Buitenkantoor

Met regelmaat krijg ik de vraag of stel ik de vraag zelf om nader met iemand kennis te maken. Mensen in je netwerk leren kennen, eens in real life ONT-moeten en zien wie er achter een profiel of foto ‘schuil gaat’. ONT-moeten, want niks moet. Als snel volgen er in het gesprek altijd twee vragen: wanneer? En waar? Soms ga ik naar het kantoor- of bedrijfspand van mijn gesprekspartner maar met regelmaat vindt het gesprek in mijn ‘buitenkantoor’ plaats. Al wandelend leer ik de mensen kennen en zij mij. Al gauw leer ik dat de mensen deze manier van afspreken niet gewend zijn. Twee dagen voor de afspraak hoor ik al de worsteling: “Het gaat waarschijnlijk regenen” of “Het wordt slecht weer”. En “Gaan we ver?” Een wetenschap heb ik in de jaren dat ik zo afspreek wel geleerd: er is geen slecht weer, er is slechte kleding.

En, ik heb het echt meegemaakt, af en toe word ik zelfs nog verrast als de bewuste dame waar ik mee heb afgesproken aan komt rijden en vervolgens uitstapt met een witte broek aan in combinatie met witte schoenen met hoge hakken. Ik moet zeggen, dan gaat mijn lampie wel eens bijna uit. Mannen zijn overigens niet veel beter hoor. Strak in het pak over de blubberige bospaadjes wandelen schijnt hen niet te deren,… totdat we bij de auto’s aankomen. “Shit! Kijk nou! En vanmiddag heb ik een andere afspraak!” En ja, de modderspetters zitten op de broek en op de schoenen. Toch ervaren de mensen de wandelende kennismaking als prettig en voelt het echt.

Tijdens de wandeling kijk je elkaar vaak niet recht in de ogen aan omdat we naast elkaar wandelen. Dit heeft als psychologisch voordeel dat mensen meer durven te vertellen. Omdat ik deze vorm van afspreken gewend ben en weet wat ik ongeveer kan verwachten stel ik meestal een aantal vragen. Mijn gesprekspartner gaat dan vanzelf vertellen. Mijn gesprekspartner is dan zo aan het vertellen dat ik precies te weten kom wat ik wil weten en wat mensen nou echt beweegt. Na afloop realiseren mijn gesprekspartners vaak dat zij het meest aan het woord geweest zijn en dat zij nauwelijks iets van al dat natuurschoon gezien heeft. En dat geeft voor mij en voor dat moment niks. De eerlijkheid en de oprechtheid zijn eruit gekomen in het gesprek, en daar ben ik juist op uit. Mooie metafoor: samen op weg naar een echte ontmoeting.

Heerlijk zo’n buitenkantoor.

buitenkantoor

Advertenties

Strandwandeling

Daar lopen ze dan, op het strand. Soms hand in hand als een paar pubers, dan weer lopen ze tientallen meters bij elkaar vandaan. Bij hem brand het zonnetje op zijn kale bats. Zij voelt zich lekker bij deze warme temperatuur. Allebei turend naar de grond langs de vloedlijn. Turend naar speciale schelpen, van die pikzwarten. Zoekend naar ei-kapsels van roggen. Speurend naar ruggegraten van de sepia (inktvis). Af en toe worden ze voorbij gereden door een paar strandzeilers. Het strand is er breed genoeg voor. Al mijmerend lopen ze voort. Als zij opkijkt van haar ‘missie’ ziet ze dat ze weer een dorpje gepasseerd zijn. De bunkers staan als verlaten monumenten aan de rand van de duinen. Stille getuigen van iets wat we niet meer willen meemaken.

Hoe het komt weet hij niet, maar ineens moet hij door een passant aan meneer De Waard denken. Meneer De Waard was zijn wiskundeleraar op het voortgezetonderwijs. Een angstaanjagende, lelijke man. Rood lang haar met bovenop zijn kruin zo’n kalend kapelaan Oudekerken-plekje. Hij droeg altijd een zwarte jas van het merk Jopper, afgewerkt met een lange gebreide oranjekleurig sjaal. Als hij voorbij fietste naar de andere locatie wapperde zijn haren en zijn lange sjaal in de wind. Als je schuin keek leek het net of hij zijn bezemsteel aan het aanlopen was. Voor een universiteit of een HBO zal het wel een perfecte docent geweest kunnen zijn. Voor een MAVO echter was het een hork. “Woensdag : groen = 12. Oh het is toch zo makkelijk. Waarom snappen jullie dit dan niet? Jullie snappen echt niks. Jullie horen geen van allen hier op school. Veel te dom.” En daar kon je het dan weer even mee doen.

Maar terug naar het strand. Van alles kom je op het strand tegen: aangespoelde visnetten, grote stukken kurk, stukken plastic, een krab die je vervaarlijk aanstaart en bij nader onderzoekt blijkt zijn buik volledig leeggegeten. Zelfs wijnflessen en hagelgeweerpatronen liggen er langs de vloedlijn. De aangespoelde visnetten, stukken kurk, plastic en de krab snapt hij wel. Hoewel, als hij de verpakking van 1 kilogram geraspte kaas ziet moet hij toch ook wel denken wat je hier dan van wilt maken. 1 kilogram is wel heel veel. De wijnfles, ook daar is als verklaring een mogelijk feestje op het strand aan te geven. Maar de geweerpatronen, dat is raar. Je gaat niet zomaar schieten op zee en zeker niet met hagel. Maar ook hiervoor is even later een verklaring voor: een mosselvisser is met-ondersteunend-afschot in de richting van zijn mosselvelden op de stormbrekerpalen aan het schieten om de meeuwen te verjagen bij de nog jonge mosseltjes.

De koperen ploert zakt langzaam richting het water. Uren hebben zij langs de vloedlijn geraapt en gewandeld en dezelfde weg moeten zij terug naar de auto. Dan is het natuurlijk wel uitkijken voor een tennisarm en een parasolvoet.

Zwaar weer

Dit weer doet mij denken aan mijn uitstapjes op onze vakantiebestemming. Warm weer, dan wordt het al snel strand met een picknickmand met daarin een stokbrood, wat worst, een geitenkaasje waarvan de lucht doet vermoeden dat je een veenlijk in de picknickmand hebt liggen. En natuurlijk mag een flesje lekkers niet ontbreken. Niet zo maar een dag ritueel verbranden zoals ze in India doen. Nee, lekker samen langs de vloedlijn banjeren. Van badplaats naar badplaats wandelend. Af en toe met de voeten in het water spatterend. Schelpen en mooie steentjes zoekend langs de vloedlijn. Uren lopen. Kale bats glimmend in het zonnetje. En als je moe bent ergens neerploffen in het zand en dan de inhoud van de picknickmand soldaat maken. Na een weldadige maaltijd schommelend door het flesje lekkers weer verder wandelen en op de terugweg op de rotsen mosselen en oesters zoeken zodat je die bij thuiskomst lekker kunt opsnoepen. ’s Avonds tot de conclusie komen dat vrouwlief weer bruiner is geworden dan dat ze al was en ik egaal aubergine van kleur ben omdat ik voor de zoveelste keer door het zonnetje verbrand ben.

Bewolkt, maar droog weer, betekent lekker op de fiets langs velden met koolzaad, zonnebloemen of lavendel (als dat er is) fietsen. Reeen kijken die zich aan de bosrand tegoed doen aan het malse gras. Bij stroomversnellinkjes en snelstromende beekjes kijken hoe de eendjes zich uit de naad zwemmen om tegen de stroom in te komen. Bij een beekje kijken naar de muskusrat die al zwemmend op zoek is naar eten. In de tarwevelden een klucht met patrijzen zien wegrennen om te ontkomen aan ons oog. Bij een meertje zien hoe uit het rimpelloze water met enige regelmaat een vis opspringt uit het water om een vlieg te verschalken. Een forel of zalm misschien?

Koud en regenachtig weer, zwaar weer, kan wat problemen geven. Het betekent bezoek aan een grotere plaats of stad en winkelen. Ik ben niet zo van het winkelen. Het winkelen is voor mij te vergelijken met… um… het poepen van punaises of zo iets. Het poepen is niet erg, maar de hoeveelheid prikkels wel. De andere mogelijkheid met dit weertype is het bezoeken van een hypermarche. Dit geeft mij rust.  Heerlijkheden in overvloed. De hypermarche is airconditioned en biedt alles wat een Bourgondiër nodig heeft om zijn ‘honger’ te stillen. Een lokale overdekte markt is een tempel van positieve impulsen. Dan moet ik echt worden vastgehouden om niet tot impulsaankopen over te gaan. Lokale worsten, stinkkazen, rillettes, een romige paté, een flesje lekkers, vers fruit of lekkere vis of vlees daar val ik voor. Ik verlies volledig mijn controle en zelfbeheersing op zo’n markt. Alles ruikt lekker. De sfeer op de markt is heel relaxed. Maar ik ben te opgewonden van de indrukken. Dan verkeer ik pas in zwaar weer.

LeTouquet5