Fuck-it list en gedachten opruimen

Ken je dat, dat je ineens denkt: ‘Ik ben er helemaal klaar mee’? Nou, dat gevoel heb ik nu dus. Even een beeld schetsen hoe dit ontstond: de stortbak van het toilet was kapot. Vervangen was de enige optie, dus op richting bouwmarkt. Aldaar is het zoeken geblazen naar de juiste bak bij de juiste plee. Al zoekend kom je tot de conclusie dat een plee van 30 jaar oud en een modern hedendaags toilet even niet helemaal met elkaar verenigd willen worden. Iets met andere diameters en aansluitingen. Maar goed de oude stortbak verwijderd en de nieuwe opgehangen. Dan is het grote moment daar; nieuw aansluiten op oud. Dussss….. als je alle vloeken weglaat, dan heb ik een uur lang niets gezegd. Tijdens het omhelzen van de pot waarbij ik in een voor mij aardig onbekende houding lag werd er aangebeld. Gehaast wurm ik mij uit mijn ongebruikelijke positie, mijn knie nog even flink stotend aan de pot. Bezweet en geïrriteerd opende ik de deur en de reclamemachine in menselijke gedaante stak van wal: “Goeoeoede..middag, ik ben Pierre van Nuon en……” “Nou en!”; schold ik naar de man en smeet met een knal de deur dicht. Ik kreeg een vage indruk dat de man verbaasd was, maar goed, ik dook weer in mijn pothouding. Later dacht ik heel kort dat dit misschien niet geheel netjes was, maar fuck-it dacht ik. En zo kwam de gedachte boven borrelen van een fuck-it-list.

Dan wordt het tijd voor een soort algeheel gevoel van fuck-it allemaal. Niets kan mij op dit moment rotten. De moord ermee. Terwijl ik dit zo denk, ontstaan er al snel categorieën in mijn fuck-it list die ik best zou willen delen. Categorieën zoals: het stotteren, werk, vakanties.

Stotteren: Al bijna twee jaar stotter ik. Eerst hele dagen en op dit moment meestal alleen ’s avonds. Voor diegene die mijn berichten enigszins volgen weten dat dit door emoties en vermoeidheid de kop op steekt. Eigenlijk als gevolg van niet of onvoldoende rouwverwerking. Diverse fijne mensen heb ik naar hun laatste rustplaats mogen brengen. Mensen waarmee ik juist zo leuk en fijn onderweg was. Het begon zo’n beetje met Arie, de jagermeester, wat pijn in zijn buik en hij had een hekel aan artsen. “Ja hoor, die maken je beter, ja duhhuh”. Uiteindelijk moest hij eraan geloven en moest naar het ziekenhuis. Een operatie volgde en men kon niets meer voor hem doen. Het ziekenhuis, de plek waar hij niet meer uitkwam. En ja of Rick tijdens de uitvaart het orgel wilde bespelen. “En Jan, wil jij dan in de dienst spreken?” Natuurlijk. De anderen zouden Arie de kerk binnendragen. Bij het binnendragen van de kist in de kerk lag Arie’s patronengordel opgemaakt met bloemen op de kist. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonvader. Hij was niet zo lekker. De zuster van het zorgcentrum gaf aan dat hij maar vast naar zijn kamer moest gaan, ze zou zo bij hem komen met bloeddrukmeter. Even nog de buurman die stond te douchen met de voordeur op een kier de stuipen op het lijf gejaagd door een opmerking: “He Janssen, moet ik even je rug komen wassen, dan moet je wel even de zeep van de grond oprapen?” “Beemer donder op ouwe viezerik!” Hij ging lachend op bed liggen in afwachting van de zuster en sloot met een glimlach zijn ogen om nooit meer wakker te worden. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonmoeder die in een ander zorgcentrum verbleef piepte er ineens tussenuit. Hartinfarct, onverwachts. Eindelijk had zij rust. De dag na de begrafenis lag ik met zeer ernstige hartritmestoornissen getriggerd door een tekenbeet in het ziekenhuis waar de artsen vochten voor mijn leven. Ja, ik piepte er zelf bijna tussenuit. Toen preventief het stilzetten en weer op gang brengen van mijn hart op het programma stond bracht dit wel wat teweeg. Een routineklus, maar toch: “Mevrouw Brand, wilt u straks wel extra afscheid van uw man nemen? We bellen u wel als het gelukt is.” En MijnLief, had het hierdoor extra zwaar te verduren. Net haar moeder begraven en dan afwachten hoe het met mij af zou lopen. De dagen erna dagelijks naar mij op bezoek in het ziekenhuis. Na een week op de Eredivisie van het ziekenhuis mocht ik naar huis. Een jaar heb ik nodig gehad om er weer enigszins bovenop te komen. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn moeder voelde zich niet zo lekker. Dus onderzoek, en nog een onderzoek, nog een onderzoek, en weer een. Nog maar een onderzoek. Niets te vinden. Zo was ze al een jaar verder. Mijn vader wilde een second opinion. Wat het ene ziekenhuis niet vond, vond het andere wel. Alvleesklierkanker! Een k…..tziekte! “Maar snel opereren dokter”; was haar reactie. De arts gaf haar een antwoord wat niemand wil horen. “Mevrouw, al was u 21 en het zag er precies hetzelfde uit als nu dan zouden we ook niet opereren”. Op de vraag hoeveel tijd haar nog restte kreeg zij als antwoord: 3 maanden. Het werden er 3 1/2. Maanden waar ik mijn moeder zag interen van 85 kilo naar 32 kilo. Het maakte diepe indruk op mij!

Telkens was ik de vent die de rots in de branding was. De vent waar iedereen bij kon uithuilen. Mijn schouder was sterk en breed. Niets kon mij van mijn stuk brengen. En iedereen wist dat en maakte hier dankbaar gebruik van. En nu, nu ben ik een huilebalk. Zeker als ik weer niet kan praten of als het praten slechts wat gemummel is. Maar ik heb besloten het achter mij te laten. Alle fijne mensen die er niet meer zijn los te laten. Ik kan er niets aan veranderen. Wel kan ik omzien naar deze mensen met een een gevoel van mooie herinneringen die ik niet wil vergeten. Die herinneringen maken nog steeds diepe indruk op mij, maar met een goed gevoel. Ik ga verder!

Werk: 60 uur werkte ik per week, soms meer. De telefoon stond dag en nacht aan. Elk telefoontje, elk e-mailbericht zou wel eens een potentiële klant kunnen zijn. Dus ik was altijd bereikbaar. Alles moest wijken voor mijn werk. Geld was een geweldige bijkomstigheid. Maar wat als je van het geld niet kunt genieten? Wat als je het geld niet uit kunt geven omdat je het te druk hebt? Die tijd in het ziekenhuis heeft mij aan het denken gezet. 7 dagen lag ik op de Eredivisie van het ziekenhuis. Je hebt dan echt tijd om na te denken omdat de tijd toch stil staat. Na mijn ziekenhuisopname en de Eredivisie aldaar heb ik mij toen voorgenomen om alleen nog leuke opdrachten te aanvaarden. Opdrachten die mij inspireren. Opdrachten die mij een voldaan gevoel geven. Ja, er moet wel brood op de plank komen. Soms doe ik opdrachten gratis. De klanten die ik niets factureer staan soms met open mond te kijken en weten niet wat hen overkomt. Soms zijn opdrachten zo leuk en speelt geld op dat moment geen rol. En ik ga ervan uit dat als er bij hen ooit eens een vraag komt, dat zij mij aanbevelen. Een soort ambassadeurs van mij en mijn werk zijn ze dan. En het werkt!

Vakanties: Gewoon weer naar zonovergoten witte stranden met overal vrouwen met een klein bikinietje en een broekje met zo’n flosdraadje in hun bilnaad. Zo’n gevarendriekhoekje met touwtjes. Heerlijk! Heel gevaarlijk wat ik nu schrijf, want ik herinner mij zo’n voorval met een gevarendriehoekje met touwtjes. Een voorval van een paar jaar geleden in Schevingen. We hadden bij een strandtentje gereserveerd om eens lekker te eten en te genieten van de zonsondergang. Temperaturen van 30-plus was in die maand heel gewoon, met van die lange zwoele avonden. Heerlijk! Het buitenterras zat helemaal vol. Plots komt er een vrouw met kind van het strand het terras op lopen. De vrouw had niet de intentie om iets te willen eten of drinken, maar wilde vanaf het strand via de kortste weg de boulevard op. De dichtst bijzijnde trap van strand naar boulevard was wel dertig meter verderop dus….juist via het terras van het restaurant. Tot zover is er nog enig begrip voor de vrouw op te brengen, maar… de vrouw had niet zo veel kleding aan. Of eigenlijk ze had niets aan op een ieniemini bikinislipje. Slipje kan je eigenlijk ook niet noemen, het was meer een gevarendriehoekje met touwtjes. En het zat nog hartstikke strak ook. Ze was ook nog eens vrij gezet, had erg grote borsten, en die hingen bijna over haar knieën. Echt, dan schiet mijn schaamhaar zowat uit de krul he. Nee, het was geen fraaie verschijning. Terwijl ik dit met MijnLief bespreek hoor ik de twee jonge stellen achter ons tegen de vrouw zeggen: “Mevrouw, alstublieft zeg, we zitten te eten he?

Maar goed, dat terzijde. Ik ben er inmiddels achter gekomen dat 1 of 2 keer per jaar vakantie inplannen momenteel niet werkt om de ‘accu’ op te laden. Dus fuck-it we kunnen het nu betalen dus wat we sinds enige tijd doen is geen 2 lange vakanties inplannen, maar meerdere kleine vakanties. Weekendjes weg, een midweekje, een weekje naar Praag, Rome, New York, La Bournee, Saarburg, Maastricht, Londen, Aarhus, Dublin of iets dergelijks. elke twee maanden proberen we dit te doen. Telkens weer een lichtpunt om naar toe te leven. En het werkt!

Jagen voelt ook vaak als een soort mini-vakantie. Zeker als het meerdere dagen zijn. Daar moet ik ineens aan denken; jagen in Duitsland. Al weer een tijd geleden overkwam mij dit. Met de honden als drijver mee in een groot revier met uitgestrekte vlaktes, beboste steile hellingen en rotspartijen. De jagers waren al een tijd ervoor naar hun posten op hoogzitten en kansels gebracht. De drijversploeg ging op linie door het veld. Bij de steile hellingen aangekomen keek ik even naar mijn buurdrijvers hoe zij de helling zouden nemen. Nou, het was gewoon ieder voor zich bleek al snel. Met 2 honden door het veld ging heuvelopwaarts fantastisch. Het leken net 2 klimijzers. Ze trokken mij letterlijk omhoog. Toen neerwaarts. De honden zetten zich schrap. Ik ook, alleen hielp dat niet. De grip onder mijn laarzen verdween en voor ik het wist gleed ik met grote snelheid naar beneden, de honden aan de lijnen achter mij aanslepend. Nergens houvast. Ineens gleed ik langs een klein berkenboompje. Ik greep mij vast en niet veel later gleed ik met het berkenboompje in mijn hand verder. Een boomstronk stopte mijn val. Met mijn Knabbel en Babbel er bovenop. Het enige wat er dan door je heen gaat en langzaam ergens naar je buik kruipt is pijn. Zoveel pijn dat je wil kotsen en je ma wil bellen. Zo’n soort pijn. Mijn Knabbel en Babbel lagen als platgeslagen knaken in mijn broek. Vanaf een hoogzit en een kansel in de verte hoorde ik een vrouw roepen: “He Jan, wie geht es?” Onbegrijpelijk dat ik jagen nog steeds leuk vind na dit voorval, maar ja het ontspant zo lekker. Ook weer een gedachte die een plekje heeft gekregen.

Ik richt mij nu op de vakantieonderbrekingen, op mooie inspirerende opdrachten en op de fijne dingen. Fijne dingen zoals mijn nieuwe functie: family manager. Vroeger heette dat opa 😉

 

 

 

 

 

Advertenties

Weidelijkheid

Bijna de opening van het jachtseizoen. Ik ben al weer licht gespannen voor de uitnodigingen: of die komen en wanneer die komen. Een heerlijke tijd vind ik het. Ik ontmoet weer oude bekenden en nieuwe mensen waaronder boeren, burgers en buitenlui. De kou, de koffie ’s morgens vroeg, de driften, de nazit (vaak met snert en roggebrood met spek), het maakt mij wat melancholiek. Dan denk ik terug aan mijn eerste uitnodigingen als drijver en hondenman en aan mijn eerste uitnodiging als geweer. Mooie herinneringen, met af en toe een herinnering aan een jachtuitnodiging waar ik hele grote vraagtekens met uitroeptekens er achter zet. Ik zal twee voorvallen beschrijven waarbij ik vind dat deze manier van jagen beslist niet kan.

Het gebeurt niet vaak, maar af en toe kom ik mensen tegen…  Ze stinken naar putlucht en een zure lucht van zweet en drank. En ook na het jagen, tijdens de nazit, kan ik mij verbazen over het feit dat dit soort figuren nog rechtop kunnen zitten. Laat staan dat ze tijdens de jacht nog iets geraakt hebben. Een paar jaar geleden kreeg ik de uitnodiging om in de polder te komen jagen. Een groep van dertig jagers verzamelde zich rond de afgesproken boerderij. Een ieder van de geweren kreeg een post toegewezen en ging te voet naar de afgesproken plek toe. De eerste drift werd aangeblazen. Al snel hoorde ik de eerste schoten. Aan het einde van deze drift werd het tableau neergelegd. Een enkeling toonde geen enkel respect voor het geschoten wild door het wild op de juiste plek in het tableau te gooien en/of over het uitgelegde wild te stappen. Uit respect loop je om het tableau heen, maar dat terzijde. Na het leggen van het tableau werd er in het veld koffie geschonken en direct er achteraan kwamen de flessen Jagermeister. En het was nog geen half tien in de ochtend toen de plastic bekertjes soms tot de rand met Jagermeister gevuld werden. Zoiets kan niet vind ik. Met drank op een geweer hanteren is bij mij uit den boze. Zoals de Fransen zouden zeggen: ‘Je ne suis pas van lotje hè’.

De nazit was in een dorpscafeetje. Daar zat ook zo’n jager die in het veld al de nodige borrels had genuttigd. Hij zat gewoon opgebaard op de barkruk. En dat rijdt gewoon met de auto naar huis. Het zou mij niks verbazen als je een aantal dagen later in de krant zou kunnen lezen dat zo’n  iemand met een tuintje op zijn buik naast de kerk ligt. Gelukkig is dit geen regel, maar een uitzondering is het ook weer niet.

Laat ik een ander voorval beschrijven. Het is herfst. Winderig, een heel gure wind blaast over de akkers. Om en nabij de 13 graden. Al heel vroeg in de ochtend kwam ik  bij de boerderij in de polder aan waar die dag gejaagd zou worden. Een ieder werd hartelijk ontvangen met koffie en ontbijtkoek. Na de koffie legde de jagermeester de veiligheidsregels uit en wat die dag vrij zou zijn om op te jagen: fazantenhanen, konijnen, eenden, de man 2 hazen en houtduiven. Duidelijk lijkt mij zo. Na de uitleg werden de posten uitgezet en de drijvers naar hun startposities gebracht. Een oude man van ver in de tachtig kreeg een plekje toegewezen bij een dammetje. Een krukje werd voor de man uitgeklapt. De mannen begeleide de oude man uit de auto en brachten hem naar zijn krukje. Een man liep terug om de oude man’s geweer te halen en bracht hem zijn geweer. Zelf kreeg ik een post naast de oude man ongeveer 60 meter bij hem vandaan. Het duurde even maar in de verte kwamen de drijvers toch luid roepend en kloppend met een stok op de grond aangelopen. Een eerste schot viel. Niet veel later nog een schot maar nu kwam het geluid meer van rechts. Inmiddels waren de drijvers op 60 meter van de posten genaderd. Hier en daar ging er een eend op uit de afwateringsslootjes. Inmiddels waren de drijvers binnen de 30 meter gekomen. Er ging een haas op, recht op de hoogbejaarde jager af. Hij richtte, ik riep nog niet te schieten vanwege de onveilige situatie, en hij drukte af. Het haas ging over de bol en tegelijkertijd dook een drijver ineen. De drijver kreeg een lading hagel vol in zijn murf. De verwondingen vielen mee, maar dit had nooit mogen gebeuren. De oude jager is zijn geweer afgenomen. Op advies van zijn zoon heeft hij zijn geweren bij de politie ingeleverd in afwachting van verkoop ervan. Zijn jachtakte heeft de oude jager niet meer laten verlengen. En terecht. Gelukkig zijn de jagermeesters tegenwoordig strenger. Kan helemaal geen kwaad.

 

 

Flashbacks

Meer en meer realiseer ik mij dat dit aardse leven niet oneindig is. Hoe ouder ik word, hoe vaker we een bericht krijgen dat een dierbare of bekende ziek is of inmiddels is overleden. Langzaam aan krijg ik het gevoel dat we verder doorschuiven bovenaan in de rij. Dat doet mij beseffen dat je het leven moet omhelzen. Steeds vaker koester ik de momenten met vrouw en kinderen en mijn vader. Ja, die is er nog en ook die snapt dat elk jaar boven de 80 jaar een toegift is. Hij geniet met volle teugen wat hem nog in de schoot geworpen wordt. Met mijn broer is ie al twee keer mee met vakantie geweest. Wij halen hem op de meest onverwachte momenten op om hem een dag met een gouden randje te bezorgen.

Steeds vaker besef ik ook dat ik sommige ‘vossenstreken’ van hem heb. Laatst vertelde ik aan mijn zoon mijn herinnering aan Koninginnedag van ik denk 1972. Een jaar of 10 was ik. Mijn vader kocht voor mij een Charlie Chaplin-wandelstok want hij wist daar wat leuks mee. Hij had een lang elastiek aan de onderkant van de wandelstok vastgemaakt met aan het elastiek een plastic balletje. “En als je nu naar de Brink loopt dan kun je door aan het balletje te trekken en te richten op de feesthoedjes van andere kinderen ze er zo van hun hoofd vanaf schieten. Maar, mondje dicht he, niks tegen je moeder zeggen”. En daar ging ik, slachtoffers maken. Vanachter een heg schoot ik zo een feesthoedje bij een ouder kind van zijn hoofd, poing.

Ook realiseer ik mij dat de zaterdagen met mijn vader en mijn broer ik altijd doorbracht op de velden van CVV Zwart-Wit ’28, ons voetbalcluppie. Omdat ik de jongste was speelde ik ergens rond 10:00 uur mijn wedstrijden. Mijn broer, 2 jaar ouder, speelde dan rond 13:00 uur zijn wedstrijden. Het eerste elftal had standaard om 14:30 uur zijn wedstrijd. Heel de dag waren we er zoet. Tussen de middag altijd steevast met een bakje patat en een frikandel. Tussendoor een zakje chips en een flesje limonade. Met verweerde koppen kwamen we thuis. Getekend door de gehele dag in de zon en wind langs of in het veld vertoeven. Bij thuiskomst was er in de voorjaar-/zomerperiode broodjes met aardbeien en ’s winters soep met broodjes. Zwart-Wit ’28 mocht zich meten met ploegen als Feyenoord, de amateurs, DOVO, Bennekom, IJsselmeervogels, toch niet de minste clubs. Maar ja, tijden veranderen. Naar mate ik ouder werd zag ik figuren als John de Wolf bij mijn club trainer worden. Er werd geld uitgegeven, veel geld. Teveel geld waardoor de club failliet is gegaan. Direct na het faillissement werden de velden weer klaargemaakt voor bezoekers van het Zuiderpark. Alsof er nooit een vermaarde voetbalclub geweest was. De velden werden teruggegeven aan het park. Een tijdperk werd afgesloten.

Lang geleden leerde ik een meisje kennen. Een heel leuk meisje. Iets ouder dan ik. Zat eerst een klas hoger. Indisch was ze, dus anders. Andere cultuur, andere gewoonten. Toen ik haar mee naar huis nam vonden mijn ouders haar ook echt… anders. Ze was bruin. Had het over een karet als ze elastiekje bedoelde. En over even kipas als ze waaieren bedoelde wanneer haar eten te warm was. Wij hadden geen bottel-tjebok op het toilet, voor het wassen na een grote boodschap. Ze was ANDERS. Mijn ouders vonden dat, laat ik zeggen, vreemd. En was ze nou Indonesisch of Indisch? En wat was het verschil tussen die twee? Tot op de dag dat mijn moeder overleed heeft zij het uit moeten leggen.

Een eerste kleindochter werd geboren; beige. Twee jaar later nog een kleindochter; blank, gelukkig. Weer twee jaar later een kleinzoon; bruin. Oeps. Mijn ouders waren toch wel groots met hen. Trots, op hun klein kinderen. Maar als mijn ouders bleven eten, dan genoten zij. Wat er werd flink ‘uitgepakt’ en uitgebreid getafeld.

En als mijn zoon even bij opa vlak voor zijn vakantie een bakkie gaat doen is mijn vader hartstikke trots op hem. Mijn zoon werd even meegenomen naar de kledingkast. Er werd een colbert van Van Gils uit de kast gepakt. “Pas em is. Heb ik maar een keer aangehad. Moest ik van oma kopen. Het is een zomer colbert”. Het zit hem als gegoten en houdt het gelijk aan. Als hij weer thuis binnenstapt is het echt een meneer.

Tja zo hebben we nogal wat meegemaakt.

 

 

Penseé gribouillis 2

Daar zit ik dan. Verse koffie ingeschonken. Lekker ontspannen. Franse radio aan. Ik kijk wat vakantiefoto’s van de afgelopen jaren op mijn laptop. Er zaten ook nog wat filmpjes bij. En ja hoor, de nostalgie drijft weer binnen. Mijn gedachten glijden langzaam weer naar Alette in Frankrijk. Naar de beek.

De sleutel draai ik om en hop we staan binnen. Binnen, in een klam en steenkoud huis. Maar geweldig, we zijn er weer! Eén van de eerste dingen die we doen is rap de haard aanmaken. Mevrouw Brand meet met haar thermometertje een temperatuur van 13 graden; binnen in huis dan hè. We stoken het vuur flink op en langzaam, heel langzaam klimt de temperatuur weer wat omhoog. Het is zelfs al 15 graden geworden in huis, heerlijk zeg. Allemachtig, dat is toch wel fris. Je zou er een kleine Arie van krijgen.

Als we ’s avonds naar bed gaan ben ik vrouwlief toch zo dankbaar dat zij een ouderwetse kruik voor in bed heeft meegenomen. Dat zorgt ervoor dat het in bed behaaglijk is. De honden nemen weer hun vertrouwde plaatsen voor het slapengaan in. Na een rusteloze nacht ben ik de volgende morgen voor dag en dauw wakker. Tien voor half zeven zegt mijn telefoon. De ramen van de slaapkamer zijn beslagen. Ik kijk op of het raam boven het bed ook beslagen is. De honden zien beweging en denken: ja, de baas is wakker. Druk doen! Keten. Plassen. Poepen. En wel nu! Snel schiet ik een shirtje en een broek aan. Trui erover. Dikke sokken aan, schoenen aan, hop riemen om en snel naar buiten. Niet veel later sta ik verkleumd bij twee plassende, maar bovenal blije honden. Ik had duidelijk een jas aan moeten doen! Koud! Al rondkijkend zie ik overal groene bollen in de verschillende bomensoorten. Ik kan in eerste instantie niet ontwaren wat het nou precies is. Totdat ik dichterbij kom. Maretak! Of zoals de Engelse zeggen: mistletoe. Elke boom lijkt ermee besmet.

Elke dag lopen we twee keer de route langs de beek. Nu ook. Dibbes, de Duitse staande draadhaar, en Bram, de ruwhaar Teckel, lijn ik aan. Ze gaan lekker mee en dan weer of geen weer, linksaf de deur uit en de heuvel op het landweggetje volgend met aan de rechterkant de Engelse buurman. Bovenop de heuvel kiezen we het pad naar beneden, langs een groot weiland. Een koe kijkt nieuwsgierig over de heg. We lopen langs een paar huisjes en gites. Bij de kruising is het bruggetje waar de beek onderdoor raast. Niet diep, maar wel kraakhelder water. Linksaf lopen we langs wat huizen tot aan de volgende kruising en gaan rechtsaf. We passeren het bakkertje en de mairie. Een klein stukje verder gaan we weer rechtsaf langs wat lemen huizen een heuvel op. Een groot deel van de huizen zijn opgebouwd uit een raamwerk van hout en stevige takken. Dit wordt dan aan weerskanten dichtgesmeerd met een dikke laag leem vermengt met stro om zo een dikke isolerende laag te krijgen. Deze leemlaag wordt, als deze laag hard is, wit gekalkt. We vervolgen onze route langs wat weilanden en huizen. Ik kijk naar rechts in een soort dal. Op de heuvel aan de andere kant van het dal staat het statige witte huis. Pal langs het pad waar we nu lopen banjert aan de rechterkant van het pad de beek. Een klein stukje verder is een klein watervalletje waar het water anderhalve meter van een vervallen soort stenen bruggetje naar beneden valt. Het is een soort mini-ruïne. Links zie ik het mooie huis uit 1786 en het koolzaadveld. Een huis zoals het vroeger was. De honden vinden het net als wij heerlijk om hier te wandelen en dat twee keer per dag. We lopen op ons dooie akkertje verder langs de grote boerderij. Op het einde van het weggetje slaan we rechtsaf en nemen bij de V-splitsing de linker weg naar boven. Na 300 meter zijn we weer bij het witte huis aangekomen. 45 minuten duurt deze wandeling. Heerlijk! De honden zijn letterlijk uitgelaten en zijn vrolijk. We gaan naar binnen en lijnen de honden af. Allebei krijgen ze een kluif en hebben al geen aandacht meer voor ons.

Na het avondeten wandelen we met de honden in de nabijheid van het huis om de omgeving verder te verkennen. Na het slingerpad wat naar boven de heuvel op leid treffen we een oprijlaan aan. Een oprijlaan die geflankeerd wordt door twee enorme kastanjebomen. Deze bomen nemen al het daglicht weg waardoor de oprijlaan wat donker en luguber aan doet. Tussen het grind groeit welig het onkruid. Bij de poort aangekomen zien we dat deze op slot zit. We werpen een blik op het domein en zien dat dit een ruïne is. Een enorm huis aan de linkerkant. Een toren in het midden. Volgens mij heeft deze toren dienst gedaan als graanopslag of iets dergelijks. Recht vooruit staat ook nog een gebouw die dienst heeft gedaan als woning. Direct ernaast is er een soort garage of koetshuis. Ik moet moeite doen om het gebouw aan de rechterkant door de poort te kunnen zien. Maar ook dit pand heeft dienst gedaan als woonhuis. Het domein is helemaal ommuurd. De ramen staan overal open. Vogels vliegen in en uit. Ook kom ik te weten dat de eigenaar sinds anderhalf jaar gestopt is met het herstellen en renoveren van de objecten. De muren en het dak zijn in perfecte staat. De rest is aan vervanging toe. Het is van een vermogend echtpaar geweest waarvan de kinderen op de leeftijd van studeren zijn. Vader en moeder hebben dus ook maar een optrekje in Duinkerken gekocht. De toren dateert uit 1100. De gebouwen zijn er eind 1800 rondom heen gebouwd. Le vieux Chateau de Montca, zo heet het. Gelijk zie ik dan mogelijkheden. Emigreren, opknappen en uitbaten die handel. Jachtworkshops, B & B, jachtreizen, paarden- en fietsenverhuur. Zomaar wat activiteiten die direct door mijn hoofd spoken. Man, ik zie het helemaal zitten.

Om zeven uur loop ik al met de honden buiten. De lucht is compact. Het is koud, mistig en vochtig. Toch is het eind augustus, wat voor mij vaak betekent dat het dan warm  en aangenaam hoort te zijn. Nu dus even niet. De kerkklok van het ene dorp geeft aan dat het zeven uur is. Nou ja, één slag,… even niks. Vier slagen…, niks. Drie slagen…, niks. En nog één slag voor de lol. De andere kerkklok geeft aan dat het tien voor zeven is. Hoe laat is het nu? Mijn horloge geeft echt aan dat het zeven uur is. Na het uitlaten van de honden stap ik op mijn fiets richting bakkertje. Na een ritje van een minuut of acht stop ik voor de deur van de boulangerie. Er zijn drie dames voor mij. Het bakkersvrouwtje is uitgebreid in gesprek met één van hen. Nadat de mevrouw geholpen is en afgerekend heeft gaat ze niet weg. Ditzelfde gebeurd met de twee andere dames,. Ook zij blijven wachten nadat zij geholpen zijn en hebben afgerekend. Dan ben ik aan de beurt. In mijn steenkolen Frans bestel ik een stokbrood en wat croissants. Beleefd vraag ik aan het bakkersvrouwtje: “Ca va?”, hoe gaat het? Het gaat goed zegt ze. Mijn bestelling wordt netjes in orde gemaakt. Ik reken af en groet haar en de dames en stap de deur uit. Met de croissants en een stokbrood stap ik weer op mijn fiets om terug te gaan. Als ik thuis kom vraagt vrouwlief waar ik zolang bleef. Tja, de dames wilde kennelijk wel even zien wie deze vreemde meneer was en wat hij bestelde. En na afloop natuurlijk even met elkaar bespreken waar deze vreemde meneer vandaan kwam. Na een uitgebreid ontbijt stappen we in de auto richting één van de vele stranden om lekker uit te waaien. De zon breekt door en al snel loopt de temperatuur op naar de 22 graden. Op de terugweg even langs de hypermarché om eten te kopen voor de komende dagen. U kent dat wel, stukje vis, stukje lamsvlees, lekkere kazen en worsten, flesje Grenache wijn, flesje cider. Heerlijk en dat twee weken lang. Niks moet, alles mag.

Het gastenboek van Dick en Marianne ligt op tafel. Nonchalant blader ik het door. Tot het moment dat ik geraakt word door de lieve woorden van de verschillende mensen van divers pluimage: van hun dochter, van hun zoon, hun schoondochter, van hun vrienden, neven, nichten, van mensen die zij spontaan hun vakantiehuis aanboden (o.a. aan ons). Ik heb de behoefte er ook wat in te schrijven. De juiste woorden komen vanzelf. Wat een hartelijkheid als je dit allemaal leest. Door de verhalen in het gastenboek lees je eigenlijk hoe het huis stukje bij beetje gerestaureerd wordt. Mensen schrijven eerst over wanden van leembroodjes opbouwen tot ‘het campinggevoel’ van de poepemmer en douchen met een gieter. Later lees je dat de ‘eerste mensen’ eindelijk naar een normaal toilet kunnen en warm kunnen douchen.

Later op de dag besluiten we een wandeling langs de beek te maken. Een mooi rondje van ongeveer een kleine driekwartier. Laarzen aan. Waxjassen aan. Leren hoed op, ik lijk wel zo’n cowboy. Zodra we een voet buiten de deur zetten. Begint het te regenen. Eerst zachtjes, maar niet veel later hard. Ja hoor het komt nu met emmers tegelijk uit de hemel. Alsof ze in de hemel aan het hozen zijn. Uiteindelijk zijn onze bovenlichamen droog, maar de broeken zijn finaal doorweekt. Water druipt vanaf mijn broek mijn laarzen in. Na een veertig minuten, waarin we werkelijk door de hemel zijn gedoucht, staan we weer bij de voordeur. De regen stopt vrijwel direct en niet veel later breekt de zon door. Het is niet eerlijk. Het zal een veeg teken zijn.

Dat vind ik ook altijd zo bijzonder, de verschillen bij het naar buiten gaan van mensen en honden. Met name als we de honden gaan uitlaten. Wij als mensen: ondergoed aan, shirtje aan, spijkerbroek en dikke sokken aan. Lekkere warme trui aan. Laarzen, jas, shawl aan en soms hoedje op. De honden krijgen hun riemen aan en… al, klaar. Dat was het. Voor de rest helemaal niks. Of het nou winter, voorjaar, zomer of herfst is. Of het nou regent of bloedje heet is. Voor de hond maakt het geen verschil.

De volgende dag als ik met de honden langs het vervallen château loop ben ik met stomheid geslagen als er plots een Landrover voor ‘mijn’ château stopt. Een vrouw stapt aan de bijrijderkant uit en opent knarsend en piepend het prachtige, hoge  gietijzeren hek. De Landrover rijdt door de poort en het hekwerk wordt weer door de bewuste dame gesloten. De auto rijdt verder het landgoed op en parkeert bij het enige gebouw wat helemaal gerestaureerd is. De man stapt ook uit en samen wandelen ze verder over het landgoed richting de bijgebouwen. Ik ben best een beetje pissig. Mijn dromen aan duigen. Wat nu? Verdorie, ik ben er best wel een beetje kwaad over. Als ik tijdens de terugwandeling met de honden nog even naar binnengluur zie ik dat de bijrijdermevrouw in de rijtuigenkamer allerlei dingen in haar hand houdt. Ze houdt het omhoog legt het weg en pakt een volgend item. Ik kan net niet zien wat het steeds is. Mijn dromen vervliegen. Ik zag ons al zitten op het erf met de honden in het zonnetje en een glaasje lekkers. Wachtend eigenlijk op de volgende gasten voor workshops en hondentrainingen hangen we lekker in de stoelen. Ja ja, het had zo mooi kunnen zijn. Een beetje ontdaan loop ik naar ‘ons eigen’ huis. Vrouwlief meld ik wat ik gezien heb. Ook zij is verrast, haalt haar schouders op en vraagt verbaasd wat ik dan verwacht had. We gaan er toch niet wonen. Zelfs niet als in een buitenproportioneel vakantiehuis er vakantie vieren. Dus waar maak ik mij druk over.

Ik wil wat gaan doen. Maar alles is te nat. Te nat om met de kettingzaag haardhout te zagen, te nat om onkruid te wieden of met de bosmaaier te raggen. Er ligt een  grote hoop met takken en half vergaan onkruid wat verbrand moet worden. Dat vind ik zo heerlijk van Frankrijk, je hebt een hoop zooi. En hop, de brand erin! Mag gewoon. Maar alles is kletsnat. Dus branden zal het niet.  Uit pure frustratie ga ik binnen maar verder met het schrijven van dit boek.

Vind ik ook zoiets moois van dit huis: al poepend kun je zo naar buiten, naar de heuvel kijken hoe de vogeltjes bekvechten. Al poepend met je gezicht in de zon kan dat gewoon. Mooi toch? Na het nodige gekreun en geweeklaag komt mevrouw Brand poolshoogte nemen. “Wat is er? Heb je je zeer gedaan?” Welnee lieverd ik zit gewoon met mijn gezicht in de zon te poepen en het is een zware bevalling. Dat is alles.

Terug aan tafel kijk ik om mij heen. Er is niets extra’s in dit huis zal ik maar zeggen. Geen televisie, geen wasmachine, geen centrale verwarming, geen magnetron. Een radiootje dat wel, maar die krijg ik niet aan de praat. Zelf zingen? Nee, dat klinkt als een hond die op zijn donder krijgt. Dat betekent dat je jezelf moet zien te vermaken. Nou dat lukt best aardig altijd. We doen spelletjes. Ik schrijf boeken. We rommelen wat. We klussen wat. Er zijn de nodige tijdschriften en boeken van thuis meegenomen. We vermaken ons altijd wel.

De volgende plannen liggen klaar: naar Cap Blanc-Nez en Cap Gris-Nez en daar zelf mosselen oogsten. Bij dezelfde stranden die aparte stenen meenemen om thuis de onderkant van de barbecue mee te kunnen versieren. De mooie kerk van Hesdin bezoeken. De steden Arras, Rouen en Amiens bezichtigen. In het plaatsje St. Omer ronddwalen. Naar Le Touquet, strandwandelingen maken en lekker winkelen. Worsten en kaasjes kopen op de markt van Le Touquet. Een mooie wandeling maken over de stadsmuren van Montreuil. Montreuil ligt aan de rand van een plateau boven de Vallée de la Canche. Het is net of je terug bent in de Middeleeuwen als je door dit stadje wandelt. De stadsmuren zijn, daar waar nodig, gerestaureerd om het mooie aanzicht voor het nageslacht te bewaren.

Bram zit als een oud wijf op een stoel uit het raam te kijken. Nog net niet achter de Franse geraniums. Hij kijkt naar de spaarzame wandelaars die voorbij komen. Hij wordt altijd pislink als hij niet naar buiten kan kijken. Dat laat hij dan ook graag horen. Waar de honden allebei ontzettend kwaad van kunnen worden: lelijke mensen. We hebben ze dit niet aangeleerd, maar ze vinden sommige mensen raar. Neem nou bijvoorbeeld die lelijke vrouw. Met snor. Zo’n dikke snor, een vent zou er jaloers op zijn. Ze gillen dan gewoon, die honden, en hangen in de lijn. Een hele pikzwarte man snappen ze ook niet. Woest zijn ze. Ze blaffen dan alles bij elkaar. Gênant gewoon. Een man met een bochel? Ja hoor, ze gaan af. En hoe dat nou komt? Ik heb geen idee.

Och de radio doet het eindelijk. Ik vond een aan-en-uit-schakelaar aan de achterkant van het apparaat. We hebben muziek. Franse muziek. En een oliekacheltje heb ik ook gevonden. Nou ja gevonden, die stond in de eetkamer naast een kast. Ik had geen idee wat het was totdat ik het ging bestuderen en ja, toen bleek het een oliekacheltje wat met elektriciteit de boel verwarmt. In ieder geval, nu ik dat kacheltje aan de praat heb is het ineens twee volle graden warmer in de eetkamer. Ook heb ik een pallet die ik op het erf vond kort gemaakt. Tja, bij gebrek aan droog brandbaar haardhout moet je weleens improviseren. Maar branden doet het.

Straks maar even met schobberdebonkkleding aan en mijn leren hoed op struinen door het landschap. Gelijk nog even met een emmertje de bewuste stenen voor mijn stenen barbecue zoeken. Die misvormde kiezelstenen zo groot als halve bakstenen liggen niet alleen op de stranden, maar ook hier op en door de geploegde grond. De grond zit er werkelijk vol mee. Ook worden ze in stadsmuurtjes en onder het asfalt verwerkt. Overal vind je die kiezels. En ook liggen de velden bezaaid met ‘mooie vondsten’. Ik vond nog twee erg oude terracotta dakpannetjes. Ongeglazuurd. En een stuk van een aarden pot.

Na het avondeten wandel ik om mijn dooie akkertje even zonder honden naar het dorpje. Naast de kerk staat een bouwval. Het blijkt dat in deze bouwval nog een vrouwtje van in de negentig woont. Ik ga nog wat foto’s van dit bouwvalletje maken. Gat in het dak, wanden staan scheef, zelfs de schoorsteen staat scheef. De tuin volledig verwaarloosd. Weer terug bij het huis breekt de zon echt goed door en loopt de temperatuur achter het huis al snel op tot negentien graden. Heerlijk na een fors aantal dagen van regen en kou. Met een boek neem ik plaats in zo’n oude stoel. De zon brand op mijn huid. Het is een mooi uitzicht op de heuvel. Ik geniet er van. Het is een ware herrie van vogelgeluiden. Twee baardgrasmussen zijn aan het kibbelen. Een buizerd zweeft door de lucht en roept een soortgenoot. De specht laat horen dat hij beschikbaar is door op een boom te roffelen. Een sijs tjilpt. De honden scharrelen lekker op de heuvel. Brammetje zit achter een muis aan en probeert die uit te graven als de muis in zijn holletje verdwijnt. Dibbes gelooft het allemaal wel en met een diepe zucht legt hij zijn kop op zijn voorpoten. Loom sla ik mijn boek open en droom weg in een wereld over Frankrijk, de Franse zon en de lokale wijnen.

Ons uitzicht vanuit het huis is zo anders dan in de zomer. De velden staan er geel bij. Geen zonnebloemen, maar koolzaad. Zover als het oog reikt. Alsof onze Lieve Heer het zelf geschilderd heeft, wat een kleuren!

Voor ons volgend verblijf hier heb ik al een paar ‘projecten’ om hier op te snorren: een metalen uienmand, een Frans rivierkreeftenfuikje (is anders van vorm), oude kledinghaken, een spuitwaterfles, een wandkoffiemolen en een geëmailleerde emmer. Met dit soort projecten kijk je met een andere blik over de brocantemarktjes. En zeker in de zomermaanden zijn die er hier maar zat.

Ik schrik op uit mijn gedachten en zie Beer, de Teckel een aanval doen richting mijn schoen. Drink ik eigenlijk nog wel eens warme koffie?

nieuwsgierige koe

nieuwsgierige koe

 

Toen

Toen alles nog normaal was. Ja, daar denk ik aan. Al dagen schieten er herinneringen aan vroeger door mijn hoofd. Herinneringen die ik vergeten was of flarden ervan zoals mijn 5e verjaardag. Ik kreeg toen een prachtig speelgoed vliegtuig waarvan de propellers meedraaide met de wielen. Ik zie een oude zwart-wit foto voor me. Mijn haren in een strakke scheiding. Nieuwe kleren aan. Maar ook woorden schieten voorbij: Belga kauwgum voor 2 cent, VIVO, bommetje blauw, een pond gesorteerde koekjes, de schillenboer met paard, zoethout, VIM. Woorden met een herinnering. Een herinnering aan vroeger, toen alles in de wijde wereld niet boos en onveilig voelde.

Dan weer flitst er een herinnering van een verjaardag bij mijn opa en oma aan de Arenastraat in Rotterdam door het hoofd. Alle kinderen en kleinkinderen van hen zijn van de partij. De volwassenen in de huiskamer druk pratend en de kleinkinderen opeengepakt in een te kleine voorkamer, waar we her en der op de grond en zelfs onder tafel zaten. Op onze onvolwassen manier praten over de dingen van de dag.

Waarom die flarden door mijn hoofd schieten weet ik niet. Ik constateer gewoon dat het zo is. Wellicht heeft het te maken met de zorgelijke toestand van mijn moeder die al een tijdje ziek is en plots met spoed werd opgenomen in het ziekenhuis. Voor de zoveelste keer werden er onderzoeken gedaan. Gisteren zelfs twee. Met een slangetje werd er inwendig onderzocht. Een vervolgonderzoek werd gestaakt. Aankomende donderdag volgt op advies van de artsen een gesprek met mijn ouders en hun kinderen, met ons. Als dat gebeurt weet je hoe de situatie er voor staat. Het beloofd niet veel goeds.

Weer spoken er allerlei momenten door mijn hoofd. Nu weer van de fietstochten die ik met mijn vader samen reed. “Zullen we een endje gaan fietsen zaterdag?” Nou, ja, waarom niet. Vervolgens blijkt dat de beste man een route heeft uitgestippeld van Rotterdam naar Zierikzee. Een tocht van 75 kilometer. Maar ben je daar, dan zul je toch echt nog eens terug moeten fietsen. Een optelsom die 150 kilometer aangeeft. Het laatste stukje van de fietstocht reed ik zowat op mijn wenkbrauwen. En mijn vader reed fluitend naast mij.

Ook de week dat wij hen in 2012 meenamen naar ons vakantieadres in Frankrijk was voor hen een hoogtepunt. 8 dagen werden het waarin zij genoten. Zij wel. Ik voelde mij net een taxichauffeur. Mijn moeder kon ineens daar niet meer lopen. Alles ging ineens moeilijk. Ze vergat ook details. Om het hen naar de zin te maken en om hen toch te laten genieten van de prachtige omgeving reed ik ze overal naar toe. Naar plaatsjes, de kust, de heuvels. En ze GENOTEN. Dat feit, dat zij zo enorm genoten, werd mijn hoogtepunt. Na 8 dagen brachten wij ze thuis. Direct maakten wij rechtsomkeert om de laatste week in Frankrijk met z’n tweeën te genieten van de activiteiten die wij eerst niet konden doen. We probeerden twee weken in een week te proppen, een zinloze poging. Bij thuiskomst waren we kapot van het hollen, rennen en vliegen om toch nog zoveel mogelijk te beleven.

Die flarden realiseer ik mij nu, zijn hoogtepunten. Mijn hoogtepunten in mijn verleden. Wellicht dat de ziekte van mijn moeder mij onbewust laat terugblikken op grote en kleine hoogtepunten in mijn leven, als verwerking van een mogelijk verlies.

In verwachting

De overbuurtjes zijn in verwachting. Zij heeft echt een flinke bolle toeter. Nog een paar weken en dan is het zo ver. Voor haar heeft het nu al lang genoeg geduurd, ze is het zat. Laatst was ik met haar in gesprek toen een vrouw langs liep die de dikke buik van de buurvrouw was opgevallen.

Zodra bij vrouwen, en met name de wat oudere vrouwen die zelf ook kinderen hebben, een zwangere vrouw in het oog springt weten zij altijd direct het geslacht van het ongeboren kind. Zo ook deze vrouw meende het te kunnen zien. “Ach meid zwanger? Wat leuk. O, ik zie het al, je draagt hoog. En als je hoog draagt, dan… En vanmorgen zag ik twee eksters vliegen. En de zoon van mijn zus heet Roy. Roy en boy: het wordt dus een jongen.” Als ik dit soort onzin hoor moet ik mij altijd inhouden om niet te roepen: “Ga weg, heks. Start je bezem!”. Ik vind dat toch zulke onzin! Natuurlijk heb je vijftig procent kans dat je het geslacht raad, maar om dan allerlei bakerpraat erop los te laten en daar je bevinding aan te staven. De overbuurvrouw reageerde verder niet, gelukkig.

Dat doet mij denken aan de periode dat mijn vrouw in verwachting was. Toen mevrouw Brand van onze oudste in verwachting was kwam ook het onderwerp ‘zwangerschapsgym’ ter sprake. Ik stelde mij er het volgende bij voor: rennende zwangere vrouwen om al te oefenen hun weggelopen kind te grijpen. Zwangere vrouwen die over hekjes springen, je bent je kind kwijt dus hop over een hekje achter je kind aan. Touwtje springen, want wat is er nou leuker dan met je dochtertje samen touwtje te springen. Kogelstoten: voor als je kind verder weg is gerend maar wel binnen bereik van een steentje zodat je het kind uit kunt gooien,het snel kunt pakken, drie tikken op zijn bek te geven en “Buut vrij” te roepen. Maar al deze dingen waren het niet. “Vaders wilt u wel ter ondersteuning van uw partner meezuchten”. Nou ik heb wat zuchten gelaten zeg. Ik heb gekreund, gesteund. Dat vonden ze dan weer overdreven. Onzin vond ik het, maar ik deed wel braaf mee!

Eindelijk was het zover, de geboorte van onze oudste dochter diende zich aan. Omdat we nog zo bleu als een zeehond waren namen we maar wat stripboeken mee naar bed om de tijd wat door te komen. Met een paar uurtjes was het wel gepiept toch? Na meer dan vierentwintig uren waarbij mevrouw Brand de ene na de andere wee te verduren kreeg en de pijn helser werd kwam de verloskundige. Ik wist niet eens of ik wel mocht bellen. Ja, je mocht bellen als de weeën om de twee minuten kwamen. Dat deden ze, even later was het weer om de drie a vier minuten. Dan weer om de twee minuten. Dus toch die vroedvrouw, wat een titel, gebeld.

Na veel geworstel, ik werd door mijn lieftallige vrouw gebeten, mijn tepel omgedraaid, geknepen, uitgescholden, was er een hoofdje zichtbaar. Nou ja, een plukje zwart haar, een kruintje. De raarste scheldwoorden kreeg ik van mijn lief naar mijn hoofd geslingerd, en het waren geen woorden als: nare man, verdikkie het doet een beetje zeer of potjandikkie dommerd. Nee als je de scheldwoorden weglaat zei mevrouw Brand praktisch niks. Maar ze zei er wel bij dat ze het niet meende. Het kwam door de pijn en de vermoeidheid.

De vroedvrouw, vroedvrouw wat een woord,  zag nu het hoofdje verschijnen. “Nu gaat het heel snel hoor meneer Brand”; zei ze. Eigenlijk had ik op dat moment verwacht dat ze zou zeggen: “Meneer Brand pak uw keepershandschoenen maar en neem uw positie in bij het raam het kan nu elk moment gebeuren. Ja, daar komt het en… vangen!” Ja wist ik toen veel. Toen had ik nog geen ervaring in dat soort dingen.

Die baby’s, als ze net geboren zijn, dan poepen ze van dat zachtgeworden hard. Wat gelige prut. En stinken!

Ook zo iets waar ik totaal van slag van raakte: Na de geboorte van onze oudste kregen wij regelmatig ‘controle’ van een Hindoestaanse vrouw van het consultatiebureau (in het kort noemde ik dat altijd; het consulaat). Mevrouw Brand had al dagen na de geboorte enorme buikpijn. De Hindoestaanse vrouw eiste het megamaandverband, zeg maar matras, van mijn vrouw op. Het zat heel begrijpelijk onder het bloed. Ze hield het dicht onder haar neus en met een goede snuif wist ze het zeker: baarmoederontsteking. “Dat kun je direct ruiken meneer Brand”. En prompt duwde ze die gebruikte, bebloede maandverband pal onder mijn neus. Ik maakte een wegtrekkende, bijna kokkende beweging om zo snel mogelijk bij die vieze lap weg te komen. “Kom op, ruik dan”; riep die heks. O, als ik er nog aan denk krijg ik kippenvel. Boe, urgh, zo vies.

Andere overburen hadden na een dochter te hebben gekregen nog een kinderwens. En na wat oefenen bleek buurvrouw inderdaad zwanger. Tijdens de regelmatige controle bleek dat zij niet één maar twee baby’s kon verwachten. Tja, dat was niet gepland. Alles moest dubbel aangeschaft worden. Vervelend. Lastig. Niet leuk. Hoe dit te doen? Paniek. Na de bevalling was het zelfs zo dat opa en oma bijna dagelijks over de vloer kwamen om mee te helpen met de verzorging van de kinderen, het huishouden te doen, boodschappen doen en eten koken. Lief hoor, van die opa en oma, maar wie wilde nou kinderen? Echt zowat elke dag kwamen opa en oma langs. Soms zelfs zo vroeg dat de gordijnen nog niet open waren en pa en moe nog niet eens wakker.

Ook zo iets; zien volwassenen een baby in een kinderwagen, dan veranderen ze in volslagen malloten. “Kijk nou, koetsjie koetsjie koetsjie.” Alsof de baby doof is: “Hebbie dan van die kleine voetjes. Hebbie dan van die kleine voetjes?”

“Huttepuh, jaha, huttepuh. Wat doet ie dan, he? Wat doet ie dan?” Alles wordt minimaal twee keer herhaald alsof het kind al dement en doof is. Verschrikkelijk. Zo’n baby kan nog niet eens praten. Laat staan dat het kind het verstaat.

Moet je je eens voorstellen dat iemand zo tegen een volwassene praat. Dat duurt dan ook niet echt lang. Dan komen op aanwijzing van de buren vanzelf die mannen met die witte jassen uit een geblindeerd busje en doen je een pyjama aan waarvan de mouwen op de rug vast kunnen. Dat is makkelijk zeg.