Terug in de tijd

Terwijl ik zo wat verhaaltjes zit terug te lezen moet ik ineens denken aan uitgenodigd worden om te gaan jagen in Frankrijk, maar dan een paar honderd jaar geleden. Hoe zou dat zijn gegaan? Nu informeer je per telefoon of per e-mail of het gewenste bungalowtje, hotelletje of de bewuste campingplek nog beschikbaar is. Nu boek je dat per internet. Per vliegtuig of per auto zit je in een paar uurtjes op je geboekte jachtadres aan een drankje te praten met de jachthouder. Voor diegene die niet in één keer de rit per auto willen maken maar tussentijds overnachten is er de mogelijkheid om ergens nog halverwege een hotelletje of een bed & breakfast te pakken welke weer van alle gemakken voorzien zijn.

Bij aankomst wordt per mobiele telefoon, hetzij mondeling hetzij per Whatsapp, aan het thuisfront gemeld dat je goed en veilig bent aangekomen. Daarna neemt een ieder een verfrissende douche. Per auto ga je nog even naar een hypermarché om daar wat boodschappen voor de komende dagen in te slaan. Het vlees en de andere bederfelijke waar wordt netjes in de koelkast of het vriesvak bewaard. Met een boot met jetstream-aandrijving bekijk je in een paar uurtjes de volledige kustlijn waar het jachtrevier naast ligt. Je maakt de nodige foto’s en video-opnamen om je familieleden thuis te laten zien hoe mooi het was tijdens de jachtdagen in Frankrijk.

Bij thuiskomst melden we via Facebook aan vrienden  en familie hoe het geweest is. Allemaal snelle en moderne verbindingen die we niet meer uit ons dagelijks leven weg kunnen denken. Hoe anders was dit in de middeleeuwen. Ik stel mij het dan als volgt voor:

Als je richting Frankrijk ging moest je zorgen voor een schoudertas, een zadeltas, je wapen bijvoorbeeld een speer of pijl en boog en een warme deken. Je zwaard en je mes had je in een schede om je heup hangen. Je wist tenslotte maar nooit wat je onderweg tegenkwam. Met wat proviand voor de eerste dag vertrok je dan. Na een rit van zo’n veertig kilometer werd er gestopt. Het paard was moe en bezweet en zelf ging het lopen na het afstijgen ook niet geheel moeiteloos, dan liep je het eerste uur laat ik maar zeggen ‘met-je-armen-wijdbeens’. Het paard werd aan de boom geknoopt. Tegenwoordig doen ze dat op een iets andere manier met een hond die overbodig is geworden, maar goed. Je moest in het buurtschap waar je was aangeland zoeken naar een herberg. Je bestelde bij de waard van de herberg een pul bier en vroeg en passant of hij onderdak voor de nacht had. Gelukkig bleek dit het geval te zijn. In deze herberg liepen ook de nodige dames rond met een decolleté waar de rondingen praktisch uitvielen. De waard vroeg beleefd of je zin had in nog een bier en een warm bed. Je bent tenslotte alleen. Na de nacht duwde je je hoofd in een drinkbak die buiten stond. Met dit koude water waste je lekker je gezicht. Er werd bij de waard afgerekend en je vervolgde je weg weer richting het zuiden. Onderweg werd op een met gras begroeid weggetje je leven bedreigd door twee onverlaten welke beide vervaarlijk met een sabel in jouw richting zwaaiden. Gelukkig had je veel ervaring in het zwaardvechten en werden deze schurken met een paar wel geplaatste steken dood achtergelaten samen met wat andere stukken afval. Na ongeveer vijftig kilometer voelde je je rug en je achterwerk aardig branden van de inmiddels ongemakkelijke houding in het zadel. Wederom werd er een herberg aangedaan. Opnieuw was er gelukkig weer plaats. Wederom was het bed warm, niet door de elektrische deken, maar door een vrouwen lichaam. Haar naam wist je nog niet. Toch maar even vragen, dat was wel zo netjes. Ach, ze bleek nog maar zeventien te zijn. Lekker jong en fris dus. Tegenwoordig word je voor de gedachte alleen al opgepakt en vastgezet. De volgende dag in de vroege ochtenduren sprong je even in de sloot om je eens goed te wassen. Eenmaal aangekleed nam je het gekochte stuk brood en at je dit in het zadel samen met het restant van het geroosterde konijn welke je gisteren met een strik gevangen had. Gelukkig nog maar 1260 kilometer, ongeveer 31 dagen rijden, het schoot al op!

Na 30 dagen bereikte je de streek waar je uitgenodigd was voor de jacht. Langs het zandpad stond een enorme muur met daar achter een grote hoeveelheid wijnranken. Rustig dirigeerde je het paard richting het in de verte zichtbare huis. Even later rende een vrouw gillend tussen de wijnranken door richting het huis. Je riep nog: ”Deerne, waarom schreit gij?” Wel beeld, maar geen geluid zal ik maar zeggen. Geen antwoord. Halverwege het pad kwam een man met een zwartkruit geweer naar je toe. Het geweer werd op je gericht en de man zei: ”Bonsoir. Comment vous appeler? Ou est votre compagnon de voyage?” (Goedenavond. Hoe heet u? Waar is uw medereiziger?). Maar ja, je verstond geen woord van wat die man zegt. Gelukkig wist je de man te overtuigen dat je geen kwaad in de zin had en mocht je in het hooi blijven slapen… samen met de vrouw die eerst gillend voor je weg rende. Hè,… heerlijke ‘vakantie’. Na twee weken besloot je weer terug te gaan naar Den Nederlanden, een reis van 31 dagen met de nodige gevaren. Als je na 74 dagen weer op het kantoor van de schout terugkeerde zag je dat er iemand anders achter jouw katheder stond. Vreemd, je bent tenslotte maar twee weken in Frankrijk geweest om een weekend te jagen. En even een fax versturen ging toen nog niet!

Hoe zou dat eigenlijk geweest zijn in de prehistorie? Dan gromde je naar je vrouw die boven een houtvuur in de grot een holenbeer aan het roosteren was? Dan gromde je twee keer en dan kreeg je een bordje warme holenbeer of zo iets?

Op zoek

Omdat ik weer op zoek ben naar een uitdagende interim-opdracht laat het filmpje https://studio.youtube.com/video/7AtLgBF8i0k/edit goed zien zoals ik mij eigenlijk de laatste tijd voel: zoekend; alert; verrast en zo nu en dan teleurgesteld. Met name dat laatste, teleurgesteld, komt vanwege de manier zoals ik behandeld ben en word. Ik zal het uitleggen:Al maanden heb ik een abonnement bij een soort recruitment bureau die alle actuele potentiële opdrachten toestuurt. Er staan er echt tientallen per dag in! Naast dit abonnement struin ik regelmatig LinkedIn af naar opdrachten. En er staan zo af en toe opdrachten in die op mijn lijf geschreven zijn. Reageren dus! Wat mij dan verbaast is het feit dat je van de vragende partij na het sturen van het CV en een motivatiebrief geen enkele reactie terugkrijgt. Niet eens een standaard e-mail met de tekst ‘Uw e-mail is in goede orde ontvangen’. Gewoon niks. Of er komt een uitnodiging. Vol enthousiasme ga je op gesprek. Een leuk en prettig gesprek. Na anderhalf uur stond ik buiten; goed gevoel; enthousiast; hoopvol. Na een dag of twee kreeg ik terugkoppeling: ‘U bent het niet geworden. Een andere kandidaat was beter dan u’. Ik waagde er een telefoontje aan om te vragen waar ‘de andere kandidaat’ beter in was. ‘Nou, het was een gevoel en was niet aan te geven waar de andere kandidaat beter in was’. Drie weken later stond dezelfde interim-vacature weer op internet, nu met een uurtarief-maximum die 15 euro lager was als waar ik eerder op gesolliciteerd had.

Een ander voorbeeld. Bij een organisatie waar ik een aantal keren mee heb samengewerkt en waar ik eerder een aantal keren werk voor binnen heb gehaald las ik op hun website dat zij op zoek waren naar een interim manager wegens ziekte vervanging. Dit was zo’n klus die mij op het lijf was geschreven, dus direct gereageerd. En jawel, ik werd uitgenodigd voor een gesprek. ‘Gelieve op vrijdag aanstaande om half tien te verschijnen voor een gesprek’. Ai, net op een tijdstip en op de dag dat ik voor een onderzoek in het ziekenhuis moest opdraven. Ik pakte de telefoon om uit te leggen dat ik ’s middags wel kon komen of op een andere dag die week of de week erna. Het antwoord wat ik kreeg voelde als een klap in mijn gezicht: “Nou als u niet kan, dan doen we het zo: we hebben eerst een gesprek met de andere drie kandidaten. Als hier niemand uitkomt bellen we daarna u”.

Ik ben nog van de generatie van de zwart-wit radio… Nou ja, je begrijpt mij wel. Ik vraag mij serieus hardop af; ligt dit aan mijn opvoeding dat ik deze manieren van inlichten of juist niet inlichten onbeschoft vind of ben ik gewoon ouderwets en speelt mijn leeftijd mij parten? Ik vind het niet kunnen.
Het moet toch mogelijk zijn een uitdagende leuke opdracht binnen te harken?

Nieuwe stap(pen)

Soms kost het nemen van een nieuwe stap even wat meer tijd dan je graag zou willen. Op zoek naar nog meer en een andere ‘qualité de vie’, kwaliteit van het leven. Mijn beweegredenen zijn divers: ik wil meer genieten dan wat ik al doe; ik wil rijden in een bijzondere niet-alledaagse auto; ik wil tezijnertijd een huis in Frankrijk. Ben ik dan veel eisend? Nee toch/ Als je geen dromen hebt, heb je niets meer te wensen.

Ik ga nog even verder. Mijn werkbare uren wil ik op maximaal, en dan bedoel ik liever zelfs wat minder, 40 uur per week houden. Acties die daar verder aan bijdragen zijn bijvoorbeeld nog meer rust brengen in mijn leven. En een aparte uit ziende auto, een oldtimer, die je niet vaak ziet staat ook op mijn lijstje. Al eerder schreef ik over de auto’s die mijn hart sneller doen kloppen en dat zijn geen moderne auto’s.

Het viel ook op toen we laatst in Frankrijk uit eten gingen en er achter ons tafeltje een jong gezin plaatsnam dat er rust heerste. Twee kinderen van 4 en 2 jaar kregen van de papa en mama hun plekje toegewezen. Er werd patatjes met appelmoes voor de kleine meid van 2 besteld en voor het manneke van 4 was de bestelling een hamburger. Ze bleven al die tijd dat pa en moe aan het eten waren zonder morren (lees: gillen) zitten. Er werd niet van tafel gerend. Er werd niet gejengeld. Gewoon zoals het hoort genoten ook de kinderen van de maaltijd.

Noem al het voorgaande een midlifecrisis, dat boeit mij niet. Ik wil wat anders, een andere beleving. Ik wil nog meer genieten van het leven

Ook wil ik al op onderzoek naar een vakantiehuis in Frankrijk. Gewoon alvast een beetje oriënteren, een beetje voorpret. Er is in Frankrijk nog ruimte, er is nog stilte, er is nog beleefdheid, er is minder lichtvervuiling. En ik weet wel, dat is ook niet overal, maar toch. Steeds vaker overdenk ik de mogelijkheden van een vakantiehuis in Frankrijk, maar ook steeds vaker denk ik er aan om daar permanent te gaan wonen. Dat betekent natuurlijk ook polsen hoe vrouwlief er over denkt. Wellicht heeft zij daar totaal geen zin in. Al wandelend komen deze keuzes aan de orde. Al wandelend overwegen we alle opties. Om vervolgens tot de conclusie te komen dat ik het liefste over een jaar ons definitief in Frankrijk wil vestigen en vrouwlief eerst eens wil kijken of een vakantiewoning bevalt. En zo ja, dan als we beiden ons pensioen hebben bereikt nog eens te herijken of we die stap nog steeds willen zetten. Maar dat vakantiehuis zal er best wel komen. Je moet iets gewoon erg willen, dan komt het echt wel goed.

Pluk de dag

Op mijn dooie gemak rijd ik richting Adriaan, de jachthouder. Het watertje meandert met mij mee terwijl ik de weg volg. Het gesprek gaat over het gebruik van zijn jachtveld in Duitsland om de zweethondencursus met een praktijkweekend af te sluiten en om te zien of er mogelijkheden zijn om managementtrainingen te combineren met jacht. Uitvoerig spreken we over dit onderwerp. Ook Adriaan weet ik enthousiast te krijgen en hij stemt toe. Eind juni zal het weekend plaatsvinden.

De volgende stap: cursisten informeren over de mogelijkheden en de daarbij horende kosten. Willen ze wel mee? Is er wel animo voor? Als ik dit bespreek zo ongeveer 3 lessen voor het einde van de cursus melden er 3 cursisten zich definitief aan. Ook mijn 2 Belgische cursisten, man en vrouw, stel ik de mogelijkheden voor en ook zij zijn enthousiast. Er is een maar, de man is zojuist aan een hersentumor geopereerd en is nog aan het herstellen. Verschijnselen: snel moe en zware benen. ‘Maar’ zo bezweert hij mij ‘Ik ga koste wat het kost mee. Ik wil dit voor geen goud missen’.

21 juni. Met een speciale e-mailnieuwsbrief vertel ik hen de laatste details zoals wat zij mee moeten nemen, hoelaat zij in Duitsland worden verwacht, het programma voor het weekend en dat zij weinig slaap zullen krijgen vanwege de vele aanzitmomenten. Van allen krijg ik een reactie terug, behalve van het Belgische stel. Er gaan een paar dagen overheen en nog steeds niets vernomen. Ik besluit het alsnog een e-mail te sturen. Geen reactie. Dan pak ik de telefoon en toets hun nummer. Voicemail. Dat is niets voor hen. Zeker de man is heel erg punctueel. Hummmm.

Eind juni. Het praktijkweekend is daar. In colonne rijden we via de Belgische Ardennen en Luxemburg naar Duitsland. Het is 32 graden. Nog steeds geen bericht van mijn Belgische cursisten. Na een rit van vierenhalf uur draaien we de parkeerplaats van het hotel op. Adriaan verwelkomt ons aller hartelijkst. Ik wijs de cursisten op de mogelijkheid hun benen te strekken en de honden van wat beweging te voorzien door hen een route langs en door een beek en bos te laten lopen. Het geeft mij wat bewegingsvrijheid om oefensporen te leggen voor de andere dag en geeft Adriaan de ruimte om indelingen te maken welke cursist met welke jager op de kansel zal gaan.

In alle rust zoek ik mijn weg door het grote gebied. Bij de grillplaats, een soort picknickplaats welke je bij de gemeente kunt vastleggen, besluit ik mijn sporen te maken. Al mijmerend leg ik de sporen. En, nog steeds niets gehoord van het Belgische stel. Zorgelijk vind ik dat. Maar goed, het zou zomaar kunnen dat als ik bij het hotel terugkom zij er ineens staan. Afwachten maar. Ik besluit nog even te genieten van het fabelachtige uitzicht. Gewoon even een Jan-momentje. Er is niets, geen geluid dan alleen van de verschillende vogels en het ruisen van de wind door de bomen. In de verte zie ik een jonge vos lopen. Traag maak ik aanstalte om naar de auto te gaan, met tegenzin. Het is hier zo rustig en zo mooi. Ik stap de auto in en rijd over de verschillende bosweggetjes weer richting bewoonde wereld en zo naar het hotel. Inmiddels is het etenstijd geworden. De cursisten hebben inmiddels kennisgemaakt met ‘hun’ jagers. Babbelkous bij babbelkous, outdoormens bij outdoormens en de ene cursist met geweer als ‘stand-alone’ met een eigen plek op de kansel.

Na het Duitse eten met als uitgangspunten Veel, Vet en Voedzaam geef ik een presentatie over het nut en de noodzaak van het zweethondenwerk en over de veiligheid in het algemeen en de veiligheid tijdens de nazoeken in het bijzonder. Er is veel interactie tijdens mijn presentatie en daar houd ik van. Ervaringen worden gedeeld, zo ook de kennis. Na de presentatie deelt Adriaan de jagers en cursisten in op de verschillende kansels in het jachtveld. Zodra een ieder zijn plek weet vertrekt een ieder. Als iedereen weg is besluit ik ook mijn plek voor die avond op te zoeken; een kansel aan de rand van het bos met uitzicht op een koolzaadveld en een weiland met koeien. Na een kwartier rijden kom ik op mijn bestemming aan en ontdoe mijn kogelbuks van foudraal, pak 4 patronen en doe die in het magazijn en hang mijn rugzak om. Ik ben er klaar voor. Rustig en zo onhoorbaar mogelijk schrijd ik door het veld naar de kansel. Rustig bestijg ik de ladder en installeer mij op mijn plek. Het uitzicht is fenomenaal. Hier zit ik dan met mijn gedachten. Gedachten aan het feit dat dit niet voelt als werk. Gedachten aan mijn vrouw thuis. Gedachten aan het stel wat er niets is. ‘Er zal toch niets gebeurd zijn? Het is niks voor hen om niets van zich te laten horen. ER IS WAT GEBEURD, DAT MOET WEL!’ Okay, ik weet mijn gedachten uit te schakelen en maak voor mijzelf het verschil tussen kijken en zien. Rustig tuur ik het veld af. Ik zie een haas. Ik zie spechten. Leeuweriken staan biddend stil in de lucht. En ineens, als in een flits, rent er een vos het veld op. 70 meter voor mij begint hij te muizen. Zich van geen kwaad bewust loopt ie jagend de muizenholletjes langs. Hij staat geen moment stil. Toch besluit ik de safe van de kogelbuks te halen. Ik richt. Rustig adem ik in, ik adem uit en druk af. Met 4 poten komt de vos los van de grond en sloft het koolzaad in. Na even nadenken besluit ik de plaats van aanschot te bekijken. Geen enkele aanwijzing dat ik hem geraakt heb is er te zien. Toch maar nazoeken ter controle vind ik.

Inmiddels is het 22:40 uur en is het genoeg geweest vind ik. Met mijn auto rijd ik door het inmiddels donkere bos richting hotel. Moe stap ik onder de douche en kruip hierna mijn bed in. De wekker stel ik in om 03:30 uur. Als ik na een paar uurtjes wakker word door de wekker kijk ik verbaasd om mij heen. Waar ben ik? Langzaam dringt het weer tot mij door: het is zaterdag en ik ben in Duitsland! Het onweert enorm. In alle stilte kleed ik mij aan ter voorbereiding op een nieuwe aanzit op de zelfde kansel. Binnen 2 seconden volgt de klap op de voorafgaande flits. En het blijft doorgaan. Hmmmm. Eventjes maar op het balkonnetje kijken hoe een en ander zich ontwikkeld. Verschillende koppeltjes jager-cursist zie ik in de auto vertrekken. Ik wacht. Het onweer wordt niet echt minder. Het lijkt ook of het onweer in het dal ronddraait. Na 20 minuten besluit ik uit veiligheidsoverwegingen vanochtend niet de kansel op te gaan. Ik kleed mij weer uit en ga nog een paar uurtjes naar bed. Tijdens het ontbijt hoor ik van de anderen dat zij in de auto geschuild hebben of gevlucht waren voor het noodweer. Inmiddels schijnt de zon alweer brandend aan de hemel. Zoals in het programma al vermeld stond is deze dag gewijd aan oefensporen en schadeherstel in het veld. Maar al bij het bespreken van het programma merk ik op dat ‘mijn’ vos toch wel nagezocht dient te worden. Een andere jager had exact het zelfde met een big van een wild zwijn; wel beschoten maar niet binnen. Ook nazoeken dus. Gedisciplineerd worden de nazoeken uitgevoerd, maar er wordt niets gevonden. Al met al hebben deze nazoeken de gehele ochtend in beslag genomen. Dus op naar de grillhut voor een lunch met broodjesgezond, zwijnenburgers en, ganzenworst. In een sliert van verschillende auto’s rijden we langs korenvelden, koolzaadvelden, bos en weilanden. Adriaan en zijn zoon Joop staan al klaar om de groep van eten en drinken te voorzien. Gretig vinden de broodjes aftrek. De middag wordt besteed aan schadeherstel. Langs de korenvelden wordt mensenhaar gestrooid om de zwijnen af te schrikken. Een werkje wat een paar uur duurt om de percelen aan de buitenzijden langs te lopen. Inmiddels is het weer tijd voor het diner. Dus ook nu spoeden we ons richting hotel. Tijdens het eten volgen de verhalen van wat er is gezien en waarop is geschoten.

De avondaanzit is weer een feit. Mijn kanseltje heb ik inmiddels weer beklommen en ik staar over de velden. Weer een haas, en weer wat spechten. Rustig scan ik het veld af. In de verte springt er weer een vos uit de dekking. Met mijn kijker van mijn kogelbuks zoek ik hem op. Het schot houd ik er in. In het verlengde van het beeld staat een koe. Daar moet je toch niet aan denken; schiet je op een vos, ligt er ineens een koe op het tableau. Nee dan maar niet. De vos drentelt verder bij mij vandaan. Nog steeds kan ik niet schieten. Op 140 meter loopt hij schuin weg. Als ik tussen mijn tanden sis staat hij stil, draait zich naar mij richting en staat op dat moment precies dwars. Rustig adem ik in, dan weer uit en druk af. De vos heeft nooit geweten wat er is gebeurd. Het is goed geweest voor vanavond. De buks leg ik steunend op de rugzak weg. Ik hurk bij  de vos en bedank hem voor zijn leven. Als jager en als mens beslis je op zo’n moment over leven en dood, dat besef ik mij terdege. Het blijft voor mij altijd wat dubbel. Het zijn zulke mooie dieren, maar zorgen voor de nodige overlast door reekalfjes aan te vallen. Natuurlijk vijanden zijn er niet voor hen. Dan zit er maar 1 ding op; reguleren van de aantallen.

Ik haal mijn vuilniszak en mijn handschoenen tevoorschijn en neem de vos in de zak mee voor op het tableau. Wederom geniet ik van de omgeving als ik met mijn auto de weg door het donkere bos zoek naar de verzamelplaats. Ik ben de eerste. Geeft niks, na het parkeren van de auto wandel ik naar de top van de heuvel en bewonder het majestueuze uitzicht. Het is zo mooi! Een voor een komen de jagers en cursisten binnen. Hetb tableau wordt gelegd. Een jaarling reebok, een big en 2 vossen. Ze krijgen de breuk op hun flank gelegd en de laatste beet in hun bek geschoven. Adriaan pakt zijn jachthoorn en voor elke diersoort wordt met alle respect met een melodie het dier ‘doodgeblazen’. Hierna volgt een ander jagersritueel; het overhandigen van de breuk (eikentakje) aan de jager die het dier geschoten heeft. Respectvol neem ik de breuk in ontvangst. Bij de jachthut worden de dieren ‘doodgedronken’. Ook zo’n ritueel. Tijdens de borrel volgen de verhalen: ‘Hij kwam langs, liep op 140 meter…’

In alle rust rijden we weer door het donkere bos richting het hotel. Het is laat, nacht. Stilletjes zoek ik mijn kamer op en ga nog even douchen. Met een voldaan gevoel kruip ik onder het dekbed. Nou ja, voldaan? Ik ben blij dat ik deze vos heb kunnen bemachtigen, maar wat is er aan de hand met mijn Belgische vrienden? Toch maak ik mij zorgen. Uiteindelijk val ik in slaap.

Er wordt niet meer aangezeten op deze zondagmorgen. Wel nog een nazoek op een vos wat uiteindelijk niets oplevert. Toch nog te vroeg besluit ik nog even naar de grote stad te gaan. Geld halen om de hotelkamers te betalen. De oude hoteleigenaar is nog steeds onbekend met zijn pinapparaat. Ja, hij heeft er eentje staan, maar hoe die werkt is hem een raadsel.

Na het ontbijt wil ik nog van de mensen weten wat er voor verbetering vatbaar is en hoe zij het gehad hebben. Een enkel verbeterpuntje komt hieruit, maar donders, wat heeft een ieder het naar zijn zin gehad. Na deze evaluatie worden de auto’s opgezocht voor de terugreis.

Maandag. De telefoon gaat een +32-nummer, België. Het is de vrouw. Haar man is met verlammingsverschijnselen opgenomen in het ziekenhuis. “Heeft hij je nog gebeld Jan?” Ik antwoord ontkennend: “Nee, ik heb niets van hem vernomen”. “Ik dacht het al. Hij vertelde mij dat hij met jou zo’n fijn gesprek had gehad.” “Hij wilde zo graag met jou mee naar Duitsland. Maar de dokters hebben nu meerdere tumoren in zijn hersenen gevonden. Hij is niet meer te redden. Mogelijk heeft hij nog twee weken…” en dan is het stil. Ik slik. Ik heb kippenvel over heel mijn lichaam. “Misschien twee weken heeft ie nog te leven, misschien iets meer” gonst het in mijn hoofd. We praten zo goed en zo kwaad nog wat verder. De rest van de middag is mijn productiviteit weg. Met regelmaat moet ik aan deze Belgische vriend denken; buitenmens, paardenman, Bourgondiër, ondernemer, man vol levenslust. Dat ben ik ook. Dat had ik kunnen zijn! Dan maar wat minder geld en gezond en genietend van het leven. Pluk de dag, het kan zomaar je laatste zijn!

kogelbuks

Ergernis

Even tussen twee opdrachten in heb ik weer tijd om na te denken. Echter mijn gedachten gaan naar ergernissen. Niet goed dacht ik nog, maar het overkomt mij gewoon.

Samen met Beer, onze ruwhaar Teckel, loop ik door het parkje bij ons in de wijk. Al snuffelend baant Beer zich een weg door het hoge gras. Na plasnummer 34 sommeer ik hem weer te volgen; we gaan weer op huis aan. Achter mij klinkt een fietsbel. Aangezien er geen fietspad is en ik op het voetpad loop schenk ik er eigenlijk geen aandacht aan. In gedachten verzonken wandel ik verder. Nu klinkt de fietsbel alweer, alleen nu erg dichtbij. “He joh, ga eens aan de kant!” Ik schrik op uit mijn gedachten. Een vrouw op een fiets kijkt mij woest aan. Als ik haar vertel dat ik op dit voetpad geen voorrang hoef te geven aan auto’s, brommers en fietsers, simpelweg omdat die hier verboden zijn word ik uitgemaakt voor alles wat mooi en lelijk is. De vrouw passeert slingerend over het gras en raakt mij net niet.

Een dag later rijd ik met mijn witte bestelwagentje de wijk uit op weg naar een afspraak. De weg met fietspaden en trottoirs aan beide kanten van de weg is best breed. Bij de kruising geef ik aan linksaf te zullen slaan. Geen fietsers of brommers van links. Rustig maak ik aanstalte om op te trekken en linksaf te gaan. Haastig zet een vrouw aan om aan de verkeerde kant van de weg nog snel even voorlangs te schieten. Bijna ligt ze op de motorkap. Als ik het raampje naar beneden laat zakken krijg ik geeneens kans om de vrouw aan te spreken want direct komt er een scheldkanonnade op mij af met woorden als: ‘ik kom van rechts’, ‘voorrang’ en ‘opletten’ en dat soort dingen. Als ik aangeef dat zij nergens recht op heeft omdat zij aan de verkeerde kant van de weg fiets krijg ik te horen wat ik volgens haar ben: lul, klootzak, teringlijer, zijn wel de meest gebruikte woorden.

Op weg naar een afspraak in Den Haag rijd ik op de snelweg. Rijdend op de rechter baan nader ik een auto die langzamer rijd. Mijn knipperlicht doe ik aan en haal in. Op het moment dat ik naast de langzamere auto rijd komt deze zonder richting aan te geven naar links. En bijna, bijna volgt er een aanrijding. Als ik naar rechts kijk en de man zijn porem zie krijg ik ‘de middelvinger’. Ik ga er gemakshalve maar van uit dat hij bedoelt dat ik nummer 1 ben. In Den Haag aangekomen valt het mij op dat er maar weinig automobilisten hun richtingaanwijzer gebruiken. Die dingen zitten er toch niet voor niets op?

In het weekend. Op weg naar de hondentrainingen in Ulvenhout rijd ik nadat ik door Ulvenhout-dorp gereden ben de bossen in naar de trainingslocatie. Aan beide kanten van de weg liggen er geasfalteerde fietspaden. Voor de grote groep wielrenners voor mij is dat geen optie. Want daar kun je niet met vijven naast elkaar hard door fietsen. Als ik achterop de groep rijd en even de claxon gebruik weigeren ze om maar een milimeter opzij te gaan. Na nogmaals toeteren zie ik geen enkele medewerking. Met de auto helemaal links van de weg en half door de berm rijdend passeer ik toch. Ik ga wat langzamer rijden en ‘schuif’ de groep langzaam maar zeker aan de kant. Als je alle vloeken weglaat is er eigenlijk niets naar mij geroepen.

Na een drukke dag werken en de nodige tijd in de file doorgebracht te hebben kom ik eindelijk bij ons thuis de straat in rijden. Nergens ook maar kans om de auto bij ons in de straat te parkeren, laat staan ergens in de buurt van de voordeur. 3 of 4 auto’s per huishouden, caravans en een aauhanger zorgen ervoor dat ik een straat verder mijn auto kwijt kan. Ons huishouden telt 1 auto. Niemand die daar rekening mee houdt. Dat is men ook niet verplicht, maar lijkt mij een gevalletje ‘goed fatsoen’.

Nog zoiets: mijn boeken verkopen redelijk. Ik zal er nooit rijk van worden, maar dat was in het beginsel ook niet de opzet. ‘Jaarlijks aan het einde van het eerste kwartaal” zo staat vermeld in het contract met de uitgeverij, ‘worden de royalty’s aan de auteur overgemaakt’. Een goed lezer weet dan dat dat eind maart is. In de maand juni voor de derde keer op rij werden er geen royalty’s uitbetaald. Toch maar even een e-mail verstuurd, ze zullen het druk hebben. Na twee weken nog geen antwoord. Ik volhard in het goede en stuur nogmaals een e-mail met mijn vraag “Joehoe, waar blijven mijn royalty’s?”. Na weken nog steeds geen reactie. Dan begint het aardig te broeden, te woekeren. Ik pak de telefoon en bel. Volgens de dame die ik aan de telefoon krijg komt dat door het nieuwe systeem wat ze hebben. Als ik vraag of zij elk jaar een nieuw systeem hebben (dit heb ik al drie achtereenvolgende jaren als excuus gehoord) wordt er direct gemeld dat de collega van de administratie op deze dag niet werkt.”mag mijn collega u terugbellen?” Natuurlijk mag dat, alleen gebeurt dat nooit. En inderdaad er gaat weer een week overheen en ineens als een soort Godswonder zijn de royalty’s gestort. Ik was blij en verrast, geen antwoorden op mijn e-mails, niet teruggebeld en zomaar, ineens HET BEDRAG gestort.

 

Afvallige

De kogel is door de kerk. Ik ben het beu om voor gezellige dikkerd door het leven te gaan. 0,121 ton is echt teveel. Mijn helweken of maanden gaan nu in. Vaarwel suiker, vaarwel vet eten. En ja, welkom gezonde voeding. Het is echt nodig. 30 kilo eraf gaat het worden. Dus mijn meissie heeft dan wat minder houvast en minder om van te houden. Maar ik denk dat zij er alleen al blijer van wordt. En ik trouwens ook.

Geen suiker of koolhydraten, wel veel vezels, eiwit en water is het devies. En ik moet bekennen: geen hongergevoel. Als snack pak ik nu een peentje of een stuk komkommer. Het is voor mij even wennen, maar dat is het ook precies: even wennen.

Met weemoed kijk ik naar mijn flessen whisky. Voorlopig maar even niet, ook alcohol zet aan. De dop blijft op de fles. Jack Daniels Tennessee Honey, The Balvenie, Dimple, Chivas Reagal, Dalwhinnie, Glenmorangie en Smokehead zijn toch wel mijn favorieten. Nu voorlopig geen druppel meer. Een echte afvallige dus.

En niet dat ik een echte snoeperd ben, maar af en toe eens een flinke punt appeltaart met een forse toef  ‘dieetslagroom’ missen is wel een vorm van hel. Ik ben gek op Appeltaart. Ja goed gezien, geschreven met een hoofdletter. Het betekent dus echt iets voor mij. Maar goed, al een paar weken onderweg en met de eerste kilo’s eraf is het een feit.

Sport, bewegen en nog eens bewegen helpt bij het afvallen. Veel zakelijke afspraken leg ik nu per fiets af. Ook dat went. De conditie komt langzaam terug. De fut trouwens ook. Wat ook door mijn hoofd speelt: ‘moet ik er nog iets bij gaan doen zoals boksen of naar een sportschool. Of bijvoorbeeld gaan zwemmen?’ Dat laatste kwam er wat te snel uit. Ik heb eigenlijk een hekel aan zwemmen. Aan het strand waad ik met mijn tenen door het water. Is zat vind ik. En als ik dan echt het water in ga, dan ga ik op mijn rug liggen en DRIJF ik. Jazeker, zonder te zinken of wat dat ook. Gewoon achterover liggen en drijven.

Het overkomt mij dat ik nu op een punt ben dat ik onverwacht kleding aan kan wat ik jaren geleden nieuw had gekocht en toch niet paste. Wishful thinking vanuit een perspectief toen van ‘graag willen’. Maar kegelballen stop je toch ook niet in een knikkerzak? En nu, nu pas ik die shirts en broeken. Het geeft mij een overwinningsgevoel. Het lukt. Ik kan het. Ik laat mij niet uit het veld slaan! 30 kilo eraf: EITJE!

#Dieet #Dieeetniet #afvallige

Ze zijn er weer!

Ze zijn er weer, en dan bedoel ik niet de Hollandse Nieuwe. Caravans, sleurhutten, dat bedoel ik. De straten worden er weer mee gevuld. De stekkers weer via lange verlengsnoeren van het huis richting caravan. Weken staan ze aangekoppeld aan het lichtnet. Overigens, geen idee waarom. Ik ben geen kampeerder dat is waarschijnlijk al duidelijk. Maar het fenomeen caravankampeerders boeit mij wel. Laten we ze Diederik-Jan en Petronella noemen. Hij werkzaam als notaris, zij als yoga-lerares. Vul daar nog een zoon en een hond aan toe en het beeld wordt completer.

Zoals gezegd: al weken voor de vakantiedatum staat hun oldtimercaravan voor de deur. Dagen voorafgaande aan het eigenlijke vertrek lopen ze in en uit de caravan met hun handen vol met spullen. Van boodschappen, fietsen, tuinstoelen, dekbedden, kussens, tennisrackets, een bal, een trekkerstentje, voortent, luchtbed, een hondenmand, etensbak, en ga zo maar door. Als de sleurhut vol zit mag je toch verwachten dat de reis naar de vakantiebestemming wordt ingezet. Maar nee, dat duurt soms nog dagen. Zoveel spullen die in de caravan mee moeten. Zoveel dingen in een voor mij veel te kleine ruimte.

90 kilometer per uur mag je met de auto rijden als er een caravan achter hangt. Met 110 a 120 kilometer per uur zie ik die combinaties mij dan vaak slingerend passeren. Te zwaar beladen? Teveel haast? Flink de vaart er in om zo snel mogelijk via de kortste weg op hun vakantiebestemming aan te komen. Zo ook Diederik-Jan en Petronella. Het blijft mij altijd verbazen.

Na een monstertocht van 1300 kilometer zonder tussenstop komen ze aan bij de camping van vakantiedorp El Delfin Verde in het noorden van Spanje. Na het neertellen van 920 euro voor twee weken met de caravan krijgen ze een ‘parcela’ toegewezen dichtbij het zwembad en de animatie. Beiden zijn moe en kriegelig. De hond moet een plas, zoonlief moet een plas. Petronella wil wat anders aan want ze plakt van het zweet. Zoon wil richting zwemband. Hond wil simpelweg gewoon pissen.Diederik-Jan rest niets anders dan in zijn uppie de caravan de positioneren. Een veld afgezet met haagjes geeft de grens aan waarbinnen de caravan mag staan. De oude caravan wordt met veel beleid losgekoppeld, hierna volgt het duwen en trekken aan het oude ding. Langzaam manoeuvreert hij de caravan op de juiste plek, rekening houdend met de stand van de zon, mogelijke inkijk, perfect uitzicht en mogelijkheden om wat schaduw op te zoeken. Na ongeveer een half uur manoeuvreren staat de sleurhut op zijn plek. Vanuit de tassen die in de achterbak van de auto lagen heeft Petronella zich inmiddels omgekleed, schuilend achter een van de haagjes. Zoonlief had zijn zwembroek en een handdoek gevonden en is hem inmiddels gepeerd richting zwembad. De hond is even kwijt maar wordt gevonden bij een caravan bij een ander stel waar hij zojuist en passent de loopse teef heeft gedekt. “Sorry, sorry, sorry. We waren hem kwijt. Nou ik hoop maar dat het mooie pups worden”; zegt Petronella tegen het ziedende stel.

De voortent wordt met zorg in de rails gefrummeld. De tentstokken worden vakkundig geplaatst. Alleen het trekkerstentje voor de zoon moet nog worden opgezet. Als dat gelukt is zijgt Diederik-Jan in een klapstoel neer. “Ik doe helemaal niets meer”; zegt hij en voegt de daad bij het woord.

Het is warm. 33 graden en de avond daalt langzaam neer over de Spaanse kust. Iedereen is luchtig, zomers gekleed. De zoon heeft inmiddels vrienden gemaakt met wat Franse en Nederlandse jongeren en heeft afgesproken bij de tafeltennistafels vlakbij het zwembad. Samen besluiten Diederik-Jan en Petronella richting de boulevard te lopen en een terrasje te pikken.

De avond valt in. De schemering maakt plaats voor het donker. Met een stuk in hun reet waggelen ze richting de camping. Op de camping aangekomen is het nog knap lastig om hun plek terug te vinden. Want was het nou nummer 66, nummer 99 of nummer 69 waar ze stonden? Het wordt dus nog aardig zoeken. Bij nummer 69 herkennen zij hun caravan en trekkerstentje. Moe ploffen ze in de klapstoelen neer. Zoonlief heeft inmiddels zijn slaapzak al gevonden want ze horen een regelmatig gesnurk uit zijn tentje komen. De hond is inmiddels onder de caravan gaan liggen vanwege de koelte daar. Na ongeveer een uur besluiten ze hun slaapbank op te zoeken. Het tafeltje wordt neergelaten en het middenstuk van de bank zorgt ervoor dat er op die manier een soort van 2 persoons bedje gecreëerd wordt. Ze kruipen tegen elkaar. Na wat amoureuze strelingen wordt het wat serieuzer. Er staat wat moois te gebeuren. Het bed blijkt toch wat krap en ongemakkelijk. Maar niet getreurd Diederik-Jan is heel inventief. “Kom maar lief, hier bij het keukentje”. Petronella volgt hem gedwee. Ze begint langzaam tegen hem aan te rijden. Hij kreunt. Hij kreunt hard. “Vind je het lekker lieverd?” vraagt ze. “Nee”; zegt hij ‘Het tennisracket schiet bijna in mijn hol’. Ze verplaatsen zich richting het aanrecht. Met een zwier tilt Diederik-Jan haar op het aanrecht. Ze zoenen hartstochtelijk. “Oh schat, dat was lekker. Je kwam goed”; zegt ze. Verbaast kijkt hij haar aan. “Dat was ik niet trut. Je zit op het zeeppompje!”. Nu weet Diederik-Jan de oplossing; hij zet haar op de keukenla en haalt langzaam de keukenla waar zij op zit heen en weer. “Mam, Pap? Wat doen jullie?” Haastig onderbreken ze hun paringsdrift en kleden zich aan. “Uhmmm…. we waren aan het rummikuppen en hoorde je niet zo snel”. En zo eindigt hun eerste, hete avond. Maar, ze zijn er weer!

 

“Shit man”

‘De shit uit je verleden, is de mest voor je toekomst‘ las ik laatst. Naarmate ik de woorden wat vaker uitspreek en herhaal merk ik dat diezelfde zin steeds dieper en beter indaalt. Zonder dramatisch te willen doen wil ik wel even kwijt dat ik de laatste jaren een aardige hoeveelheid shit, ellende, over mij uitgestort heb gekregen. Een bedrijf, opgezet met een compagnon redde het niet. Mijn schoonvader, schoonmoeder en moeder overleden in een relatief kort tijdsbestek. Zelf een tijdje in het ziekenhuis moeten verblijven. Opdrachten die maar niet doorkwamen.  Teleurstellingen, verdriet en andere shit waren zo vaak schering en inslag dat ik soms dacht dat ik maar beter kon stoppen met de dingen die ik deed. Vaak kreeg ik van bevriende ondernemers te horen dat ‘waar de ene deur dicht gaat en ergens anders een deur opengaat’. Tja dan moet je wel met je gezicht naar die geopende deur staan anders zie je het niet.

Met mijn vrouwlief aan mijn zijde heb ik heel vaak gesprekken gehad waarom we die shit over ons heen kregen. Serieuze gesprekken, waardevolle gesprekken. Het maakte ons sterker, standvastiger, meer vastberaden.

We zijn  er nog steeds van overtuigd dat zaken niet zonder reden gebeuren. En als je daarin gelooft weet je ook dat je er sterker van wordt. We hebben diep in de mest gestaan. Maar mest is ook een groeistof.

Langzaamaan veranderde alles, veranderde ikzelf. Ik geloof in mijzelf! Een kwestie van andere keuzes. Waardevolle contacten ontstonden. Nieuwe vrienden dienden zich aan. Opdrachten kwamen weer door.

Vanmorgen met een paar collega-ondernemers zitten klankborden over startups, ontwikkelen, innoveren, trainingen, kansen zien, kansen grijpen. Gouwe kerels. Bedankt Theo, Frits en Niek.

Ik geloof niet meer in wonderen, ik reken er nu op.

Tegen de krib

Ken je dat; zo’n dag dat je bij jezelf denkt ‘de moord ermee, ik doe alles gewoon zoals ik het eigenlijk zou willen doen’. Gewoon lekker dwars zijn. Overal zijn regels voor en overal zijn er aannames over wat er van je verwacht wordt en acceptabel is.

Er zijn wel eens van die dagen bij dat ik tegen alle regels en systemen aan zou willen schoppen. Gewoon lekker dwars zijn. Dan ben je niet ergens voor, maar gewoon overal tegen. Bijvoorbeeld met een zwembroek kopen. En dan zo eentje kopen zoals Dries Roelvink, zo’n gele. Mooi geel is niet lelijk. Je moet weten; ik ben niet eng, alleen als ik mijn zwembroek aan heb.

Of gewoon bij de bakker een brood kopen en zeggen dat hij de factuur naar mij op kan sturen en dat ik de factuur binnen de gestelde dertig dagen zal betalen.

Gewoon eens tegen iemand zeggen dat hij met een biels niet lelijker geslagen kan worden. Waarom? Tot zo ver niet erg. Maar als onzekere types die ik tegen kom beginnen te praten… Tijdens een netwerkbijeenkomst begint een man spontaan over zijn producten te praten. Producten die goed zijn voor de gezondheid. Het product is goed voor hamertenen. Je gaat er beter door zien. Het is goed voor een doorbloede lever. Het is goed voor de stoelgang. Het is goed voor migraine, of juist tegen. Het is een perfect middel voor zenuwpezen. Het middel helpt ook tegen vervelende schoonmoeders. Het houdt katten uit de tuin. Het ideale product. Maar waar het echt goed voor is: afvallen. Ik kijk de man strak aan en frons een wenkbrauw, voor de rest niets. De man wordt rood in het gelaat en maakt duizend excuses, dat hij het zo niet bedoelde. Ik zeg nog steeds niets, kennelijk zegt mijn gelaatsuitdrukking voldoende. De man druipt langzaam af. Hels word ik van die types.

Een volle slagerij binnen wandelen en direct je bestelling doen. En zodra een van de mensen tegen je zegt dat hij/zij ook op de beurt staat te wachten verbaast reageren “Oh, ik dacht dat ik al aan de beurt was”.

Bij een wapencontrole voor jachtwapens de politiemensen begroeten met een kogelbuks al in de hand en op hen gericht en zeggen: “Mannen, jullie zijn er. Ik verwachtte jullie al. Kom heel snel verder. Nou, kom op!”

Of bij een groen verkeerslicht even wachten en zodra die op rood springt met gierende banden doorrijden.

Lijkt mij ook fantastisch om eens een fles WC-eend cadeau te doen en aan te geven “Nou jongen, proost, dat ie je mag smaken”. Dit als reactie op een gekregen flesje wijn. Iedereen die mij kent weet dat ik een levensgenieter ben. En dat ik gerust een paar honderd kilometer omrijd om een flesje lekkers op te halen. Maar dat er mensen zijn die mij zulk bocht aanbieden met een glimlach verbaast mij. Juist omdat de mensen die mij kennen weten dat ik van een GOED GLAS WIJN houd is deze misser bijzonder te noemen. De smaak? Tja, hoe beschrijf ik die smaak? Uhm… macaber. Als van een natte handdoek die drie weken in een plastictasje heeft liggen rijpen. Als van een vieze onderbroek die door iemand een paar weken geleden is vergeten in een fitnessruimte en goed op smaak is gekomen. Als van slechte compost met te erge aardse tinten. Mijn gezicht misvormt bij die slok. Wrang. Zuur. Muf. En ik slikte hè. Ik slikte zonder na te denken gewoon door. Smerig gewoon, walgelijk. Ik zou er een boek over kunnen schrijven: ’50 tinten groen’. En een afdronk… als van een oude, doorweekte krant. Hier maak je zelfs geen stoofperen mee aan anders worden die blauw. Ik heb de inhoud van de fles direct door de gootsteen gelanceerd. Misschien dat de leidingen hierdoor goed ontvet zijn. Dat is het. Verf zou je hiermee af kunnen bijten. Echt bij zo’n fles zou een verbodsbord moeten staan. Van pure ellende heb ik een AOC-cider opengetrokken, dat is dan zo’n lekker slobberwijntje. Zoetig. Appelig, met toch een fris belletje er in. Een verademing. Zucht. Voor de zekerheid zet ik het hier nog even in dit artikel: ik houd van EEN LEKKERE, GOEDE WIJN. Zo die staat.

Lekker naar een verjaardag gaan van je kleinzoon met een doos die je net hebt volgescheten en ingepakt. En dan, als de verrassing wordt uitgepakt zeggen: “Huh, een bolus,…. van opa? Ik dacht dat ik een doos Lego had ingepakt. Wat heb ik dan doorgespoeld? Tja, opa wordt wel heel vergeetachtig hè?” En dan al die gezichten zien, lijkt mij heerlijk dwars!

rebels

Van stokbrood en croissants

Druk werkend, zittend achter mijn pc zie ik een bericht van mijn maat Niek binnenkomen. Een foto van een Franse B & B met het onderschrift van Niek ‘Laat die Landrover maar effe zitten’. Wat ik zie is een noodkreet van een Nederlands stel wat in 2006 emigreerde naar Isle et Bardais in de Auvergne, een dorpje met 290 zielen. Een noodkreet, want hij is ziek. Zij heeft de noodkreet geplaatst waarin zij aangeeft dat de gezondheid van hem niet goed is en zij daarom terug naar Nederland willen, of eigenlijk moeten. Verder staat er niets. Gedachten schieten door mijn hoofd; direct reageren; alle bestaande klussen opzeggen; emigreren; geen Landrover maar een oude Renault 4 of een 2 CV als vervoermiddel of zo, en meer van dat soort gedachten. Dan komt de realiteit terug. Ik ben geen Bed & Breakfast-man, nee ik zie mijzelf niet als uitbater. Eigenlijk zie mijzelf meer als 2e huis-bezitter.

Met een werkvakantie naar de Franse Loire-streek in het vooruitzicht besef ik dat ik degene ben die een Francofiel is, vrouwlief een heel stuk minder. Ja, zij houdt ook van Frankrijk maar wil de rest van de wereld ook nog zien.

Door alle drukte heen is de datum van vertrek naar Frankrijk een feit. Ongemerkt kwam de datum dichterbij. Zonder dat ik besefte dat ik 2 dagen zou moeten werken heb ik de overige dagen van die week  er als vakantie maar aan vastgeplakt. De Citroen Berlingo laad ik in. Bij het inladen vraag ik mijzelf hardop af of we wel met ons tweeën een week naar Frankrijk gaan, gezien de hoeveelheid tassen. Maar ja, het is voorjaar en het kan dan warm of koud zijn. Van zwembroek tot fleecetrui gaan mee.

Na een rit van 9 uur komen we in de schemer aan in ‘ons’ dorpje. In de opgegeven straat zoeken we naar nummer 14-B. Nummer 14-B ligt in mijn beleving dicht in de buurt van nummer 14 lijkt mij. Hier niet. Nummer 14-B ligt naast nummer 13, tegenover nummer 14. Maar goed, gevonden. Ik daal het steile paadje af naar onze Troglodyt, onze grotwoning. Te vergelijken met een caravan met voortent. De voortent symboliseert de zandstenen voorgevel van een huis, de caravan symboliseert de grot. Er heerst een constante temperatuur van 15 graden Celsius. Dat betekent dat er toch regelmatig vuur gemaakt moet worden in de cantou, de openhaard waar je gewoon rechtop in kunt staan, om het aangenaam in huis te krijgen.

Deze streek staat bekend om zijn Troglodyt-woningen en om zijn wijnen; de Sauvignon Blanc en zijn Cabernet D’Anjou. Maar Frankrijk leent zich ook als smulpapenland. De rilettes, de kazen en worsten mmm… Onze vakantiewoning staat aan de rand van een dorpje. Rust, ruimte en natuurschoon, meer heb ik niet nodig om lekker te ontspannen. De volgende ochtend worden we gewekt door vogelzang van putters, geelgorzen, staartmezen, zwartkopmezen en wat dies meer zij. Tijd om naar een bakkertje op zoek te gaan. In het dorpje is er geen winkel te bekennen, dus maar de auto gepakt. In alle rust tuf ik over de landweggetjes naar het volgende dorp. En jawel, er is een bakkertje. Binnen is het net zo ongezellig als de buitenkant deed vermoeden. Door de bel die door het openen van de deur zijn geluid afgaf komt er een kort, dik manneke (ongeveer net zo groot als een Oscar-beeldje) helemaal onder het meel het aangrenzende woonhuis uit. Ik bestel een stokbrood en drie croissants. De croissants lijken wel ritueel verbrand. Niet een croissant is ongeschonden. Als ik de bakker in mijn steenkolen-frans vraag om ongecremeerde croissants zegt hij: “Bwah, désolée eh”. Ik krijg de minst zwarte mee. Bij thuiskomst zijn ze niet te vr..ten; droog, hard, verkoold. Morgen maar een ander bakkertje zoeken in een ander aangrenzend dorpje. De volgende dag tref ik in een ander dorpje een beter bakkertje aan. De croissants smaken voortreffelijk!

De dagen vliegen om. En ook nog gezocht naar accommodatie voor trainingsmogelijkheden voor managementtraining en hondentraining. Ook dat bracht ons op bijzondere plekken. Al met al hebben we bijzondere dingen gedaan, zelfs in een grot gepist.

 

 

Kerstgabber

Een kerstgabber

 

De wind joeg fel om het gezicht van Tim. Al fietsend bereikte hij het pad dat langs het bos voerde. Af en toe, daar waar de wind de sneeuw had op doen waaien, waren de bladeren te zien vanonder de dikke laag sneeuw. Tim was op weg naar zijn nichtje Sophie. Zij was ziek en woonde aan de andere kant van het Heijkerveld.

Af en toe was het best wel een beetje eng in het Heijkerveld. De wind joeg langs de bomen en over de heidevelden. De wind maakte een huilend geluid, net een jankende hond, dacht Tim. Het kostte hem moeite om in het juiste spoor over het zandpad te fietsen. In gedachten verzonken fietste Tim langs het weiland van boer Ter Velde. “Hé Tim!” hoorde hij roepen. Verschrikt keek hij op. “Oh, hallo meneer Van Vliet!” riep Tim terug. Daarna werd het weer stil en Tim reed onverdroten voort op weg naar Sophie. Het begon weer te sneeuwen, grote dikke vlokken dwarrelde op het pad neer. De laatste zichtbare bladeren verdwenen onder de sneeuwlaag. Nog maar drie dagen, dan is het kerst, dacht Tim. Maar wat moest hij Sophie nu voor de kerst geven. Hij had immers beloofd haar iets op kerstavond te komen brengen, vlak voordat hij met vader en moeder naar de kerstnachtdienst zou gaan. Hij moest er nog maar eens goed over nadenken, dacht hij. Een mooi cadeau voor zijn favoriete nichtje, tja, hoe zag dat er uit?

Eindelijk, na drie kwartier fietsen kwam de boerderij van tante Pien en oom Koos in zicht. Moe en bezweet zette Tim zijn fiets tegen het varkenshok. De varkens knorden onrustig door het gestommel van de fiets. Tante Pien had Tim al aan zien komen en stond hem op te wachten bij de deel. Ze keek verdrietig. Tim schrok ervan. “Er is toch niets ergs gebeurd?” vroeg Tim. Tante Pien barstte in tranen uit. Het ging niet goed met Sophietje, vertelde ze. De koorts was erger geworden. Als de koorts nog erger zou worden, moest Sophietje naar het ziekenhuis in de grote stad, wel 2 1/2 uur fietsen hier vandaan. “Je kunt niet lang blijven Tim, dat is te vermoeiend voor Sophietje. Kijk maar even om het hoekje, misschien is Sophietje wakker.” Tim schopte z’n klompen uit en ging stil de trap op naar Sophietjes kamer. Daar lag ze dan, bezweet en met rode wangetjes. Even opende Sophie haar ogen en er kwam een glimlach op haar gezicht toen ze Tim in de deuropening zag staan. Tante Pien pakte Tim bij de schouder en gebaarde dat hij moest gaan. Er brandde een traan in zijn ooghoek. Nu wist hij het zeker, hij moest het allermooiste cadeau van de hele wereld voor Sophietje zoeken, maar waar en wat?

Tante Pien stopte Tim nog een appel toe voor onderweg. “Als je meneer Van Vliet nog tegenkomt, zeg dan maar dat hij geen wild hoeft te brengen hoor. Oom Koos en ik zijn niet in zo’n kerststemming, snap je? Nou Tim, doe voorzichtig onderweg en als je op kerstavond nog langs wil komen mag dat best hoor.”

Tim pakte zijn fiets en sprong erop. Weer driekwartier fietsen door de sneeuw. Het begon al schemerig te worden en de frisse wind deed hem zijn sjaal nog steviger om zijn hals knopen. Voor de zekerheid trok hij zijn muts diep over z’n oren. Na twintig minuten fietsen zag hij meneer Van Vliet bij de houtwal staan. Hij had zijn Viszla Job bij hem. Beiden stonden te turen naar een schim in de verte. Het was geen ree, dat kon Tim wel zien. Meneer Van Vliet zag Tim aan komen rijden en maande Tim af te stappen. Nadat Tim was afgestapt, fluisterde meneer Van Vliet: “Zie je daar die hond staan? Ja, daar naast die bomenrij, bij dat konijnenhol!” “Ja.,” fluisterde Tim terug. “Ik zie die hond al een paar weken. ’t Is een jonge hond, dat zie je aan z’n bouw. Hij is vast zijn baas kwijtgeraakt en sterft bijna van de honger, maar hij laat zich niet benaderen.” “Wat is het voor een hond?” fluisterde Tim weer. “Ik kan het niet goed zien Tim, hij is zo beweeglijk,” antwoordde meneer Van Vliet al turend door zijn verrekijker. Tim zag nog net de hond half onder de grond verdwijnen na het graven in het hol. Even later stoof de hond als afgeschoten weg de begroeiing in. Tim fietste langzaam langs de plek waar hij de hond de struiken in zag rennen. Gespannen tuurde hij naar het struikgewas. Even dacht Tim dat hij de hond zag. Maar dat kon niet; de hond was zo ver weggerend. Maar… Ja, dat is wel die hond. Naast de boom zag Tim duidelijk een bruine hondenneus. Tim sprong van z’n fiets en liet de fiets met een plof vallen. Langzaam liep Tim in de richting van de hond. “Hé Tim, doe voorzichtig, misschien is hij wel vals!” riep meneer Van Vliet. “Wacht maar, ik kom wel naar je toe.” Nog voordat meneer Van Vliet bij Tim was, liep Tim dichter naar de hond toe. Voetje voor voetje kwam Tim dichterbij de hond. “Kom maar jongen, ik doe niks. Kom maar.” De hond had zijn korte staartje helemaal naar beneden. Tim zag de hond rillen van de kou. Steeds dichter kwam Tim bij de hond. Toen bleef Tim op ongeveer vijf meter van de hond staan, steeds zachtjes tegen hem pratend. De hond kwam een klein stukje naar Tim toelopen. Tim deed ook weer een stapje dichterbij. De hond begon voorzichtig te kwispelen en jankte zachtjes. Uiteindelijk kwam de hond langzaam naar Tim toe. Tim spreidde zijn armen, alsof het een begroeting was, en de hond kwam letterlijk in Tim zijn armen gelopen. Meneer Van Vliet stond op een afstandje met open mond te kijken. “Tim jongen, dat hem je mirakels goed gedaan joh!” zei hij. “Warempel Tim, ’t is nog een jachthond ook, een nog jonge Draadhaar. Kijk maar naar z’n vacht, nog niet helemaal volgroeid. Daarom heeft-ie het natuurlijk zo koud.” “Tim, had jij het laatst niet over een cadeautje voor Sophie? Dit lijkt me een prachtcadeau voor je nichtje,” zei meneer Van Vliet. “Hier, doe Job z’n lijn maar bij hem om.” Tim pakte de hondenriem aan en deed deze om de hals van de jonge Draadhaar.

Inmiddels was het bijna donker geworden. In de verte hoorde je de laatste kraaien vechten om een plekje in de bomen. Tim liep samen met meneer Van Vliet naar de boerderij van tante Pien en ome Koos. Z’n fiets zou meneer Van Vliet later wel thuisbrengen.

De maan scheen door de bomen, het was gestopt met sneeuwen en tevreden liepen Tim en meneer Van Vliet het erf op. Tim klopte op de deur bij de deel. Tante Pien deed open en keek de twee verbaasd aan. “Mijn beloofde cadeau voor Sophietje, tante,” zei Tim. “Nou Tim, misschien dat Sophietje hiervan snel beter wordt, ga maar gauw naar haar toe, ” zei ze. Tim snelde samen met de hond de trap op. Met een zwaai gooide hij de deur open. “Voor jou, Sophietje, je eigen hond.” De hond sprong met twee poten op het bed en likte uitbundig haar gezicht. Een brede glimlach verscheen op haar bleke gezicht. De hond zocht een plekje bij het voeteneind van het bed en weigerde er weg te gaan. “Nou, laat die twee maar,” zei tante Pien tegen Tim. Meneer Van Vliet bracht Tim met de auto naar huis.

Twee dagen later zag Tim oom Koos in de kerkbank zitten. Hij schoof naast oom Koos aan.“Sophie heeft hem Gabber genoemd, en… het gaat nu een stuk beter met haar,” zei hij. Gezamenlijk zongen zij het ‘Ere zij God’. En Tim? Tim zong het hardst van allemaal.

Jagerslatijn

Jagers spreken af en toe vreemd, jagerslatijn heet dat geloof ik. Soms kun je er geen touw aan vast knopen of de verhalen zijn zo ontzettend sterk dat je achter je oren gaat krabben. Neem nou Arie die in het water viel en zonder blikken of blozen een verhaal ophing over zijn val in de sloot. Arie was wilgen aan het knotten onderaan de dijk bij zijn huis. De kruiwagen met in stukken gezaagde bonken hout stond op de rand bovenaan de dijk. Toen Arie half op de dijk stond gooide hij een stuk van afstand in de kruiwagen. Arie raakte uit balans, zo ook de kruiwagen. Volgens eigen zeggen kon hij tijdens zijn val de kruiwagen tegenhouden en rechtzetten. Voordat hij het water raakte kon hij de pullen (eendenkuikens) die achter moedereend aanzwommen nog net opzij schuiven en behoeden dat hij die zou verpletteren. Enpassant lukte het zijn shagbuil op de kant te gooien zodat zijn shag droog bleef. Nadat hij kopje onder ging stond hij niet veel later op met drie kilo verse paling in zijn laarzen. En hier was niets van gelogen zei hij nog.

Die verhalen komen meestal tijdens de nazit na de jacht… de nazit noemen ze dat dan. Tja want het gebeurt wel eens dat staan niet meer lukt omdat er een ‘klein’ glaasje lekkers wordt geschonken. Om op te warmen natuurlijk.

Maar ook is het heel verwarrend als je met mensen praat over voor jagers bekende begrippen. Wat te denken van ‘invallende duiven’. Ik kreeg een keer de vraag of dat zieke duiven waren. “Nee joh, houtduiven”; grapte ik nog. Het werd nog gekker toen mijn gesprekspartner vroeg hoe dat nou zat met kleiduiven. Ik snap dat best, ik ben hoofdzakelijk kleinwildjager. Hij meer een rokkenjager, dan begrijp je dat niet.

In een heel ander gesprek kwam aan de orde dat mijn maat een 36-2 had. In jagerskringen beter bekend als een ‘buitengezelschapsverklaring’. ‘Och, is dat een zwaar kaliber?”; was het antwoord. En zo zijn er meer spraakverwarringen met niet-jagers. Jagers zien veel in de natuur. De kennis van de natuur is groot. Sommige hebben een dusdanig gehoor dat ze een muis horen aankomen. Hun ogen zijn meestal scherp. Tijdens de afgelopen zomer was ik in het veld met een beginnend voorjager toen er een leuke vrouw passeerde. We groetten de vrouw. Toen ik zei dat deze vrouw twee sterke punten had bedoelde ik niet de karaktertrekken van haar. Alleen begreep de beginnend voorjager dat niet. “Goh dat je dat ziet. Waarschijnlijk zie je dat aan haar houding natuurlijk. Knap hoor dat je iemands karakter direct kan inschatten aan de hand van lichaamstaal”. Ik ben maar verder gelopen.

Het jagerslatijn wordt ook in stand gehouden. Ik zal een paar kreten opschrijven en de betekenis er achter zetten. De eerste heeft u al gelezen: pullen.

  • Afspringen = verschrikt wegrennen van grofwild;
  • Apporteren = ophalen van het wild door een hond;
  • ‘Arie’ in de context van ‘een schop op je Arie krijgen’ = kloten, ballen;
  • Drift = af te leggen weg dwars door het veld of door het bos;
  • Drijver = iemand die het wild tijdens de jacht voor zich uitdrijft;
  • Droog gebouwd = rank, gespierd, zonder vet;
  • Dummy = canvas vervanging van klein wild om honden te leren apporteren;
  • Geweren = jagers;
  • Grofwild = grote hoefdieren zoals, reeën, herten en zwijnen;
  • Keiler = mannelijk wild zwijn;
  • Lijn = hondenriem;
  • Luidgeven = vervaarlijk blaffen van de hond bij het zien of ruiken van wild;
  • Ontweiden = het wild ontdoen van ingewanden om voortijdig bederf te voorkomen;
  • Pickerup = iemand die tijdens de jacht het geschoten wild oppakt en meeneemt;
  • Rotte varkens = groep wilde zwijnen;
  • Smalree = jong ree (geen kalf);
  • Sprong reeën = groepje reeën;
  • Tableau = met respect uitgestalde verzameling van het geschoten wild;
  • Veur = geulen in de geploegde grond;
  • Voorjager = persoon die met de hond werkt;
  • Zweethond = hond die geleerd heeft om via bloeddruppels, wildsporen en haartjes van grofwild het aangereden of aangeschoten dier op te sporen.

 

Mijmermomentje 2

Eerder schreef ik al dat ik geloof dat dingen niet zonder reden gebeuren. Nu ontmoet ik de man achter de  inspirerende titel Lopend Stilstaan, de titel die ik een jaar geleden op internet vond. Ik trof hem voor het eerst in den lijve tijdens een Open Coffee-bijeenkomst in mijn woonplaats. Samen elkaar inspireren tijdens een wandeling was de volgende ontmoeting. Twee coaches/trainers aan de wandel. Wat dan opvalt zijn de raakvlakken, de verschillen zijn miniem. Het is aftasten wat kan jij, wat kan ik. Hoe ben jij, hoe ben ik. En al wandelend komen we tot de conclusie dat we meer raakvlakken hebben dan verschillen. En dan is het bezinnen; kunnen en willen we iets gezamenlijk doen?

En nu, nu ben ik voor mijzelf op een rijtje aan het zetten waar mijn kansen en bedreigingen liggen. Ik ben mijn sterktes en zwaktes in kaart aan het brengen. Ik wil mijzelf en mijn bedrijf zo goed mogelijk op de kaart zetten. Kom maar op met die trainingen, coaching of andere opdrachten. Ik ben er klaar voor.

En wat verder ter tafel komt. Dat staat altijd zo leuk in een agenda van een vergadering. Tja, wat komt er verder ter tafel. Ja, ideeën zat; websites die aangepast moeten worden. Reclamemateriaal ontwerpen of, nou ja niet echt ontwerpen maar reclameobjecten verzinnen. Ook leuk. In 2008 had ik zwarte mutsen met geborduurd mijn logo erop. Dan is het hartstikke leuk als je in de winter iemand voorbij ziet schaatsen of aan het hardlopen is met mijn muts op. Nu denk ik aan sjaals. Ik denk aan het laten maken van een beachflag. Zodra ik een workshop of coaching ergens buiten houd dat men direct kan zien aan de beachflag waar iemand moet zijn. Lijkt mij leuk. Maar ook zit ik te denken aan kleine schrijfblokjes met logo of potloden in de vorm van een takje. En ook een oldtimer Landrover Defender staat op het verlanglijstje. Mijn ultieme droom met speciale bestickering. Camouflage in beige met zwart. Vanmorgen zag ik precies een foto van zo’n auto met vergelijkbare bestickering. En dan krijg ik een rilmoment. DE AUTO, precies het model wat ik graag wil en dan ook nog in de kleuren zoals ik die wil. Beige en bruin, de kleuren van Jan Brand Zweetwerk, zwart de achtergrondkleur van B On The Move. Hoe bizar is dat? Ook dit heeft kennelijk zo moeten zijn. Noem het een inspiratiemoment of mijmermoment. Ik kreeg in ieder geval een rilling. Zo’n lekkere 😉