Kerst 15 jaar later

Het was half november en eigenlijk best warm voor de tijd van het jaar. De peren konden nog laat geoogst worden. Op z’n dooie akkertje liep Tim door de sluimerende bossen, de Draadhaar volgde hem op een afstandje. Hij had zojuist de kippen gevoerd, en Stanley, de Haflinger, vanuit de stal de wei in gestuurd. De Haflinger kon nog lekker in de wei even de benen strekken.

En hier liep hij dan met z’n hond, in gedachten verzonken, langs de hoge iepen en kastanjebomen. Denkend aan Sophie, zijn nichtje, hoe zij 15 jaar geleden Gabber, de Draadhaar kreeg. Gabber, gevonden in het bos, cadeau gedaan als kerstgeschenk. Alles was nog zo onbezorgd. En nu,… nu had hij een luxe probleem. Of gaan wonen in het koetshuis of in de pastorie.

Van Bertus, een bevriende boer waar hij als drijver wel eens meeging tijdens de drijfjachten, kreeg hij te horen dat de pastorie van Cillaarshoek verhuurd zou worden. De vertrekkende dominee had het ambt aanvaard in het kleine dorpje Voorst, ver weg op de Veluwe. De nieuwe dominee woonde drie dorpen verderop, maar was niet van plan te verhuizen. Hij ging altijd ter kerke in zijn open rijtuig, dus een stukje verder rijden was geen bezwaar.

De pastorie onbewoond laten was voor de kerkenraad geen optie. Leegstand van de pastorie betekende verval van het prachtige 19e eeuwse pand. Maar, niet iedereen kwam in aanmerking om de pastorie te bewonen. Voorzichtig had hij de kerkenraad aangeboden tijdelijk in de pastorie te willen wonen en tevens de naastgelegen kerk te onderhouden. De ouderlingen zouden dit overleggen in de kerkenraadsvergadering, pas dan zou er een beslissing genomen worden. Bij de ouderlingen was bekend dat hij goed was in houtsnijwerk, en zijn schilderwerk en het herstellen van meubels was in de wijde omgeving bekend. Vooral om zijn politourwerk was hij vermaard. Tot zelfs in Rotterdam wisten de mensen de weg naar zijn schamele woninkje te vinden.

Tja, toen meneer Hofland hem aanbood het koetshuis van landgoed De Brandenburcht te gaan bewonen, wist hij werkelijk geen woord uit te brengen. Zeker nu zijn Esther 7 maanden zwanger was van hun eerste kindje, was een groter huisje zeer gewenst. Laat staan het koetshuis van de Brandenburcht. Dat zou een enorme vooruitgang zijn. En een prachtig huis én gelijk een betrekking bij meneer Hofland.

Nog geen twee dagen later maande ouderling Van Goor hem even bij hem te komen. Hij had goed nieuws. Als hij de kerk wilde onderhouden en de kansel wilde voorzien van nieuw houtsnijwerk, mocht hij tegen een gering bedrag de pastorie bewonen; totdat de huidige dominee weg zou gaan en een nieuwe dominee weer aanspraak zou maken op de pastorie. Een lot uit de loterij, maar wat moesten zij besluiten? Jarenlang woonden ze in een klein arbeidershuisje achter de boerderij van herenboer Strijbeek en werkte hij als knecht op de boerderij.

Met ferme pas liep hij door het bos, af en toe wachtend op Max, de Draadhaar. Al peinzend en zich afvragend wat te doen, slenterde Tim verder langs de vaart bij het bos. Af en toe schopte hij een steentje in de vaart. Nog hoort hij zijn moeder zeggen: “Tim, kleine mensen hebben kleine problemen, grote mensen hebben grote problemen.”

Weggaan bij boer Strijbeek zou hem niet in dank worden afgenomen. Wonen in het koetshuis en werken op de Brandenburcht was een mooi vooruitzicht, maar naast de kerk in de pastorie wonen had eigenlijk zijn voorkeur. Ze zouden dan dicht bij zijn vader en moeder komen te wonen, op maar 5 minuten lopen bij hen vandaan. Ongemerkt was het al schemerig geworden en spoedde hij zich naar huis. Hij zou Esther het heugelijke nieuws gaan vertellen. Samen zouden zij er wel uitkomen.

Toen hij het paadje naar het huisje op liep, kwam Esther hem al tegemoet. Liefdevol omhelsde hij haar. “Ik heb goed nieuws,” zei hij. “Er komen twee woningen beschikbaar. Het koetshuis en de pastorie. Alleen de pastorie komt eerder beschikbaar.” Dan zou hun kindje mooi na de kerstdagen in de pastorie geboren kunnen worden. De keuze was eigenlijk snel gemaakt. De pastorie zou het worden, die zou al op 10 december beschikbaar zijn. Dat zou betekenen dat hij precies 14 dagen de tijd had tot aan kerst om de pastorie in te richten naar hun eigen smaak. Wat een rijkdom was dat. Hij liep naar de houtmand, pakte twee houtblokken en legde deze op het vuur. De houtblokken knetterden. Max krulde zich helemaal op bij de stookplaats. Naast het theemeubel zat Minet, de poes, met de voorpootjes plat en de achterpootjes wiebelend klaar om in de aanval te gaan. Een muisje schoot bliksemsnel weg door een gaatje in de dunne muur. Esther had de tafel gedekt en de pan bruine bonensoep op tafelgezet. Zij vouwden hun handen en prevelden hun avondgebed. Zij schepte de borden lekker vol. De soep dampte uit de borden. Behoedzaam scheurde hij een stukje bruin brood af om in de soep te soppen. Max gromde in z’n slaap en trok af en toe met een poot.

Weken hadden zij ernaar uitgekeken. Traag waren de dagen verstreken. Eindelijk was het zover, 10 december, de pastorie kon betrokken worden. Van ouderling Van Goor hadden zij de sleutel gekregen. Trots, maar bovenal met veel dankbaarheid liepen zij voor het eerst door hun nieuwe huis. Prachtig was het. Stenen muren, goed sluitende deuren, drie echte slaapkamers, een afzonderlijke keuken met een hout gestookt fornuis. En dan om het huis: een prachtige voortuin, een grindpad tot aan de voordeur, een tuindeur naar de achtertuin, en in de achtertuin twee perenbomen, een mispel en een appelboom. Dan over de sloot nog een moestuintje. Goh, wat voelden zij zich rijk. Nog nooit hadden zij een tuin gehad, en nu hadden zij er twee en nog een moestuintje ook.

’s Avonds hoorden zij het koor repeteren voor de kerstdienst. “Ere zij God” hoorde hij zingen.

Het enige wat hem echt zorgen baarde was eten voor de kerstdagen. Er waren nog wat aardappelen en wat appels. Vlees was er niet, het spelt voor het brood was op, er waren nog drie eieren van de twee kippen die zij van boer Bertus cadeau gekregen hadden.

Nog twee dagen dan is het kerstmis. Elk moment kon Esther bevallen. Hij moest denken aan wat boer Bertus gezegd had: “Maak je geen zorgen, de Heer zal in alles voorzien. Alles komt goed.”

De volgende morgen kwam boer Bertus met z’n boerenkar bij de pastorie voorrijden. “Tim, wil je mee naar Hofland? Ze komen een drijver en een hond tekort.” En óf Tim dat wilde. Met een trap tegen de kont van de hond maande hij de hond wakker te worden. Snel trok hij een extra trui en z’n jekker aan en haastte zich naar de kar van boer Bertus.

Na een gure jachtdag kwam hij thuis met een fazant en een haas. Meneer Hofland had hem als drijver eerste keus uit het tableau gegeven, vanwege kerst en vanwege de op handen zijnde bevalling. Drijvers doen het zwaarste werk, had meneer Hofland gezegd, want die dragen de hele dag het wild. Esther kon haar tranen niet bedwingen van geluk. “Zie je wel Tim, boer Bertus heeft gelijk: de Heer voorziet in alles.”

Wat later op de middag kreeg zij stekende buikpijn, de bevalling zou niet lang op zich laten wachten, zei ze.

Om kwart over elf ’s avonds werd er op de deur geklopt. Boer Bertus kwam een zak spelt, een emmer stoofperen en een groot stuk buikspek brengen. “Voor kerst, jongen, dan kunnen jullie spek-met-peren eten,” zei hij. Vanuit de deuropening zag hij de mensen de kerk binnengaan voor de kerstnachtdienst. Even keek hij omhoog naar een toch wat erg heldere ster. Tim was dankbaar, erg dankbaar. Alles komt dus echt goed, je moet het alleen geloven.

Die avond, precies op kerstavond, werd hun zoon Harm geboren.

Uit: Jachtige Krabbels. auteur: Jan Brand

Advertenties

Vroeger jongen. Vroeger…

Haalden we vroeger geen kattenkwaad uit? Natuurlijk wel. We deden een krant over een hondendrol die op de stoep lag en staken die aan. Geheid dat een voorbijganger de in brand staande krant probeerde uit te trappen, met de nodige gevolgen aan de schoen.

Iedereen rookte toen. Het was tenslotte maar raar als je niet rookte. De sigaretten en de pijpen werden aangestoken met een lucifer. Als snotneus raapte je een lucifer op. Maakte er een puntje aan en vervolgens vrotte je dit in de deurbel van een woonhuis. De deurbel bleef dan afgaan. En dan niet weglopen he, maar vragen of de mensen nog oude kranten hadden.

Rond oud en nieuw wanneer je vuurwerk had gehaald stopte je een rotje in een hondendrol en stak het rotje aan. De spetters met stront zaten na het ontploffen overal op de begroeien van het perk.

Ook bonden we een stuk visdraad aan een oude portemonnee en legden de portemonne op een strategische plek. Zelf zaten we verscholen achter een muurtje of een auto. Als iemand zich bukte om de portemonnee op te rapen gaf je een ruk aan het draad en de portemonnee schoof weer in onze richting.

Met een stuk PVC-pijp en wat stroken tijdschriftenpapier. Schoten we handgedraaide pijlen in de half openstaande slaapkamerramen. Allemaal onschuldige dingen.

Als je vroeger meer geld in je zak wilde dan uitsluitend je zakgeld, dan ging je kranten rondbrengen om vijf uur ’s morgens. Of je had een weekendbaantje bij de bakker of bij de supermarkt. 

Tegenwoordig heeft de jeugd geen respect meer voor anderen of andermans spullen. En daar maak ik mij best zorgen om. De excessen zijn zo extreem geworden dat ik mij afvraag waar dit eindigt. 

Als de jeugd geld nodig heeft kweek je gewoon een hoeveelheid wiet, dan hoef je je een aantal maanden echt niet meer zuinig te zijn. En ik weet wel er zijn gelukkig nog steeds goede jongenlui, maar af en toe denk ik nog wel eens terug aan die oude tijd.

Het is nu kennelijk een sport om 10 centimeter lange spijker rechtop tegen een autoband te zetten. Als de auto wegrijdt krijgt de bestuurder vanzelf een lekke band. Of een kreet op een autoportier krassen. Ja leuk! Wat ook erg leuk is: een deuk in het autoportier schoppen als je langs fietst of de buitenspiegel al rijdend eraf trappen. Na een avondje stappen is het trouwens best wel stoer als je via de motorkap op het dak van een auto durft te dansen. Dat de eigenaar van de auto onnodige kosten te verduren krijgt is voor de dader totaal oninteressant. Wat maakt dat nou uit? We hebben toch weer even lol gehad.

Maar het summum van je mannelijkheid tonen is een willekeurige voorbijganger bewusteloos slaan en schoppen. Tja, had die kerel maar niet verkeerd moeten kijken toch? Ik weet niet hoe je verkeerd kan kijken. Of zou het zijn dat je met je ogen dicht probeert te kijken? Geen idee. Nooit is het een tegen een, het is altijd een groepje tegen een persoon. De helden.

Tja ook ik heb het moeten ontgelden. Al het gene wat ik hier beschrijf is mij overkomen. Nu ligt de buitenspiegel er weer af. Zucht…