Goede voornemens

De kerstdagen redelijk goed doorgekomen. Het gezin bijeen, mijn vader aanwezig in deze drukte. Wat genoot die man van alle gesprekken en het eten. Ja, ook daar hadden we aardig wat werk van gemaakt. Buikspek als een rollade gekruid en opgebonden en 8 uur langzaam in de oven laten garen. Glaasje lekkers erbij.

MijnLief was al grieperig, maar dat zette nu ineens meer door. Snotterend en proestend vergleden de dagen voor haar. Bij mij liet mijn rug mij in de steek en strompelend als een honderdjarige ‘ kroop’ ik door het huis. Met twee avonden niet kunnen praten sloot ik deze feestdagen af. En als ik die dagen een cijfer moet geven: een dikke acht. Simpelweg omdat mijn kinderen, mijn kleindochters en mijn vader genoten van het samenzijn.

Nu staat oud en nieuw op de stoep. Ik haal weer allerlei goede voornemens uit de kast; afvallen, rustmomenten, alleen maar doen wat ik leuk vind. Of zal ik eens lekker recalcitrant zijn en gewoon mijn baard en buik laten staan in het nieuwe jaar?

Advertenties

(G)een doorsnee dag

Daar zit ie dan om 07:00 uur al aan het werk. Mijn vader en moeder zijn naar het werk. Daar zit ik dan, lekker bij opa op zijn arm en zelf is ie ook aan het werk. Jawel vanuit het huis van mijn vader en moeder. Zijn electronische schrijfkastje mee, dat gekke praatkastje bij de hand. En met die spullen bij de hand ‘regeert’ ie de grote mensen van die school waar hij nu voor werkt. En het lukt hem nog ook. Zelfs met mij, die kleine broekpoeper op zijn arm. Met 1 hand bedient hij dat schrijfkastje. Dan weer met dat praatding aan zijn oor. En ik luister lekker mee. Ik ben hartstikke nieuwsgierig omdat ik iemand anders uit dat oorkastje hoor praten. “Uhrrruh mmgguh”; maar ze snappen niet wat ik zeg. “Volgens mij is er wat storing op de lijn Jan”; zegt iemand anders in het oor van opa aan de andere kant. Ik lach. Als ik heb opgehangen loopt opa al zingend met mij, zijn kleine badmuts op de arm, rondjes in de huiskamer. Hij lacht ook. Het is ook zo’n rustige, vrolijke man. Ik geniet met volle teugen. Mijn opa, kun je nog trotser zijn?

Fuck-it list en gedachten opruimen

Ken je dat, dat je ineens denkt: ‘Ik ben er helemaal klaar mee’? Nou, dat gevoel heb ik nu dus. Even een beeld schetsen hoe dit ontstond: de stortbak van het toilet was kapot. Vervangen was de enige optie, dus op richting bouwmarkt. Aldaar is het zoeken geblazen naar de juiste bak bij de juiste plee. Al zoekend kom je tot de conclusie dat een plee van 30 jaar oud en een modern hedendaags toilet even niet helemaal met elkaar verenigd willen worden. Iets met andere diameters en aansluitingen. Maar goed de oude stortbak verwijderd en de nieuwe opgehangen. Dan is het grote moment daar; nieuw aansluiten op oud. Dussss….. als je alle vloeken weglaat, dan heb ik een uur lang niets gezegd. Tijdens het omhelzen van de pot waarbij ik in een voor mij aardig onbekende houding lag werd er aangebeld. Gehaast wurm ik mij uit mijn ongebruikelijke positie, mijn knie nog even flink stotend aan de pot. Bezweet en geïrriteerd opende ik de deur en de reclamemachine in menselijke gedaante stak van wal: “Goeoeoede..middag, ik ben Pierre van Nuon en……” “Nou en!”; schold ik naar de man en smeet met een knal de deur dicht. Ik kreeg een vage indruk dat de man verbaasd was, maar goed, ik dook weer in mijn pothouding. Later dacht ik heel kort dat dit misschien niet geheel netjes was, maar fuck-it dacht ik. En zo kwam de gedachte boven borrelen van een fuck-it-list.

Dan wordt het tijd voor een soort algeheel gevoel van fuck-it allemaal. Niets kan mij op dit moment rotten. De moord ermee. Terwijl ik dit zo denk, ontstaan er al snel categorieën in mijn fuck-it list die ik best zou willen delen. Categorieën zoals: het stotteren, werk, vakanties.

Stotteren: Al bijna twee jaar stotter ik. Eerst hele dagen en op dit moment meestal alleen ’s avonds. Voor diegene die mijn berichten enigszins volgen weten dat dit door emoties en vermoeidheid de kop op steekt. Eigenlijk als gevolg van niet of onvoldoende rouwverwerking. Diverse fijne mensen heb ik naar hun laatste rustplaats mogen brengen. Mensen waarmee ik juist zo leuk en fijn onderweg was. Het begon zo’n beetje met Arie, de jagermeester, wat pijn in zijn buik en hij had een hekel aan artsen. “Ja hoor, die maken je beter, ja duhhuh”. Uiteindelijk moest hij eraan geloven en moest naar het ziekenhuis. Een operatie volgde en men kon niets meer voor hem doen. Het ziekenhuis, de plek waar hij niet meer uitkwam. En ja of Rick tijdens de uitvaart het orgel wilde bespelen. “En Jan, wil jij dan in de dienst spreken?” Natuurlijk. De anderen zouden Arie de kerk binnendragen. Bij het binnendragen van de kist in de kerk lag Arie’s patronengordel opgemaakt met bloemen op de kist. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonvader. Hij was niet zo lekker. De zuster van het zorgcentrum gaf aan dat hij maar vast naar zijn kamer moest gaan, ze zou zo bij hem komen met bloeddrukmeter. Even nog de buurman die stond te douchen met de voordeur op een kier de stuipen op het lijf gejaagd door een opmerking: “He Janssen, moet ik even je rug komen wassen, dan moet je wel even de zeep van de grond oprapen?” “Beemer donder op ouwe viezerik!” Hij ging lachend op bed liggen in afwachting van de zuster en sloot met een glimlach zijn ogen om nooit meer wakker te worden. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn schoonmoeder die in een ander zorgcentrum verbleef piepte er ineens tussenuit. Hartinfarct, onverwachts. Eindelijk had zij rust. De dag na de begrafenis lag ik met zeer ernstige hartritmestoornissen getriggerd door een tekenbeet in het ziekenhuis waar de artsen vochten voor mijn leven. Ja, ik piepte er zelf bijna tussenuit. Toen preventief het stilzetten en weer op gang brengen van mijn hart op het programma stond bracht dit wel wat teweeg. Een routineklus, maar toch: “Mevrouw Brand, wilt u straks wel extra afscheid van uw man nemen? We bellen u wel als het gelukt is.” En MijnLief, had het hierdoor extra zwaar te verduren. Net haar moeder begraven en dan afwachten hoe het met mij af zou lopen. De dagen erna dagelijks naar mij op bezoek in het ziekenhuis. Na een week op de Eredivisie van het ziekenhuis mocht ik naar huis. Een jaar heb ik nodig gehad om er weer enigszins bovenop te komen. Het maakte diepe indruk op mij!

Mijn moeder voelde zich niet zo lekker. Dus onderzoek, en nog een onderzoek, nog een onderzoek, en weer een. Nog maar een onderzoek. Niets te vinden. Zo was ze al een jaar verder. Mijn vader wilde een second opinion. Wat het ene ziekenhuis niet vond, vond het andere wel. Alvleesklierkanker! Een k…..tziekte! “Maar snel opereren dokter”; was haar reactie. De arts gaf haar een antwoord wat niemand wil horen. “Mevrouw, al was u 21 en het zag er precies hetzelfde uit als nu dan zouden we ook niet opereren”. Op de vraag hoeveel tijd haar nog restte kreeg zij als antwoord: 3 maanden. Het werden er 3 1/2. Maanden waar ik mijn moeder zag interen van 85 kilo naar 32 kilo. Het maakte diepe indruk op mij!

Telkens was ik de vent die de rots in de branding was. De vent waar iedereen bij kon uithuilen. Mijn schouder was sterk en breed. Niets kon mij van mijn stuk brengen. En iedereen wist dat en maakte hier dankbaar gebruik van. En nu, nu ben ik een huilebalk. Zeker als ik weer niet kan praten of als het praten slechts wat gemummel is. Maar ik heb besloten het achter mij te laten. Alle fijne mensen die er niet meer zijn los te laten. Ik kan er niets aan veranderen. Wel kan ik omzien naar deze mensen met een een gevoel van mooie herinneringen die ik niet wil vergeten. Die herinneringen maken nog steeds diepe indruk op mij, maar met een goed gevoel. Ik ga verder!

Werk: 60 uur werkte ik per week, soms meer. De telefoon stond dag en nacht aan. Elk telefoontje, elk e-mailbericht zou wel eens een potentiële klant kunnen zijn. Dus ik was altijd bereikbaar. Alles moest wijken voor mijn werk. Geld was een geweldige bijkomstigheid. Maar wat als je van het geld niet kunt genieten? Wat als je het geld niet uit kunt geven omdat je het te druk hebt? Die tijd in het ziekenhuis heeft mij aan het denken gezet. 7 dagen lag ik op de Eredivisie van het ziekenhuis. Je hebt dan echt tijd om na te denken omdat de tijd toch stil staat. Na mijn ziekenhuisopname en de Eredivisie aldaar heb ik mij toen voorgenomen om alleen nog leuke opdrachten te aanvaarden. Opdrachten die mij inspireren. Opdrachten die mij een voldaan gevoel geven. Ja, er moet wel brood op de plank komen. Soms doe ik opdrachten gratis. De klanten die ik niets factureer staan soms met open mond te kijken en weten niet wat hen overkomt. Soms zijn opdrachten zo leuk en speelt geld op dat moment geen rol. En ik ga ervan uit dat als er bij hen ooit eens een vraag komt, dat zij mij aanbevelen. Een soort ambassadeurs van mij en mijn werk zijn ze dan. En het werkt!

Vakanties: Gewoon weer naar zonovergoten witte stranden met overal vrouwen met een klein bikinietje en een broekje met zo’n flosdraadje in hun bilnaad. Zo’n gevarendriekhoekje met touwtjes. Heerlijk! Heel gevaarlijk wat ik nu schrijf, want ik herinner mij zo’n voorval met een gevarendriehoekje met touwtjes. Een voorval van een paar jaar geleden in Schevingen. We hadden bij een strandtentje gereserveerd om eens lekker te eten en te genieten van de zonsondergang. Temperaturen van 30-plus was in die maand heel gewoon, met van die lange zwoele avonden. Heerlijk! Het buitenterras zat helemaal vol. Plots komt er een vrouw met kind van het strand het terras op lopen. De vrouw had niet de intentie om iets te willen eten of drinken, maar wilde vanaf het strand via de kortste weg de boulevard op. De dichtst bijzijnde trap van strand naar boulevard was wel dertig meter verderop dus….juist via het terras van het restaurant. Tot zover is er nog enig begrip voor de vrouw op te brengen, maar… de vrouw had niet zo veel kleding aan. Of eigenlijk ze had niets aan op een ieniemini bikinislipje. Slipje kan je eigenlijk ook niet noemen, het was meer een gevarendriehoekje met touwtjes. En het zat nog hartstikke strak ook. Ze was ook nog eens vrij gezet, had erg grote borsten, en die hingen bijna over haar knieën. Echt, dan schiet mijn schaamhaar zowat uit de krul he. Nee, het was geen fraaie verschijning. Terwijl ik dit met MijnLief bespreek hoor ik de twee jonge stellen achter ons tegen de vrouw zeggen: “Mevrouw, alstublieft zeg, we zitten te eten he?

Maar goed, dat terzijde. Ik ben er inmiddels achter gekomen dat 1 of 2 keer per jaar vakantie inplannen momenteel niet werkt om de ‘accu’ op te laden. Dus fuck-it we kunnen het nu betalen dus wat we sinds enige tijd doen is geen 2 lange vakanties inplannen, maar meerdere kleine vakanties. Weekendjes weg, een midweekje, een weekje naar Praag, Rome, New York, La Bournee, Saarburg, Maastricht, Londen, Aarhus, Dublin of iets dergelijks. elke twee maanden proberen we dit te doen. Telkens weer een lichtpunt om naar toe te leven. En het werkt!

Jagen voelt ook vaak als een soort mini-vakantie. Zeker als het meerdere dagen zijn. Daar moet ik ineens aan denken; jagen in Duitsland. Al weer een tijd geleden overkwam mij dit. Met de honden als drijver mee in een groot revier met uitgestrekte vlaktes, beboste steile hellingen en rotspartijen. De jagers waren al een tijd ervoor naar hun posten op hoogzitten en kansels gebracht. De drijversploeg ging op linie door het veld. Bij de steile hellingen aangekomen keek ik even naar mijn buurdrijvers hoe zij de helling zouden nemen. Nou, het was gewoon ieder voor zich bleek al snel. Met 2 honden door het veld ging heuvelopwaarts fantastisch. Het leken net 2 klimijzers. Ze trokken mij letterlijk omhoog. Toen neerwaarts. De honden zetten zich schrap. Ik ook, alleen hielp dat niet. De grip onder mijn laarzen verdween en voor ik het wist gleed ik met grote snelheid naar beneden, de honden aan de lijnen achter mij aanslepend. Nergens houvast. Ineens gleed ik langs een klein berkenboompje. Ik greep mij vast en niet veel later gleed ik met het berkenboompje in mijn hand verder. Een boomstronk stopte mijn val. Met mijn Knabbel en Babbel er bovenop. Het enige wat er dan door je heen gaat en langzaam ergens naar je buik kruipt is pijn. Zoveel pijn dat je wil kotsen en je ma wil bellen. Zo’n soort pijn. Mijn Knabbel en Babbel lagen als platgeslagen knaken in mijn broek. Vanaf een hoogzit en een kansel in de verte hoorde ik een vrouw roepen: “He Jan, wie geht es?” Onbegrijpelijk dat ik jagen nog steeds leuk vind na dit voorval, maar ja het ontspant zo lekker. Ook weer een gedachte die een plekje heeft gekregen.

Ik richt mij nu op de vakantieonderbrekingen, op mooie inspirerende opdrachten en op de fijne dingen. Fijne dingen zoals mijn nieuwe functie: family manager. Vroeger heette dat opa 😉

 

 

 

 

 

Gevangene van de hemel?

Mooi najaarsweer. Net een week terug van een vakantie in Frankrijk. Heerlijk de accu opgeladen. Geheel verstoken van alle contact met de buitenwereld; geen tv, geen wifi, geen telefoon (uitgezet). Tijd gehad om drie boeken te lezen. Normaal heb ik daar geen tijd voor of eigenlijk; maak ik daar geen tijd voor. Lekker relaxed. Geen gestotter meer, echt heerlijk ontspannen.

Nu even simpelweg winkelen met MijnLief in Oosterhout. We struinen van winkel naar winkel. Van onzin dingen, naar kledingzaken, van boekwinkel naar brasserie. We wandelen richting de brasserie voor een koffie en een tosti, het is tenslotte lunchtijd. Nooit een vervelende bezigheid. Vlak voordat we aan een tafeltje willen plaatsnemen zie ik een oudere vrouw. Ze zwaait. Maar dat kan niet, ze is al drie jaar dood! Ik verslik me en bazel wat onverstaanbaars. MijnLief kijkt me verbaasd aan. “Wat is er? Wat is er aan de hand?” Mummelend, stotterend, haast onverstaanbaar probeer ik duidelijk te maken wat ik zojuist zag als ze opnieuw langsloopt. Ze zwaait nog eens en is weg. Ik weet even niet hoe ik het heb. Een traan glijdt langs mijn wang. “Was ze er?; vraagt ze. Ik knik. “Morgen is het drie jaar geleden, Jan”. Ik was het vergeten, maar het klopt, morgen is het drie jaar geleden dat mijn moeder overleed. Ik had een goede band met haar wellicht dat juist daarom het onbewust in mijn gedachten is. Maar hoe en waarom ‘zie’ ik haar dan?

Ik ben best wel nuchter in veel zaken, maar bedriegen mijn ogen mij? Word ik gek? Ze is in de hemel, daar ben ik van overtuigd. Ze is dood, dan kun je haar niet meer zien. Gedachten wisselen zich constant af: ‘Wat als het wel kan?’, ‘Is dit wel mogelijk?’, ‘Mag je als je in de hemel bent wel eens even op bezoek en terug naar de aarde, al is het maar voor heel even?’. Mensen zullen mij wel knettergek vinden, maar dat boeit mij bar weinig. Ik vraag mij serieus af: hoelang moet je in de hemel blijven, 10 jaar, 40 jaar, onbeperkt en ben je dan een ‘gevange’ in de hemel? Gelovige mensen zeggen altijd dat de hemel mooi is, maar er is nog nooit iemand teruggekomen om dit te bevestigen. Het houd mij bezig, al een tijd. Alsof ik niks anders te doen heb.

Bijna een meisje gekocht en een Japanner geslagen

Weekje vakantie. Loirestreek in Frankrijk. Thuis herfstachtige taferelen, daar 20+ graden. Dikke Cohiba in de zon, ik had mezelf getrakteerd, zittend voor onze gehuurde Troglodyte (soort men cave). ’s Nachts was het fris te noemen, zo rond de 9 graden, in de loop van de dag voerde de zon het kwik op tot zomerse waarden; 20+.

Alleen bij het trakteren in Frankrijk ging het soms even fout. Bij het bakkertje waar ik dagelijks mijn croissantjes en baguettes haalde bestelde ik voor MijnLief een Parisienne. Ik had tenslotte aan de bakker gevraagd hoe dit broodje heette en ik hoorde hem toch echt ‘Parisienne’ zeggen. Zo’n Parisienne zag er echt heerlijk uit, zacht, licht tintje, mmmm, echt heel lekker. Ik wilde dus zo’n lekkere Parisienne dat was duidelijk! Non, non monsieur c’est un Parisienne. Dat zeg ik… Ik hoorde hem tegen zijn jonge vrouw vertellen wat ik hem zojuist vroeg in te pakken: ” Monsieur demandé une Parisienne?! Ze lachte verlegen. Uh monsieur… eigenlijk durfde ze het niet te zeggen… c’est un ‘pain au rasin’. Tja, dat is dus echt iets anders dan een Parijse vrouw waar ik om vroeg. En ik wilde toch echt iets lekkers trakteren.

Terwijl ik de bakkerij verlaat komt er een Fransman de winkel binnen. Nog steeds is de temperatuur aan de zeer magere kant, ik ging tenslotte vroeg naar de bakker. De man gekleed in korte broek, blootsvoets in sportschoenen. Tot zo ver niets bijzonders maar daar boven een kabeltrui met dikke wintersjaal. De combi is gewaagd te noemen.

Met het ontbijt net achter de knopen zetten we koers naar een van de vele kastelen die de Loirestreek rijk is, het kasteel van Chenonceau. Dit kasteel dateert uit 1432, werkelijk een plaatje. Het kasteel is geheel omgeven door water. Alles is te bezichtigen van slaapkamers, werkkamers, prentenkabinet, maar ook de keukens met het zeer oude hout gestookte fornuis. Tel daarbij op dat de boerderij met moestuinen en bloementuinen ook te bezichtigen zijn en je bent er zo diverse uren onder de pannen. Een onderbreking om even lekker wat te eten in de voormalige stallen is meer dan welkom. We sluiten in de buffetrij aan en wachtten net als ieder ander op onze beurt om onze bestelling door te geven. Al wachtend nam ik alle heerlijkheden en de goddelijke dampen in mij op. De rij groeide en groeide toen er ineens iemand in mijn rug prikte. Ik reageerde in eerste instantie niet totdat ik een flinke por in mijn zij kreeg. Ik draaide mij om, zag niets, keek naar beneden en daar stond ze; een soort miniatuur Japanse vrouw van ongeveer een jaar of 65. Terwijl ik haar aankeek en niets zei maakte ze een wijzend gebaar naar zichzelf en vervolgens een wijzend gebaar naar een jonger Japans stel wat voor ons stond. Uit haar gebaren moest ik kennelijk op maken dat zij bij mijn voorstaande Japanners hoorde. Ik dacht een moment na en begon in mijn gebarentaal naar haar terug te ‘praten’. Ik stak mijn middelvinger op, wijs naar mijn oor en bewoog met mijn wijsvinger heen en weer. Ik ‘zei’ dus dat ik niet doof was, maar liet haar toch even achter mij wachten. Normaal ben ik heel respectvol naar oudere mensen, maar van deze vertoning was ik niet gediend. Ze porde nog een keer. Ik draaide mij nog 1x maal om en liet uitsluitend mijn vuist zien ten teken dat ik niet van porren houd. Ze begreep me.

Vlieg-tuig

Vliegen, ik zie er altijd wat tegen op. Die aluminium dingen heb ik in het verleden zelf gemaakt dus ik weet wat er wel en niet kan met zaken die tijdens het bouwen niet helemaal goed gingen. Maar goed, het vliegen is niet een van de dingen waar ik naar uit kijk. Ik ga liever met de bus, maar dat is zo’n eind rijden naar New York. Veroordeeld tot een vliegtuig dus. Okay, het zwerven vooraf op het vliegveld vind ik wel leuk. Een uur voordat het boarden begint krijg ik al de kriebels. Je stapt dan in zo’n metalen sigaar met veel te weinig ruimte. Het gangpad is maar 1 persoon breed. Op zoek naar je plaatsnummer loop je als een koe de andere passagiers achterna in de richting van je plaatsnummer. Eenmaal daar probeert iemand tegen de looprichting in weer terug te komen, want die is te ver doorgelopen. Eindelijk heb je je geïnstalleerd. Met zijn tweeën naast een vreemde nemen we plaats. De vreemde bij het raam, wij in het midden en naast het gangpad. Aangezien ik niet de dunste ben is het vastmaken van de gordel ook spannend, hebben die dingen wel genoeg lengte? Eindelijk zit je goed, nou ja ik zit zowat met mijn voeten op mijn eigen schouders, als de stewardessen uitleggen wat je moet doen als het vliegtuig in het water dondert of uit de lucht pleurt. Dan begint het vliegtuig op de startbaan te schudden en te brullen. We stijgen op. Lampjes gaan uit, mensen beginnen druk hun gordel los te maken. Benen strekken kan niet, ik zit zowat opgevouwen. Dan komen de stewardessen met een karretje langs om eten en drinken uit te delen, wel zelf kopen he? Als ik net mijn tafelblad heb uitgeklapt verzint mijn voorbuurman dat het nodig is om zijn stoelleuning naar achteren te klappen. Gevolg; mijn tafelblad drukt in mijn buik en staat schuin. Geen ideale plaats voor een drankje, die ligt inmiddels over mijn benen. De rest van de reis dus dorst. Terwijl ik met een schuin tafelblad begonnen ben aan mijn eten verzint de persoon bij het raam dat hij naar het toilet moet. Hij moet nodig, anders had hij wel even gewacht zo met al het eten op mijn tafelblad. Met een broodje onder mijn oksel, blikje fris in mijn hand, bestek tussen mijn tanden en twee kleine bordjes in mijn handen sta ik op. En natuurlijk valt het broodje op de grond. De man die naar het toilet moet die net passeert gaat op, mijn broodje staan excuseert zich en vertelt ‘dat je de 3-seconde-regel kan toepassen’, de lul.

Halverwege de vliegreis moet ik een plas doen. Nadat ik 5 keer ben opgestaan om het toilet te bezoeken en 5 keer ben gaan zitten omdat er mensen eerder bij het toilet waren dan ik lukt het mij om bij het toilet te komen. Als ik de deur open vraag ik mij oprecht af of dit niet gewoon een garderobekastje of een miniberging is. Het blijkt het toilet te zijn. Met mijn kont tegen het fonteintje en mijn schenen pijnlijk tegen de pot lukt het mij een plas te doen. De rits weer dicht doen gaat wat moeilijk omdat mijn armen tegen de deur en de wand bonken. Omdraaien lukt niet want dan zit ik klem. Met 1 voet in de wc-pot lukt het mij om de deur weer te openen en loop ik met 1 natte voet naar mijn plaats.

Voor ons zit een stel met een kind van 2 jaar. Het schijnt een leuk spelletje te zijn dat het kind op de stoel gaat staan en mij 2 uur aan blijft kijken. Met enige regelmaat steekt het ventje zijn tong naar mij uit. Een keer is leuk, twee keer is vervelend maar na een keer of tien ben ik staat bij het ventje zijn wangen binnenste buiten te keren en zijn wangen over zijn kop te trekken.

Een eindje verder zit een Rotterdams stel. Van het type ‘IQ van een poffertje’. “Sjon, Sjon, ik ben misselijk”. “Nie seure Mary, flink sijn”. “Sjon, ik denk dahk so’n sakkie nodig hep”. “Folhouwe Mary, we sijn ur bijna”. Maar Mary is echt beroerd, en dat terwijl er nog geen eens turbulentie is. Mary laat haar man John weten dat een kotszakje onoverkomelijk is. “Sjon, un sakkie, ik mot kokke!” John graait wat tussen de folders en de veiligheidskaart maar vindt geen kotszakje. “Sjon,…..Sjon!” Mary maakt wat kotsbewegingen maar houdt het binnen. Ineens zit ze met bolle wangen. John nog druk aan het zoeken, nu bij de folders in de stoel voor Mary. Mary slikt, de bolle wangen zijn niet meer bol. Dan vindt John een kostzakje en reikt die snel aan Mary aan. “Hoef nie meer Sjon, tis al weg”.

Inmiddels vliegen we zo hoog dat, als is het van een afstandje, je niets uit het raampje ziet dan alleen maar blauwe lucht. En dat dan 3 uur lang. Het laatste half uur is er van alles te zien, ware het niet dat de betreffende man bij het raampje alle zicht wegneemt omdat hij breeduit uit het raampje zit te kijken. Hij meldt nog vriendelijk dat we langs de kust vliegen, “zo mooi om te zien”. Je ziet dus geen pest. Eindelijk geland wordt er geklapt alsof we net een voorstelling in het theater hebben bezocht. Flauwekul vind ik dat. Als ik van Papendrecht naar Groningen naar mijn zwager en schoonzus rijd wordt er op de eindbestemming na tweeënhalf uur ook niet geklapt als we aankomen. Het vliegtuig taxiet naar de gate en koppelt aan de slurf aan. Als door wespen gestoken staat iedereen op en willen allemaal tegelijkertijd in het gangpad staan om zo als eerste het vliegtuig te verlaten. Eindelijk uit het vliegtuig blijkt dat we ongeveer een week moeten lopen om in de aankomsthal te komen om onze koffers op te kunnen halen.

Nee, vliegen is niet zo voor mij weggelegd denk ik.

Woorden-schat

Met regelmaat verbaas ik mij over onze taal. Rustig prakkiserend over de raarheid (is dat een goed woord?) van onze Nederlandse taal schieten er zinnen en woorden door mijn hoofd die het een buitenlander die onze taal wil leren de nodige hobbels zal geven. Ik zal er eens een paar opschrijven om de on-zin uit te leggen:

Onzin; spreek uit on-zin. Geen zin dus als je de verklaring van het woord letterlijk neemt.

Wat te denken van het woord ‘uitzonderlijk‘; uit-zonder-lijk. Je gaat dus uit of naar buiten zonder een lijk mee te nemen. Raar.

Wezenloos. Wezen-loos, kinderen zonder ouders en dan is er wat loos of zo?

Woordenschat; een rijkdom aan woorden klinkt nog aardig normaal.

Dan hebben we ook nog woorden waarmee we hetzelfde bedoelen om het makkelijk te maken: kak, stront, schijt, uitwerpselen en om netjes te zijn heb je het over faecalien.

Of deze; de logica is ver te zoeken. De vervoegingen lijken normaal. Roepen-riep-geroepen is normaal, poepen-piep-gepoepen kan weer niet.

Zodra je alle dialecten nog een keer op onze taal loslaat is het eind helemaal zoek. Aangezien ik in Rotterdam geboren en getogen ben zijn bepaalde uitspraken heel normaal voor mij terwijl taalkundig bepaalde woorden en zinnen beslist niet kunnen. In Rotterdam ga je niet gezellig op de koffie bij iemand, je gaat een bakkie doen. Je vraagt niet om het zout, maar om de zout. In Rotterdam heb je het niet over aardappels, maar over arepols. Iets gaat niet makkelijk, maar gaat as kakke sonder douwe. Nou, dan weet je het wel.