al doe; ik wil rijden in een bijzondere niet-alledaagse auto; ik wil tezijnertijd een huis in Frankrijk. Ben ik dan veel eisend? Nee toch/ Als je geen dromen hebt, heb je niets meer te wensen.

Ik ga nog even verder. Mijn werkbare uren wil ik op maximaal, en dan bedoel ik liever zelfs wat minder, 40 uur per week houden. Acties die daar verder aan bijdragen zijn bijvoorbeeld nog meer rust brengen in mijn leven. En een aparte uit ziende auto, een oldtimer, die je niet vaak ziet staat ook op mijn lijstje. Al eerder schreef ik over de auto’s die mijn hart sneller doen kloppen en dat zijn geen moderne auto’s.

Het viel ook op toen we laatst in Frankrijk uit eten gingen en er achter ons tafeltje een jong gezin plaatsnam dat er rust heerste. Twee kinderen van 4 en 2 jaar kregen van de papa en mama hun plekje toegewezen. Er werd patatjes met appelmoes voor de kleine meid van 2 besteld en voor het manneke van 4 was de bestelling een hamburger. Ze bleven al die tijd dat pa en moe aan het eten waren zonder morren (lees: gillen) zitten. Er werd niet van tafel gerend. Er werd niet gejengeld. Gewoon zoals het hoort genoten ook de kinderen van de maaltijd.

Noem al het voorgaande een midlifecrisis, dat boeit mij niet. Ik wil wat anders, een andere beleving. Ik wil nog meer genieten van het leven

Ook wil ik al op onderzoek naar een vakantiehuis in Frankrijk. Gewoon alvast een beetje oriënteren, een beetje voorpret. Er is in Frankrijk nog ruimte, er is nog stilte, er is nog beleefdheid, er is minder lichtvervuiling. En ik weet wel, dat is ook niet overal, maar toch. Steeds vaker overdenk ik de mogelijkheden van een vakantiehuis in Frankrijk, maar ook steeds vaker denk ik er aan om daar permanent te gaan wonen. Dat betekent natuurlijk ook polsen hoe vrouwlief er over denkt. Wellicht heeft zij daar totaal geen zin in. Al wandelend komen deze keuzes aan de orde. Al wandelend overwegen we alle opties. Om vervolgens tot de conclusie te komen dat ik het liefste over een jaar ons definitief in Frankrijk wil vestigen en vrouwlief eerst eens wil kijken of een vakantiewoning bevalt. En zo ja, dan als we beiden ons pensioen hebben bereikt nog eens te herijken of we die stap nog steeds willen zetten. Maar dat vakantiehuis zal er best wel komen. Je moet iets gewoon erg willen, dan komt het echt wel goed.

Advertenties

Pluk de dag

Op mijn dooie gemak rijd ik richting Adriaan, de jachthouder. Het watertje meandert met mij mee terwijl ik de weg volg. Het gesprek gaat over het gebruik van zijn jachtveld in Duitsland om de zweethondencursus met een praktijkweekend af te sluiten en om te zien of er mogelijkheden zijn om managementtrainingen te combineren met jacht. Uitvoerig spreken we over dit onderwerp. Ook Adriaan weet ik enthousiast te krijgen en hij stemt toe. Eind juni zal het weekend plaatsvinden.

De volgende stap: cursisten informeren over de mogelijkheden en de daarbij horende kosten. Willen ze wel mee? Is er wel animo voor? Als ik dit bespreek zo ongeveer 3 lessen voor het einde van de cursus melden er 3 cursisten zich definitief aan. Ook mijn 2 Belgische cursisten, man en vrouw, stel ik de mogelijkheden voor en ook zij zijn enthousiast. Er is een maar, de man is zojuist aan een hersentumor geopereerd en is nog aan het herstellen. Verschijnselen: snel moe en zware benen. ‘Maar’ zo bezweert hij mij ‘Ik ga koste wat het kost mee. Ik wil dit voor geen goud missen’.

21 juni. Met een speciale e-mailnieuwsbrief vertel ik hen de laatste details zoals wat zij mee moeten nemen, hoelaat zij in Duitsland worden verwacht, het programma voor het weekend en dat zij weinig slaap zullen krijgen vanwege de vele aanzitmomenten. Van allen krijg ik een reactie terug, behalve van het Belgische stel. Er gaan een paar dagen overheen en nog steeds niets vernomen. Ik besluit het alsnog een e-mail te sturen. Geen reactie. Dan pak ik de telefoon en toets hun nummer. Voicemail. Dat is niets voor hen. Zeker de man is heel erg punctueel. Hummmm.

Eind juni. Het praktijkweekend is daar. In colonne rijden we via de Belgische Ardennen en Luxemburg naar Duitsland. Het is 32 graden. Nog steeds geen bericht van mijn Belgische cursisten. Na een rit van vierenhalf uur draaien we de parkeerplaats van het hotel op. Adriaan verwelkomt ons aller hartelijkst. Ik wijs de cursisten op de mogelijkheid hun benen te strekken en de honden van wat beweging te voorzien door hen een route langs en door een beek en bos te laten lopen. Het geeft mij wat bewegingsvrijheid om oefensporen te leggen voor de andere dag en geeft Adriaan de ruimte om indelingen te maken welke cursist met welke jager op de kansel zal gaan.

In alle rust zoek ik mijn weg door het grote gebied. Bij de grillplaats, een soort picknickplaats welke je bij de gemeente kunt vastleggen, besluit ik mijn sporen te maken. Al mijmerend leg ik de sporen. En, nog steeds niets gehoord van het Belgische stel. Zorgelijk vind ik dat. Maar goed, het zou zomaar kunnen dat als ik bij het hotel terugkom zij er ineens staan. Afwachten maar. Ik besluit nog even te genieten van het fabelachtige uitzicht. Gewoon even een Jan-momentje. Er is niets, geen geluid dan alleen van de verschillende vogels en het ruisen van de wind door de bomen. In de verte zie ik een jonge vos lopen. Traag maak ik aanstalte om naar de auto te gaan, met tegenzin. Het is hier zo rustig en zo mooi. Ik stap de auto in en rijd over de verschillende bosweggetjes weer richting bewoonde wereld en zo naar het hotel. Inmiddels is het etenstijd geworden. De cursisten hebben inmiddels kennisgemaakt met ‘hun’ jagers. Babbelkous bij babbelkous, outdoormens bij outdoormens en de ene cursist met geweer als ‘stand-alone’ met een eigen plek op de kansel.

Na het Duitse eten met als uitgangspunten Veel, Vet en Voedzaam geef ik een presentatie over het nut en de noodzaak van het zweethondenwerk en over de veiligheid in het algemeen en de veiligheid tijdens de nazoeken in het bijzonder. Er is veel interactie tijdens mijn presentatie en daar houd ik van. Ervaringen worden gedeeld, zo ook de kennis. Na de presentatie deelt Adriaan de jagers en cursisten in op de verschillende kansels in het jachtveld. Zodra een ieder zijn plek weet vertrekt een ieder. Als iedereen weg is besluit ik ook mijn plek voor die avond op te zoeken; een kansel aan de rand van het bos met uitzicht op een koolzaadveld en een weiland met koeien. Na een kwartier rijden kom ik op mijn bestemming aan en ontdoe mijn kogelbuks van foudraal, pak 4 patronen en doe die in het magazijn en hang mijn rugzak om. Ik ben er klaar voor. Rustig en zo onhoorbaar mogelijk schrijd ik door het veld naar de kansel. Rustig bestijg ik de ladder en installeer mij op mijn plek. Het uitzicht is fenomenaal. Hier zit ik dan met mijn gedachten. Gedachten aan het feit dat dit niet voelt als werk. Gedachten aan mijn vrouw thuis. Gedachten aan het stel wat er niets is. ‘Er zal toch niets gebeurd zijn? Het is niks voor hen om niets van zich te laten horen. ER IS WAT GEBEURD, DAT MOET WEL!’ Okay, ik weet mijn gedachten uit te schakelen en maak voor mijzelf het verschil tussen kijken en zien. Rustig tuur ik het veld af. Ik zie een haas. Ik zie spechten. Leeuweriken staan biddend stil in de lucht. En ineens, als in een flits, rent er een vos het veld op. 70 meter voor mij begint hij te muizen. Zich van geen kwaad bewust loopt ie jagend de muizenholletjes langs. Hij staat geen moment stil. Toch besluit ik de safe van de kogelbuks te halen. Ik richt. Rustig adem ik in, ik adem uit en druk af. Met 4 poten komt de vos los van de grond en sloft het koolzaad in. Na even nadenken besluit ik de plaats van aanschot te bekijken. Geen enkele aanwijzing dat ik hem geraakt heb is er te zien. Toch maar nazoeken ter controle vind ik.

Inmiddels is het 22:40 uur en is het genoeg geweest vind ik. Met mijn auto rijd ik door het inmiddels donkere bos richting hotel. Moe stap ik onder de douche en kruip hierna mijn bed in. De wekker stel ik in om 03:30 uur. Als ik na een paar uurtjes wakker word door de wekker kijk ik verbaasd om mij heen. Waar ben ik? Langzaam dringt het weer tot mij door: het is zaterdag en ik ben in Duitsland! Het onweert enorm. In alle stilte kleed ik mij aan ter voorbereiding op een nieuwe aanzit op de zelfde kansel. Binnen 2 seconden volgt de klap op de voorafgaande flits. En het blijft doorgaan. Hmmmm. Eventjes maar op het balkonnetje kijken hoe een en ander zich ontwikkeld. Verschillende koppeltjes jager-cursist zie ik in de auto vertrekken. Ik wacht. Het onweer wordt niet echt minder. Het lijkt ook of het onweer in het dal ronddraait. Na 20 minuten besluit ik uit veiligheidsoverwegingen vanochtend niet de kansel op te gaan. Ik kleed mij weer uit en ga nog een paar uurtjes naar bed. Tijdens het ontbijt hoor ik van de anderen dat zij in de auto geschuild hebben of gevlucht waren voor het noodweer. Inmiddels schijnt de zon alweer brandend aan de hemel. Zoals in het programma al vermeld stond is deze dag gewijd aan oefensporen en schadeherstel in het veld. Maar al bij het bespreken van het programma merk ik op dat ‘mijn’ vos toch wel nagezocht dient te worden. Een andere jager had exact het zelfde met een big van een wild zwijn; wel beschoten maar niet binnen. Ook nazoeken dus. Gedisciplineerd worden de nazoeken uitgevoerd, maar er wordt niets gevonden. Al met al hebben deze nazoeken de gehele ochtend in beslag genomen. Dus op naar de grillhut voor een lunch met broodjesgezond, zwijnenburgers en, ganzenworst. In een sliert van verschillende auto’s rijden we langs korenvelden, koolzaadvelden, bos en weilanden. Adriaan en zijn zoon Joop staan al klaar om de groep van eten en drinken te voorzien. Gretig vinden de broodjes aftrek. De middag wordt besteed aan schadeherstel. Langs de korenvelden wordt mensenhaar gestrooid om de zwijnen af te schrikken. Een werkje wat een paar uur duurt om de percelen aan de buitenzijden langs te lopen. Inmiddels is het weer tijd voor het diner. Dus ook nu spoeden we ons richting hotel. Tijdens het eten volgen de verhalen van wat er is gezien en waarop is geschoten.

De avondaanzit is weer een feit. Mijn kanseltje heb ik inmiddels weer beklommen en ik staar over de velden. Weer een haas, en weer wat spechten. Rustig scan ik het veld af. In de verte springt er weer een vos uit de dekking. Met mijn kijker van mijn kogelbuks zoek ik hem op. Het schot houd ik er in. In het verlengde van het beeld staat een koe. Daar moet je toch niet aan denken; schiet je op een vos, ligt er ineens een koe op het tableau. Nee dan maar niet. De vos drentelt verder bij mij vandaan. Nog steeds kan ik niet schieten. Op 140 meter loopt hij schuin weg. Als ik tussen mijn tanden sis staat hij stil, draait zich naar mij richting en staat op dat moment precies dwars. Rustig adem ik in, dan weer uit en druk af. De vos heeft nooit geweten wat er is gebeurd. Het is goed geweest voor vanavond. De buks leg ik steunend op de rugzak weg. Ik hurk bij  de vos en bedank hem voor zijn leven. Als jager en als mens beslis je op zo’n moment over leven en dood, dat besef ik mij terdege. Het blijft voor mij altijd wat dubbel. Het zijn zulke mooie dieren, maar zorgen voor de nodige overlast door reekalfjes aan te vallen. Natuurlijk vijanden zijn er niet voor hen. Dan zit er maar 1 ding op; reguleren van de aantallen.

Ik haal mijn vuilniszak en mijn handschoenen tevoorschijn en neem de vos in de zak mee voor op het tableau. Wederom geniet ik van de omgeving als ik met mijn auto de weg door het donkere bos zoek naar de verzamelplaats. Ik ben de eerste. Geeft niks, na het parkeren van de auto wandel ik naar de top van de heuvel en bewonder het majestueuze uitzicht. Het is zo mooi! Een voor een komen de jagers en cursisten binnen. Hetb tableau wordt gelegd. Een jaarling reebok, een big en 2 vossen. Ze krijgen de breuk op hun flank gelegd en de laatste beet in hun bek geschoven. Adriaan pakt zijn jachthoorn en voor elke diersoort wordt met alle respect met een melodie het dier ‘doodgeblazen’. Hierna volgt een ander jagersritueel; het overhandigen van de breuk (eikentakje) aan de jager die het dier geschoten heeft. Respectvol neem ik de breuk in ontvangst. Bij de jachthut worden de dieren ‘doodgedronken’. Ook zo’n ritueel. Tijdens de borrel volgen de verhalen: ‘Hij kwam langs, liep op 140 meter…’

In alle rust rijden we weer door het donkere bos richting het hotel. Het is laat, nacht. Stilletjes zoek ik mijn kamer op en ga nog even douchen. Met een voldaan gevoel kruip ik onder het dekbed. Nou ja, voldaan? Ik ben blij dat ik deze vos heb kunnen bemachtigen, maar wat is er aan de hand met mijn Belgische vrienden? Toch maak ik mij zorgen. Uiteindelijk val ik in slaap.

Er wordt niet meer aangezeten op deze zondagmorgen. Wel nog een nazoek op een vos wat uiteindelijk niets oplevert. Toch nog te vroeg besluit ik nog even naar de grote stad te gaan. Geld halen om de hotelkamers te betalen. De oude hoteleigenaar is nog steeds onbekend met zijn pinapparaat. Ja, hij heeft er eentje staan, maar hoe die werkt is hem een raadsel.

Na het ontbijt wil ik nog van de mensen weten wat er voor verbetering vatbaar is en hoe zij het gehad hebben. Een enkel verbeterpuntje komt hieruit, maar donders, wat heeft een ieder het naar zijn zin gehad. Na deze evaluatie worden de auto’s opgezocht voor de terugreis.

Maandag. De telefoon gaat een +32-nummer, België. Het is de vrouw. Haar man is met verlammingsverschijnselen opgenomen in het ziekenhuis. “Heeft hij je nog gebeld Jan?” Ik antwoord ontkennend: “Nee, ik heb niets van hem vernomen”. “Ik dacht het al. Hij vertelde mij dat hij met jou zo’n fijn gesprek had gehad.” “Hij wilde zo graag met jou mee naar Duitsland. Maar de dokters hebben nu meerdere tumoren in zijn hersenen gevonden. Hij is niet meer te redden. Mogelijk heeft hij nog twee weken…” en dan is het stil. Ik slik. Ik heb kippenvel over heel mijn lichaam. “Misschien twee weken heeft ie nog te leven, misschien iets meer” gonst het in mijn hoofd. We praten zo goed en zo kwaad nog wat verder. De rest van de middag is mijn productiviteit weg. Met regelmaat moet ik aan deze Belgische vriend denken; buitenmens, paardenman, Bourgondiër, ondernemer, man vol levenslust. Dat ben ik ook. Dat had ik kunnen zijn! Dan maar wat minder geld en gezond en genietend van het leven. Pluk de dag, het kan zomaar je laatste zijn!

kogelbuks

Ergernis

Even tussen twee opdrachten in heb ik weer tijd om na te denken. Echter mijn gedachten gaan naar ergernissen. Niet goed dacht ik nog, maar het overkomt mij gewoon.

Samen met Beer, onze ruwhaar Teckel, loop ik door het parkje bij ons in de wijk. Al snuffelend baant Beer zich een weg door het hoge gras. Na plasnummer 34 sommeer ik hem weer te volgen; we gaan weer op huis aan. Achter mij klinkt een fietsbel. Aangezien er geen fietspad is en ik op het voetpad loop schenk ik er eigenlijk geen aandacht aan. In gedachten verzonken wandel ik verder. Nu klinkt de fietsbel alweer, alleen nu erg dichtbij. “He joh, ga eens aan de kant!” Ik schrik op uit mijn gedachten. Een vrouw op een fiets kijkt mij woest aan. Als ik haar vertel dat ik op dit voetpad geen voorrang hoef te geven aan auto’s, brommers en fietsers, simpelweg omdat die hier verboden zijn word ik uitgemaakt voor alles wat mooi en lelijk is. De vrouw passeert slingerend over het gras en raakt mij net niet.

Een dag later rijd ik met mijn witte bestelwagentje de wijk uit op weg naar een afspraak. De weg met fietspaden en trottoirs aan beide kanten van de weg is best breed. Bij de kruising geef ik aan linksaf te zullen slaan. Geen fietsers of brommers van links. Rustig maak ik aanstalte om op te trekken en linksaf te gaan. Haastig zet een vrouw aan om aan de verkeerde kant van de weg nog snel even voorlangs te schieten. Bijna ligt ze op de motorkap. Als ik het raampje naar beneden laat zakken krijg ik geeneens kans om de vrouw aan te spreken want direct komt er een scheldkanonnade op mij af met woorden als: ‘ik kom van rechts’, ‘voorrang’ en ‘opletten’ en dat soort dingen. Als ik aangeef dat zij nergens recht op heeft omdat zij aan de verkeerde kant van de weg fiets krijg ik te horen wat ik volgens haar ben: lul, klootzak, teringlijer, zijn wel de meest gebruikte woorden.

Op weg naar een afspraak in Den Haag rijd ik op de snelweg. Rijdend op de rechter baan nader ik een auto die langzamer rijd. Mijn knipperlicht doe ik aan en haal in. Op het moment dat ik naast de langzamere auto rijd komt deze zonder richting aan te geven naar links. En bijna, bijna volgt er een aanrijding. Als ik naar rechts kijk en de man zijn porem zie krijg ik ‘de middelvinger’. Ik ga er gemakshalve maar van uit dat hij bedoelt dat ik nummer 1 ben. In Den Haag aangekomen valt het mij op dat er maar weinig automobilisten hun richtingaanwijzer gebruiken. Die dingen zitten er toch niet voor niets op?

In het weekend. Op weg naar de hondentrainingen in Ulvenhout rijd ik nadat ik door Ulvenhout-dorp gereden ben de bossen in naar de trainingslocatie. Aan beide kanten van de weg liggen er geasfalteerde fietspaden. Voor de grote groep wielrenners voor mij is dat geen optie. Want daar kun je niet met vijven naast elkaar hard door fietsen. Als ik achterop de groep rijd en even de claxon gebruik weigeren ze om maar een milimeter opzij te gaan. Na nogmaals toeteren zie ik geen enkele medewerking. Met de auto helemaal links van de weg en half door de berm rijdend passeer ik toch. Ik ga wat langzamer rijden en ‘schuif’ de groep langzaam maar zeker aan de kant. Als je alle vloeken weglaat is er eigenlijk niets naar mij geroepen.

Na een drukke dag werken en de nodige tijd in de file doorgebracht te hebben kom ik eindelijk bij ons thuis de straat in rijden. Nergens ook maar kans om de auto bij ons in de straat te parkeren, laat staan ergens in de buurt van de voordeur. 3 of 4 auto’s per huishouden, caravans en een aauhanger zorgen ervoor dat ik een straat verder mijn auto kwijt kan. Ons huishouden telt 1 auto. Niemand die daar rekening mee houdt. Dat is men ook niet verplicht, maar lijkt mij een gevalletje ‘goed fatsoen’.

Nog zoiets: mijn boeken verkopen redelijk. Ik zal er nooit rijk van worden, maar dat was in het beginsel ook niet de opzet. ‘Jaarlijks aan het einde van het eerste kwartaal” zo staat vermeld in het contract met de uitgeverij, ‘worden de royalty’s aan de auteur overgemaakt’. Een goed lezer weet dan dat dat eind maart is. In de maand juni voor de derde keer op rij werden er geen royalty’s uitbetaald. Toch maar even een e-mail verstuurd, ze zullen het druk hebben. Na twee weken nog geen antwoord. Ik volhard in het goede en stuur nogmaals een e-mail met mijn vraag “Joehoe, waar blijven mijn royalty’s?”. Na weken nog steeds geen reactie. Dan begint het aardig te broeden, te woekeren. Ik pak de telefoon en bel. Volgens de dame die ik aan de telefoon krijg komt dat door het nieuwe systeem wat ze hebben. Als ik vraag of zij elk jaar een nieuw systeem hebben (dit heb ik al drie achtereenvolgende jaren als excuus gehoord) wordt er direct gemeld dat de collega van de administratie op deze dag niet werkt.”mag mijn collega u terugbellen?” Natuurlijk mag dat, alleen gebeurt dat nooit. En inderdaad er gaat weer een week overheen en ineens als een soort Godswonder zijn de royalty’s gestort. Ik was blij en verrast, geen antwoorden op mijn e-mails, niet teruggebeld en zomaar, ineens HET BEDRAG gestort.

 

Afvallige

De kogel is door de kerk. Ik ben het beu om voor gezellige dikkerd door het leven te gaan. 0,121 ton is echt teveel. Mijn helweken of maanden gaan nu in. Vaarwel suiker, vaarwel vet eten. En ja, welkom gezonde voeding. Het is echt nodig. 30 kilo eraf gaat het worden. Dus mijn meissie heeft dan wat minder houvast en minder om van te houden. Maar ik denk dat zij er alleen al blijer van wordt. En ik trouwens ook.

Geen suiker of koolhydraten, wel veel vezels, eiwit en water is het devies. En ik moet bekennen: geen hongergevoel. Als snack pak ik nu een peentje of een stuk komkommer. Het is voor mij even wennen, maar dat is het ook precies: even wennen.

Met weemoed kijk ik naar mijn flessen whisky. Voorlopig maar even niet, ook alcohol zet aan. De dop blijft op de fles. Jack Daniels Tennessee Honey, The Balvenie, Dimple, Chivas Reagal, Dalwhinnie, Glenmorangie en Smokehead zijn toch wel mijn favorieten. Nu voorlopig geen druppel meer. Een echte afvallige dus.

En niet dat ik een echte snoeperd ben, maar af en toe eens een flinke punt appeltaart met een forse toef  ‘dieetslagroom’ missen is wel een vorm van hel. Ik ben gek op Appeltaart. Ja goed gezien, geschreven met een hoofdletter. Het betekent dus echt iets voor mij. Maar goed, al een paar weken onderweg en met de eerste kilo’s eraf is het een feit.

Sport, bewegen en nog eens bewegen helpt bij het afvallen. Veel zakelijke afspraken leg ik nu per fiets af. Ook dat went. De conditie komt langzaam terug. De fut trouwens ook. Wat ook door mijn hoofd speelt: ‘moet ik er nog iets bij gaan doen zoals boksen of naar een sportschool. Of bijvoorbeeld gaan zwemmen?’ Dat laatste kwam er wat te snel uit. Ik heb eigenlijk een hekel aan zwemmen. Aan het strand waad ik met mijn tenen door het water. Is zat vind ik. En als ik dan echt het water in ga, dan ga ik op mijn rug liggen en DRIJF ik. Jazeker, zonder te zinken of wat dat ook. Gewoon achterover liggen en drijven.

Het overkomt mij dat ik nu op een punt ben dat ik onverwacht kleding aan kan wat ik jaren geleden nieuw had gekocht en toch niet paste. Wishful thinking vanuit een perspectief toen van ‘graag willen’. Maar kegelballen stop je toch ook niet in een knikkerzak? En nu, nu pas ik die shirts en broeken. Het geeft mij een overwinningsgevoel. Het lukt. Ik kan het. Ik laat mij niet uit het veld slaan! 30 kilo eraf: EITJE!

#Dieet #Dieeetniet #afvallige

Ze zijn er weer!

Ze zijn er weer, en dan bedoel ik niet de Hollandse Nieuwe. Caravans, sleurhutten, dat bedoel ik. De straten worden er weer mee gevuld. De stekkers weer via lange verlengsnoeren van het huis richting caravan. Weken staan ze aangekoppeld aan het lichtnet. Overigens, geen idee waarom. Ik ben geen kampeerder dat is waarschijnlijk al duidelijk. Maar het fenomeen caravankampeerders boeit mij wel. Laten we ze Diederik-Jan en Petronella noemen. Hij werkzaam als notaris, zij als yoga-lerares. Vul daar nog een zoon en een hond aan toe en het beeld wordt completer.

Zoals gezegd: al weken voor de vakantiedatum staat hun oldtimercaravan voor de deur. Dagen voorafgaande aan het eigenlijke vertrek lopen ze in en uit de caravan met hun handen vol met spullen. Van boodschappen, fietsen, tuinstoelen, dekbedden, kussens, tennisrackets, een bal, een trekkerstentje, voortent, luchtbed, een hondenmand, etensbak, en ga zo maar door. Als de sleurhut vol zit mag je toch verwachten dat de reis naar de vakantiebestemming wordt ingezet. Maar nee, dat duurt soms nog dagen. Zoveel spullen die in de caravan mee moeten. Zoveel dingen in een voor mij veel te kleine ruimte.

90 kilometer per uur mag je met de auto rijden als er een caravan achter hangt. Met 110 a 120 kilometer per uur zie ik die combinaties mij dan vaak slingerend passeren. Te zwaar beladen? Teveel haast? Flink de vaart er in om zo snel mogelijk via de kortste weg op hun vakantiebestemming aan te komen. Zo ook Diederik-Jan en Petronella. Het blijft mij altijd verbazen.

Na een monstertocht van 1300 kilometer zonder tussenstop komen ze aan bij de camping van vakantiedorp El Delfin Verde in het noorden van Spanje. Na het neertellen van 920 euro voor twee weken met de caravan krijgen ze een ‘parcela’ toegewezen dichtbij het zwembad en de animatie. Beiden zijn moe en kriegelig. De hond moet een plas, zoonlief moet een plas. Petronella wil wat anders aan want ze plakt van het zweet. Zoon wil richting zwemband. Hond wil simpelweg gewoon pissen.Diederik-Jan rest niets anders dan in zijn uppie de caravan de positioneren. Een veld afgezet met haagjes geeft de grens aan waarbinnen de caravan mag staan. De oude caravan wordt met veel beleid losgekoppeld, hierna volgt het duwen en trekken aan het oude ding. Langzaam manoeuvreert hij de caravan op de juiste plek, rekening houdend met de stand van de zon, mogelijke inkijk, perfect uitzicht en mogelijkheden om wat schaduw op te zoeken. Na ongeveer een half uur manoeuvreren staat de sleurhut op zijn plek. Vanuit de tassen die in de achterbak van de auto lagen heeft Petronella zich inmiddels omgekleed, schuilend achter een van de haagjes. Zoonlief had zijn zwembroek en een handdoek gevonden en is hem inmiddels gepeerd richting zwembad. De hond is even kwijt maar wordt gevonden bij een caravan bij een ander stel waar hij zojuist en passent de loopse teef heeft gedekt. “Sorry, sorry, sorry. We waren hem kwijt. Nou ik hoop maar dat het mooie pups worden”; zegt Petronella tegen het ziedende stel.

De voortent wordt met zorg in de rails gefrummeld. De tentstokken worden vakkundig geplaatst. Alleen het trekkerstentje voor de zoon moet nog worden opgezet. Als dat gelukt is zijgt Diederik-Jan in een klapstoel neer. “Ik doe helemaal niets meer”; zegt hij en voegt de daad bij het woord.

Het is warm. 33 graden en de avond daalt langzaam neer over de Spaanse kust. Iedereen is luchtig, zomers gekleed. De zoon heeft inmiddels vrienden gemaakt met wat Franse en Nederlandse jongeren en heeft afgesproken bij de tafeltennistafels vlakbij het zwembad. Samen besluiten Diederik-Jan en Petronella richting de boulevard te lopen en een terrasje te pikken.

De avond valt in. De schemering maakt plaats voor het donker. Met een stuk in hun reet waggelen ze richting de camping. Op de camping aangekomen is het nog knap lastig om hun plek terug te vinden. Want was het nou nummer 66, nummer 99 of nummer 69 waar ze stonden? Het wordt dus nog aardig zoeken. Bij nummer 69 herkennen zij hun caravan en trekkerstentje. Moe ploffen ze in de klapstoelen neer. Zoonlief heeft inmiddels zijn slaapzak al gevonden want ze horen een regelmatig gesnurk uit zijn tentje komen. De hond is inmiddels onder de caravan gaan liggen vanwege de koelte daar. Na ongeveer een uur besluiten ze hun slaapbank op te zoeken. Het tafeltje wordt neergelaten en het middenstuk van de bank zorgt ervoor dat er op die manier een soort van 2 persoons bedje gecreëerd wordt. Ze kruipen tegen elkaar. Na wat amoureuze strelingen wordt het wat serieuzer. Er staat wat moois te gebeuren. Het bed blijkt toch wat krap en ongemakkelijk. Maar niet getreurd Diederik-Jan is heel inventief. “Kom maar lief, hier bij het keukentje”. Petronella volgt hem gedwee. Ze begint langzaam tegen hem aan te rijden. Hij kreunt. Hij kreunt hard. “Vind je het lekker lieverd?” vraagt ze. “Nee”; zegt hij ‘Het tennisracket schiet bijna in mijn hol’. Ze verplaatsen zich richting het aanrecht. Met een zwier tilt Diederik-Jan haar op het aanrecht. Ze zoenen hartstochtelijk. “Oh schat, dat was lekker. Je kwam goed”; zegt ze. Verbaast kijkt hij haar aan. “Dat was ik niet trut. Je zit op het zeeppompje!”. Nu weet Diederik-Jan de oplossing; hij zet haar op de keukenla en haalt langzaam de keukenla waar zij op zit heen en weer. “Mam, Pap? Wat doen jullie?” Haastig onderbreken ze hun paringsdrift en kleden zich aan. “Uhmmm…. we waren aan het rummikuppen en hoorde je niet zo snel”. En zo eindigt hun eerste, hete avond. Maar, ze zijn er weer!

 

“Shit man”

‘De shit uit je verleden, is de mest voor je toekomst‘ las ik laatst. Naarmate ik de woorden wat vaker uitspreek en herhaal merk ik dat diezelfde zin steeds dieper en beter indaalt. Zonder dramatisch te willen doen wil ik wel even kwijt dat ik de laatste jaren een aardige hoeveelheid shit, ellende, over mij uitgestort heb gekregen. Een bedrijf, opgezet met een compagnon redde het niet. Mijn schoonvader, schoonmoeder en moeder overleden in een relatief kort tijdsbestek. Zelf een tijdje in het ziekenhuis moeten verblijven. Opdrachten die maar niet doorkwamen.  Teleurstellingen, verdriet en andere shit waren zo vaak schering en inslag dat ik soms dacht dat ik maar beter kon stoppen met de dingen die ik deed. Vaak kreeg ik van bevriende ondernemers te horen dat ‘waar de ene deur dicht gaat en ergens anders een deur opengaat’. Tja dan moet je wel met je gezicht naar die geopende deur staan anders zie je het niet.

Met mijn vrouwlief aan mijn zijde heb ik heel vaak gesprekken gehad waarom we die shit over ons heen kregen. Serieuze gesprekken, waardevolle gesprekken. Het maakte ons sterker, standvastiger, meer vastberaden.

We zijn  er nog steeds van overtuigd dat zaken niet zonder reden gebeuren. En als je daarin gelooft weet je ook dat je er sterker van wordt. We hebben diep in de mest gestaan. Maar mest is ook een groeistof.

Langzaamaan veranderde alles, veranderde ikzelf. Ik geloof in mijzelf! Een kwestie van andere keuzes. Waardevolle contacten ontstonden. Nieuwe vrienden dienden zich aan. Opdrachten kwamen weer door.

Vanmorgen met een paar collega-ondernemers zitten klankborden over startups, ontwikkelen, innoveren, trainingen, kansen zien, kansen grijpen. Gouwe kerels. Bedankt Theo, Frits en Niek.

Ik geloof niet meer in wonderen, ik reken er nu op.

Tegen de krib

Ken je dat; zo’n dag dat je bij jezelf denkt ‘de moord ermee, ik doe alles gewoon zoals ik het eigenlijk zou willen doen’. Gewoon lekker dwars zijn. Overal zijn regels voor en overal zijn er aannames over wat er van je verwacht wordt en acceptabel is.

Er zijn wel eens van die dagen bij dat ik tegen alle regels en systemen aan zou willen schoppen. Gewoon lekker dwars zijn. Dan ben je niet ergens voor, maar gewoon overal tegen. Bijvoorbeeld met een zwembroek kopen. En dan zo eentje kopen zoals Dries Roelvink, zo’n gele. Mooi geel is niet lelijk. Je moet weten; ik ben niet eng, alleen als ik mijn zwembroek aan heb.

Of gewoon bij de bakker een brood kopen en zeggen dat hij de factuur naar mij op kan sturen en dat ik de factuur binnen de gestelde dertig dagen zal betalen.

Gewoon eens tegen iemand zeggen dat hij met een biels niet lelijker geslagen kan worden. Waarom? Tot zo ver niet erg. Maar als onzekere types die ik tegen kom beginnen te praten… Tijdens een netwerkbijeenkomst begint een man spontaan over zijn producten te praten. Producten die goed zijn voor de gezondheid. Het product is goed voor hamertenen. Je gaat er beter door zien. Het is goed voor een doorbloede lever. Het is goed voor de stoelgang. Het is goed voor migraine, of juist tegen. Het is een perfect middel voor zenuwpezen. Het middel helpt ook tegen vervelende schoonmoeders. Het houdt katten uit de tuin. Het ideale product. Maar waar het echt goed voor is: afvallen. Ik kijk de man strak aan en frons een wenkbrauw, voor de rest niets. De man wordt rood in het gelaat en maakt duizend excuses, dat hij het zo niet bedoelde. Ik zeg nog steeds niets, kennelijk zegt mijn gelaatsuitdrukking voldoende. De man druipt langzaam af. Hels word ik van die types.

Een volle slagerij binnen wandelen en direct je bestelling doen. En zodra een van de mensen tegen je zegt dat hij/zij ook op de beurt staat te wachten verbaast reageren “Oh, ik dacht dat ik al aan de beurt was”.

Bij een wapencontrole voor jachtwapens de politiemensen begroeten met een kogelbuks al in de hand en op hen gericht en zeggen: “Mannen, jullie zijn er. Ik verwachtte jullie al. Kom heel snel verder. Nou, kom op!”

Of bij een groen verkeerslicht even wachten en zodra die op rood springt met gierende banden doorrijden.

Lijkt mij ook fantastisch om eens een fles WC-eend cadeau te doen en aan te geven “Nou jongen, proost, dat ie je mag smaken”. Dit als reactie op een gekregen flesje wijn. Iedereen die mij kent weet dat ik een levensgenieter ben. En dat ik gerust een paar honderd kilometer omrijd om een flesje lekkers op te halen. Maar dat er mensen zijn die mij zulk bocht aanbieden met een glimlach verbaast mij. Juist omdat de mensen die mij kennen weten dat ik van een GOED GLAS WIJN houd is deze misser bijzonder te noemen. De smaak? Tja, hoe beschrijf ik die smaak? Uhm… macaber. Als van een natte handdoek die drie weken in een plastictasje heeft liggen rijpen. Als van een vieze onderbroek die door iemand een paar weken geleden is vergeten in een fitnessruimte en goed op smaak is gekomen. Als van slechte compost met te erge aardse tinten. Mijn gezicht misvormt bij die slok. Wrang. Zuur. Muf. En ik slikte hè. Ik slikte zonder na te denken gewoon door. Smerig gewoon, walgelijk. Ik zou er een boek over kunnen schrijven: ’50 tinten groen’. En een afdronk… als van een oude, doorweekte krant. Hier maak je zelfs geen stoofperen mee aan anders worden die blauw. Ik heb de inhoud van de fles direct door de gootsteen gelanceerd. Misschien dat de leidingen hierdoor goed ontvet zijn. Dat is het. Verf zou je hiermee af kunnen bijten. Echt bij zo’n fles zou een verbodsbord moeten staan. Van pure ellende heb ik een AOC-cider opengetrokken, dat is dan zo’n lekker slobberwijntje. Zoetig. Appelig, met toch een fris belletje er in. Een verademing. Zucht. Voor de zekerheid zet ik het hier nog even in dit artikel: ik houd van EEN LEKKERE, GOEDE WIJN. Zo die staat.

Lekker naar een verjaardag gaan van je kleinzoon met een doos die je net hebt volgescheten en ingepakt. En dan, als de verrassing wordt uitgepakt zeggen: “Huh, een bolus,…. van opa? Ik dacht dat ik een doos Lego had ingepakt. Wat heb ik dan doorgespoeld? Tja, opa wordt wel heel vergeetachtig hè?” En dan al die gezichten zien, lijkt mij heerlijk dwars!

rebels