Opa worden

Het is net zo’n reclameslogan: ‘Op een dag weet je het, je wordt brandweerman’, maar nu dan ‘Op een dag weet je het, je wordt opa’. Wat een verrassing! Maar ook wat een verantwoordelijkheid! Word ik wel een leuke, goede opa? Mag ik mijn kleinkind meenemen als ik ga jagen? Mag het mee naar korfbal en voetbal? Nu na ongeveer 27 weken begint het bij mij in te dalen; ik word echt opa.

Het begon op 2e Kerstdag. Wij geven elkaar traditioneel met Kerst cadeautjes als herinnering dat God zijn Zoon aan ons gaf als ultiem cadeau. Weken voorafgaande aan de Kerstdagen is vrouwlief al aan het ‘inventariseren’ wat de kinderen en aanhang graag willen hebben. Dan volgt de periode van die cadeautjes in huis halen. Op Kerstavond ligt er onder de kerstboom voor ieder wat wils. De kinderen doen hetzelfde en leggen hun cadeautjes erbij. De voet van de boom ligt bezaaid met cadeautjes. Het leuke van dit is dat wanneer we met elkaar klaar zijn met het kerstdiner de cadeautjes worden uitgewisseld. Zo kregen Febe en ik een plat cadeautje, voor samen. Het voelde als een fotolijst. Het was een fotolijst, maar ik kon er even geen wijs uit. Wit lijstje, zwarte afbeelding. Ik snapte er niks van. Wat was hier de bedoeling van? Vrouwlief was direct enthousiast. Nog steeds kwam het bij mij niet binnen. Totdat ik de felicitaties hoorde. Wat is dit? Het bleek een foto van de allereerste echoscopie van mijn kleinkind, mijn kleinkind. ONS kleinkind. Natuurlijk heb ik mijn dochter en schoonzoon gefeliciteerd met, wat ik in eerste instantie dacht…, een rups. Het bleek het prille begin van een echt mensenkind.

Inmiddels zijn we weken verder en begint het besef langzaam door te dringen. Mijn dochter heeft een flinke dikke toeter. Ze doet nog van alles, iets wat mij zorgen baart. Zij niet, zij is nuchter. Ze weet wat wel en niet kan. Ze weet waar ze op moet letten. En ik, ik zie overal leeuwen en beren op de weg van mijn kleine meid. Ik denk vaak terug aan de tijd dat ik met de kinderen elke avond uit mijn werk op sjouw ging; even paarden kijken bij de stallen van de manege, naar de kinderboerderij. Toen ze wat groter werden samen vissen, torren pikken zoals ik dat noemde. Je probeert het goed te doen. Je probeert te laten zien wat goed en fout is. En dan is er die dag dat ze uit huis gaan. Je ziet dingen die ik zelf anders zou doen, maar ik beet het puntje van mijn tong zowat af. Ze mogen fouten maken, ze mogen eigen keuzes maken. En nu, nu word ik ineens opa. Doen ze toch iets hartstikke goed!

Advertenties

In verwachting

Ineens viel het op, een dikke toeter. De overbuurtjes zijn in verwachting. Zij heeft echt een flinke bolle toeter, zo’n ballonbuik. Bijna eentje net zo groot als ik heb. Nog een paar weken en dan is het zo ver. Voor haar heeft het nu al lang genoeg geduurd, ze is het zat. Laatst was ik met haar in gesprek toen een vrouw langsliep die de dikke buik van de buurvrouw was opgevallen.

Zodra bij vrouwen, en met name de wat oudere vrouwen die zelf ook kinderen hebben, een zwangere vrouw in het oog springt weten zij altijd direct het geslacht van het ongeboren kind. Zo ook deze vrouw meende het te kunnen zien. “Ach meid zwanger? Wat leuk. O, ik zie het al, je draagt hoog. En als je hoog draagt, dan… En vanmorgen zag ik twee eksters vliegen. En de zoon van mijn zus heet Roy. Roy en boy: het wordt dus een jongen.” Als ik dit soort onzin hoor moet ik mij altijd inhouden om niet te roepen: “Ga weg, heks”. Ik vind dat toch zulke onzin! Natuurlijk heb je vijftig procent kans dat je het geslacht raad, maar om dan allerlei bakerpraat erop los te laten en daar je bevinding aan te staven. De overbuurvrouw reageerde verder niet, gelukkig.

Dat doet mij denken aan de periode dat mijn vrouw in verwachting was. Toen mijn vrouw van onze oudste  in verwachting was kwam ook het onderwerp ‘zwangerschapsgym’ ter sprake. Ik stelde mij er het volgende bij voor: rennende zwangere vrouwen om al te oefenen hun weggelopen kind te grijpen. Zwangere vrouwen die over hekjes springen, denk aan het stukje hiervoor, je bent je kind kwijt dus hop over een hekje achter je kind aan. Touwtje springen, want wat is er nou leuker dan met je dochtertje samen touwtje te springen. Kogelstoten: voor als je kind verder weg is gerend maar wel binnen bereik van een steentje, nou ja uh….kei, zodat je het kind uit kunt gooien en het snel kan pakken. Maar al deze dingen waren het niet. “Vaders wilt u wel ter ondersteuning van uw partner meezuchten”. Nou ik heb wat zuchten gelaten zeg. Ik heb gekreund, gesteund. Dat vonden ze dan weer overdreven. Onzin vond ik het, maar ik deed wel braaf mee!

Eindelijk was het zover, de geboorte van onze oudste dochter diende zich aan. Omdat we nog zo bleu als een zeehond waren namen we maar wat stripboeken mee naar bed om de tijd wat door te komen. Met een paar uurtjes was het wel gepiept toch? Na meer dan vierentwintig uren waarbij mijn vrouw de ene na de andere wee te verduren kreeg en de pijn helser werd kwam de verloskundige. Ik wist niet eens of ik wel mocht bellen. Ja, je mocht bellen als de weeën om de twee minuten kwamen. Dat deden ze, even later was het weer om de drie a vier minuten. Dan weer om de twee minuten. Dus toch die vroedvrouw, wat een titel, gebeld.

Na veel geworstel, ik werd door mijn lieftallige vrouw gebeten, geslagen, mijn tepel omgedraaid, geknepen, uitgescholden, was er een hoofdje zichtbaar. Nou ja, een plukje zwart haar, een kruintje. De raarste scheldwoorden kreeg ik van mijn lief naar mijn hoofd geslingerd, en het waren geen woorden als: nare man, verdikkie het doet een beetje zeer of potjandikkie dommerd. Nee, als je de scheldwoorden weglaat zei ze praktisch niks. Maar ze zei er wel bij dat ze het niet meende. Het kwam door de pijn en de vermoeidheid.

De vroedvrouw, vroedvrouw wat een woord he,  zag nu het hoofdje verschijnen. “Nu gaat het heel snel hoor meneer Brand”; zei ze. Eigenlijk had ik op dat moment verwacht dat ze zou zeggen: “Meneer Brand pak uw keepershandschoenen maar en neem uw positie in bij het raam het kan nu elk moment gebeuren. Ja, daar komt het en… vangen!” Een snelle graai in de linkerbovenhoek bij het raam… en ik was ineens vader. Ja wist ik toen veel. Toen had ik nog geen ervaring in dat soort dingen.

Die baby’s, als ze net geboren zijn, dan poepen ze van dat… zachtgewordenhard. Wat gelige prut. En stinken! Een volwassen vent zou er trots op zijn.

Ook zo iets waar ik totaal van slag van raakte: Na de geboorte van onze oudste kregen wij regelmatig ‘controle’ van een Hindoestaanse vrouw van het consultatiebureau (in het kort noemde ik dat altijd; het consulaat). Mijn vrouw had al dagen na de geboorte enorme buikpijn. De Hindoestaanse vrouw eiste het megamaandverband, zeg maar matras, van mijn vrouw op. Het zat heel begrijpelijk onder het bloed. Ze hield het dicht onder haar neus en met een goede snuif wist ze het zeker: baarmoederontsteking. “Dat kun je direct ruiken meneer Brand”. En prompt duwde ze die gebruikte, bebloede maandverband pal onder mijn neus. Ik maakte een wegtrekkende, bijna kokkende beweging om zo snel mogelijk bij die vieze lap weg te komen. “Kom op, ruik dan”; riep die heks. O, als ik er nog aan denk krijg ik kippenvel. Boe, zo vies.

Andere overburen hadden na een dochter te hebben gekregen nog een kinderwens. En na wat ‘oefenen’ bleek buurvrouw inderdaad zwanger. Tijdens de regelmatige controle bleek dat zij niet één maar twee baby’s kon verwachten. Tja, dat was niet gepland. Alles moest dubbel aangeschaft worden. Vervelend. Lastig. Niet leuk. Hoe dit te doen? Hoe moesten zij dit nu toch aanpakken? Paniek.

Na de bevalling was het zelfs zo dat opa en oma bijna dagelijks over de vloer kwamen om mee te helpen met de verzorging van de kinderen, het huishouden te doen, boodschappen doen en eten koken. Lief hoor, van die opa en oma, maar wie wilde nou kinderen? Echt zowat elke dag kwamen opa en oma langs. Soms zelfs zo vroeg dat de gordijnen nog niet open waren en pa en moe nog op bed lagen. De baby’s werden uit bed gehaald en in badje gedaan. Pa en moe mochten nog wel blijven liggen. Kinderen grootbrengen en opvoeden is tenslotte zwaar, heel zwaar werk.

Ook zo iets; zien volwassenen een baby in een kinderwagen, dan veranderen ze in volslagen malloten. “Kijk nou, koetsjie koetsjie koetsjie.” Alsof de baby doof is: “Hebbie dan van die kleine voetjes. Hebbie dan van die kleine voetjes?” “Huttepuh, jaha, huttepuh. Wat doet ie dan, he? Wat doet ie dan?” Alles wordt minimaal twee keer herhaald alsof het kind al dement en doof is voordat het naar de dagopvang gaat. Verschrikkelijk. Zo’n baby kan nog niet eens praten. Laat staan dat het kind het verstaat.

Moet je je eens voorstellen dat iemand zo tegen een volwassenen praat. Dat duurt dan ook niet echt lang. Dan komen op aanwijzing van de buren vanzelf die mannen met die witte jassen uit een geblindeerd busje en doen je een pyjama aan waarvan de mouwen op de rug vast kunnen. Dat is makkelijk zeg.

Overigens ik ben nu ook in verwachting; ik wil zo graag een huisje in Frankrijk kopen. Of telt dat niet?

 

In verwachting

De overbuurtjes zijn in verwachting. Zij heeft echt een flinke bolle toeter. Nog een paar weken en dan is het zo ver. Voor haar heeft het nu al lang genoeg geduurd, ze is het zat. Laatst was ik met haar in gesprek toen een vrouw langs liep die de dikke buik van de buurvrouw was opgevallen.

Zodra bij vrouwen, en met name de wat oudere vrouwen die zelf ook kinderen hebben, een zwangere vrouw in het oog springt weten zij altijd direct het geslacht van het ongeboren kind. Zo ook deze vrouw meende het te kunnen zien. “Ach meid zwanger? Wat leuk. O, ik zie het al, je draagt hoog. En als je hoog draagt, dan… En vanmorgen zag ik twee eksters vliegen. En de zoon van mijn zus heet Roy. Roy en boy: het wordt dus een jongen.” Als ik dit soort onzin hoor moet ik mij altijd inhouden om niet te roepen: “Ga weg, heks. Start je bezem!”. Ik vind dat toch zulke onzin! Natuurlijk heb je vijftig procent kans dat je het geslacht raad, maar om dan allerlei bakerpraat erop los te laten en daar je bevinding aan te staven. De overbuurvrouw reageerde verder niet, gelukkig.

Dat doet mij denken aan de periode dat mijn vrouw in verwachting was. Toen mevrouw Brand van onze oudste in verwachting was kwam ook het onderwerp ‘zwangerschapsgym’ ter sprake. Ik stelde mij er het volgende bij voor: rennende zwangere vrouwen om al te oefenen hun weggelopen kind te grijpen. Zwangere vrouwen die over hekjes springen, je bent je kind kwijt dus hop over een hekje achter je kind aan. Touwtje springen, want wat is er nou leuker dan met je dochtertje samen touwtje te springen. Kogelstoten: voor als je kind verder weg is gerend maar wel binnen bereik van een steentje zodat je het kind uit kunt gooien,het snel kunt pakken, drie tikken op zijn bek te geven en “Buut vrij” te roepen. Maar al deze dingen waren het niet. “Vaders wilt u wel ter ondersteuning van uw partner meezuchten”. Nou ik heb wat zuchten gelaten zeg. Ik heb gekreund, gesteund. Dat vonden ze dan weer overdreven. Onzin vond ik het, maar ik deed wel braaf mee!

Eindelijk was het zover, de geboorte van onze oudste dochter diende zich aan. Omdat we nog zo bleu als een zeehond waren namen we maar wat stripboeken mee naar bed om de tijd wat door te komen. Met een paar uurtjes was het wel gepiept toch? Na meer dan vierentwintig uren waarbij mevrouw Brand de ene na de andere wee te verduren kreeg en de pijn helser werd kwam de verloskundige. Ik wist niet eens of ik wel mocht bellen. Ja, je mocht bellen als de weeën om de twee minuten kwamen. Dat deden ze, even later was het weer om de drie a vier minuten. Dan weer om de twee minuten. Dus toch die vroedvrouw, wat een titel, gebeld.

Na veel geworstel, ik werd door mijn lieftallige vrouw gebeten, mijn tepel omgedraaid, geknepen, uitgescholden, was er een hoofdje zichtbaar. Nou ja, een plukje zwart haar, een kruintje. De raarste scheldwoorden kreeg ik van mijn lief naar mijn hoofd geslingerd, en het waren geen woorden als: nare man, verdikkie het doet een beetje zeer of potjandikkie dommerd. Nee als je de scheldwoorden weglaat zei mevrouw Brand praktisch niks. Maar ze zei er wel bij dat ze het niet meende. Het kwam door de pijn en de vermoeidheid.

De vroedvrouw, vroedvrouw wat een woord,  zag nu het hoofdje verschijnen. “Nu gaat het heel snel hoor meneer Brand”; zei ze. Eigenlijk had ik op dat moment verwacht dat ze zou zeggen: “Meneer Brand pak uw keepershandschoenen maar en neem uw positie in bij het raam het kan nu elk moment gebeuren. Ja, daar komt het en… vangen!” Ja wist ik toen veel. Toen had ik nog geen ervaring in dat soort dingen.

Die baby’s, als ze net geboren zijn, dan poepen ze van dat zachtgeworden hard. Wat gelige prut. En stinken!

Ook zo iets waar ik totaal van slag van raakte: Na de geboorte van onze oudste kregen wij regelmatig ‘controle’ van een Hindoestaanse vrouw van het consultatiebureau (in het kort noemde ik dat altijd; het consulaat). Mevrouw Brand had al dagen na de geboorte enorme buikpijn. De Hindoestaanse vrouw eiste het megamaandverband, zeg maar matras, van mijn vrouw op. Het zat heel begrijpelijk onder het bloed. Ze hield het dicht onder haar neus en met een goede snuif wist ze het zeker: baarmoederontsteking. “Dat kun je direct ruiken meneer Brand”. En prompt duwde ze die gebruikte, bebloede maandverband pal onder mijn neus. Ik maakte een wegtrekkende, bijna kokkende beweging om zo snel mogelijk bij die vieze lap weg te komen. “Kom op, ruik dan”; riep die heks. O, als ik er nog aan denk krijg ik kippenvel. Boe, urgh, zo vies.

Andere overburen hadden na een dochter te hebben gekregen nog een kinderwens. En na wat oefenen bleek buurvrouw inderdaad zwanger. Tijdens de regelmatige controle bleek dat zij niet één maar twee baby’s kon verwachten. Tja, dat was niet gepland. Alles moest dubbel aangeschaft worden. Vervelend. Lastig. Niet leuk. Hoe dit te doen? Paniek. Na de bevalling was het zelfs zo dat opa en oma bijna dagelijks over de vloer kwamen om mee te helpen met de verzorging van de kinderen, het huishouden te doen, boodschappen doen en eten koken. Lief hoor, van die opa en oma, maar wie wilde nou kinderen? Echt zowat elke dag kwamen opa en oma langs. Soms zelfs zo vroeg dat de gordijnen nog niet open waren en pa en moe nog niet eens wakker.

Ook zo iets; zien volwassenen een baby in een kinderwagen, dan veranderen ze in volslagen malloten. “Kijk nou, koetsjie koetsjie koetsjie.” Alsof de baby doof is: “Hebbie dan van die kleine voetjes. Hebbie dan van die kleine voetjes?”

“Huttepuh, jaha, huttepuh. Wat doet ie dan, he? Wat doet ie dan?” Alles wordt minimaal twee keer herhaald alsof het kind al dement en doof is. Verschrikkelijk. Zo’n baby kan nog niet eens praten. Laat staan dat het kind het verstaat.

Moet je je eens voorstellen dat iemand zo tegen een volwassene praat. Dat duurt dan ook niet echt lang. Dan komen op aanwijzing van de buren vanzelf die mannen met die witte jassen uit een geblindeerd busje en doen je een pyjama aan waarvan de mouwen op de rug vast kunnen. Dat is makkelijk zeg.