(G)een doorsnee dag

Daar zit ie dan om 07:00 uur al aan het werk. Mijn vader en moeder zijn naar het werk. Daar zit ik dan, lekker bij opa op zijn arm en zelf is ie ook aan het werk. Jawel vanuit het huis van mijn vader en moeder. Zijn electronische schrijfkastje mee, dat gekke praatkastje bij de hand. En met die spullen bij de hand ‘regeert’ ie de grote mensen van die school waar hij nu voor werkt. En het lukt hem nog ook. Zelfs met mij, die kleine broekpoeper op zijn arm. Met 1 hand bedient hij dat schrijfkastje. Dan weer met dat praatding aan zijn oor. En ik luister lekker mee. Ik ben hartstikke nieuwsgierig omdat ik iemand anders uit dat oorkastje hoor praten. “Uhrrruh mmgguh”; maar ze snappen niet wat ik zeg. “Volgens mij is er wat storing op de lijn Jan”; zegt iemand anders in het oor van opa aan de andere kant. Ik lach. Als ik heb opgehangen loopt opa al zingend met mij, zijn kleine badmuts op de arm, rondjes in de huiskamer. Hij lacht ook. Het is ook zo’n rustige, vrolijke man. Ik geniet met volle teugen. Mijn opa, kun je nog trotser zijn?

Advertenties

Dit is zo’n dag

Dit is zo’n dag waarin alles als een vertraagde film voorbij komt. 06:30 uur ze belt mij: “Pap, het is begonnen, maar het doet zeer joh!” Ik geloof haar. Maar wat ben ik trots op haar en wat voel ik mij vereerd dat ze mij belt terwijl de weeen door haar lichaam golven. Met tussenposen is het stil aan de andere kant van de lijn: “Sorry hoor, maar het was er weer een”. In al mijn wijsheid vertel ik dat warm douchen en rond lopen de bevalling bespoedigen. Ook maar van horen zeggen, maar goed het is goed bedoeld. Ik heb met haar te doen. En waarom belt ze mij en niet haar moeder, die weet meer over wat haar te wachten staat dan ik? Ik vind het spannend.

Om net 07:00 uur loop ik al met de honden buiten. Mijn gedachten zijn er niet echt bij. Ik loop bijna een Citroen C1 ondersteboven (ik ben toch veel zwaarder). Thuis gekomen zet ik een grote kop koffie. Zoals gebruikelijk volgens mijn vaste ritueel met koffie van de koffiebrander uit Breda, koffie Java-Makassar. Wezenloos kijk ik wat om mij heen. Dat wezenloos kijken is voor mij geen kunst, lukt altijd. Terwijl ik zo rondkijk realiseer ik mij dat ik vandaag opa wordt. Wat een voorrecht! Praten gaat trouwens niet geweldig nu. Al hakkelend vertel ik wat mij dwarszit. Iets met emotioneel-incontinent zijn en zo. Maar van blijheid dan.

Alles ontgaat mij een beetje van wat er om mij heen gebeurt. Mijn gedachten zitten bij mijn papa’s-kind. Twee uren verglijden als ik wederom gebeld wordt. “Op weg naar het ziekenhuis”; hoor ik mijn schoonzoon zeggen. Het klinkt mij als muziek in de oren. Op deze manier krijgen we ongeveer elk uur een update van de stand van zaken. “Pap, het doet heeeel zeer nu”. Als ik al stotterend vraag of ik naar het ziekenhuis moet komen antwoord ze ontkennend. “Het lukt wel pap, maak je geen zorgen je wordt alleen maar opa. Het gaat mij lukken!” Ik ben zo trots op haar. Of heb ik dat al gezegd. Ik bid voor haar en mijn ongeboren kleinkind.

Nog een paar uur dan mag ik kennismaken met deze, mijn Indo-kleinkind, die kleine Hoedat. Mijn kleine nona manis. Uren verstrijken. Geen berichten, geen updates meer de laatste uren. De zenuwen gieren inmiddels door mijn keel. “Gaat het wel goed?” vraag ik mij hardop af. Zenuwen of geen zenuwen maken geen verschil. Ik kan er toch niets aan bijdragen. Feit is wel dat de zenuwen bij mij blijven hangen, terwijl ik dat helemaal niet wil. Ik ben onrustig.

Dan komt het verlossende woord. “Pa, je bent opa geworden van een kleindochter. Ze heet Romy. Jullie komen toch wel?”. Direct spoeden we ons naar het ziekenhuis om onze kleine telg te bewonderen. Als ik haar zie liggen is het liefde op het eerste gezicht. Een rustig en tevreden kindje, zo mooi, zo glad, zo… zo lief. Als ik dit kleine Godswonder zo zie liggen ben ik sprakeloos. Dat zo’n klein mensje zoveel bij mij teweeg kan brengen…

Ze moeten allebei in het ziekenhuis blijven. De bloedwaarden van zowel dochter als kleindochter zijn niet goed. Er worden onderzoeken gedaan. Onzekerheid overvalt mij. Men weet nog niet wat het is, maar bij onze kleindochter worden wat zaken extra onderzocht. Ze vertrouwen het niet. De volgende dag worden de onderzoeken in het Sophia Kinderziekenhuis voortgezet. Mogelijk iets met haar hartje. “Willen jullie ook meegaan, als steun?” Maar natuurlijk! Al vroeg spoeden we ons naar het kinderziekenhuis. Een tweetal onderzoeken worden gedaan. Een hartfilmpje en een hartecho. De uitslag krijgen we direct te horen: een minuscuul klein gaatje in het hart waarvan men vermoedt dat dit binnen twee maanden gewoon dicht zal groeien. En als het niet vanzelf dichtgroeit is er een mogelijkheid dat haar kleine lijfje het zelf oplost door het zelf allemaal te reguleren. En anders is er altijd nog een kleine ingreep om de zaak operatief te herstellen. Terug in het ‘gewone’ ziekenhuis is er verder geen reden meer om mijn kleine badmuts aan de monitor te koppelen; ze mogen allebei mee naar huis. Wat een heerlijkheid en wat een opluchting. De rust in mij en bij het gezinnetje keert weer. Mijn gezin is weer een telg groter.

Er waren momenten dat ik niet of nauwelijks kon praten; teveel emoties. Stotteren, haperen, geen communicatie mogelijk en nu voel ik mij vrij. Meerdere keren hebben mijn nagels het die dagen moeten ontgelden. Meerdere keren die dagen was ik emotioneel incontinent, maar het meeste wat mij zo heeft diep heeft geraakt is dat zij van mij een opa hebben gemaakt.

Als het praten weer lukt

Als het praten weer niet lukt voer ik het gevecht weer. Het gevecht met mijzelf. De angst, de wanhoop, de boosheid, maar ach het helpt niet. Van een drukke dag naar de eindelijke rust thuis. De overgang van gecontroleerd ademhalen en gecontroleerd wegen van woorden teneinde er voor te zorgen dat het stotteren wegblijft tijdens het werk. Eenmaal thuis is er de rust, ik mag weer volledig mijzelf zijn. Schoenen uit, douchen, makkelijke kleding aan. Niets moet alles mag. In rust zittend, buiten op mijn zelf gemaakte bank. Starend naar wolken die voorbij drijven. Denkend aan rust, ruimte, vrijheid in een eigen huisje in Frankrijk. Ik droom weg. Ze komt bij mij zitten. Kopje thee in haar hand. Vragend hoe mijn dag was en wat ik had beleefd. Ik vertel haar van het meisje op school, net 4 jaar, wat in het Engels tegen mij zegt hoe leuk mijn sikje is. ‘Het is zo jong nog’, het kleine baardje wat ik heb. Ik vertel over het jongetje wat in het Engels vraagt of ik de nieuwe priester op school ben. En hij wijst op mijn dikke agenda met leren omslag. Ik wil gaan vertellen van het jongetje van 6 jaar dat mij een ‘high-five’ wil geven. Echter het praten gaat moeizamer. Er zitten te lange tussenposen tussen de woorden. Het begin van de woorden wordt herhaald. De figuurlijke, verstikkende deken voel ik langzaam over mij heen glijden. Met kracht probeer ik te schelden en ‘NOU’ te zeggen. Soms helpt dat. Nu niet. De tussenposen tussen de woorden worden langer. Woorden blijven weg. En ik weet precies wat ik wil en probeer te zeggen, maar de verkramping in mijn wangen en tong slaat toe. En niet veel later komen er geen woorden meer uit mijn mond. Drie keer bijt ik op mijn wang, Een keer bijt ik op mijn tong in een poging te vertellen wat er door mijn hoofd gaat. Tevergeefs. Tranen wellen op in mijn ooghoeken. Het maakt alleen geen enkel verschil, woorden blijven weg. Wanhoop voel ik. Ik ben toch niet gek! Door nog harder te proberen, door te ‘werken’ om te kunnen vertellen wat ik voel, wat ik zo graag wil, blokkeert alles. Niets anders dan wat gemummel komt mijn mond uit.

Ze komt dichtbij zitten. Slaat haar arm om mijn nek en zegt dat ik rustiger moet worden omdat deze situatie anders langer blijft aanhouden. “Onthoud wat je wilt zeggen of schrijf het op”. “Vertel het straks maar, ik heb geen haast”. De troost, haar liefde geeft mij weer moed, want ik weet het gaat heel langzaam over. Na een half uur word ik langzaam wat rustiger. Soms weet ik mij niet te herinneren wat ik belangrijk vond om te vertellen. Soms kan ik dan al stotterend juist wel vertellen wat ik zo graag wilde zeggen. Maar het gevoel niet te kunnen praten wat juist voor ieder mens zo gewoon lijkt maakt mij zo boos. En ook boosheid is funest. Elke emotie is funest om foutloos en goed verstaanbaar te kunnen praten. Eens gaat het over en blijft het definitief weg. Het heeft tijd nodig. Het kan mij niet snel genoeg gaan ‘die tijd’. Maar die arm om mijn nek, die kus op mijn voorhoofd, die lieve stem van haar, dat zorgt dat ik er in blijf geloven. Een toekomstige opa moet toch kunnen voorlezen en praatjes kunnen maken met zijn kleinkind? Ik kijk uit naar die tijd dat het praten weer lukt, die arm om mijn nek en de kus op mijn voorhoofd zullen dan best blijven.

 

Voor Febe