Woorden-schat

Met regelmaat verbaas ik mij over onze taal. Rustig prakkiserend over de raarheid (is dat een goed woord?) van onze Nederlandse taal schieten er zinnen en woorden door mijn hoofd die het een buitenlander die onze taal wil leren de nodige hobbels zal geven. Ik zal er eens een paar opschrijven om de on-zin uit te leggen:

Onzin; spreek uit on-zin. Geen zin dus als je de verklaring van het woord letterlijk neemt.

Wat te denken van het woord ‘uitzonderlijk‘; uit-zonder-lijk. Je gaat dus uit of naar buiten zonder een lijk mee te nemen. Raar.

Wezenloos. Wezen-loos, kinderen zonder ouders en dan is er wat loos of zo?

Woordenschat; een rijkdom aan woorden klinkt nog aardig normaal.

Dan hebben we ook nog woorden waarmee we hetzelfde bedoelen om het makkelijk te maken: kak, stront, schijt, uitwerpselen en om netjes te zijn heb je het over faecalien.

Of deze; de logica is ver te zoeken. De vervoegingen lijken normaal. Roepen-riep-geroepen is normaal, poepen-piep-gepoepen kan weer niet.

Zodra je alle dialecten nog een keer op onze taal loslaat is het eind helemaal zoek. Aangezien ik in Rotterdam geboren en getogen ben zijn bepaalde uitspraken heel normaal voor mij terwijl taalkundig bepaalde woorden en zinnen beslist niet kunnen. In Rotterdam ga je niet gezellig op de koffie bij iemand, je gaat een bakkie doen. Je vraagt niet om het zout, maar om de zout. In Rotterdam heb je het niet over aardappels, maar over arepols. Iets gaat niet makkelijk, maar gaat as kakke sonder douwe. Nou, dan weet je het wel.

 

Advertenties

Franse cuisine

Mijn boek met reisverhalen over Frankrijk leg ik even weg. Ik doe mij tegoed aan de laatste warme zonnestralen, de zon schijnt op mijn kale bats en het bakkie pleur is net achter de knopen. Je merkt dat de zon al wat in kracht aan het afnemen is. Goed, we hadden een paar weken vrij genomen na de geboorte van onze kleindochter. Dochter en schoonzoon konden wel wat steun gebruiken na het ernstige auto-ongeluk van onze schoonzoon en direct erna de geboorte van ons kleinkind. Ik merk dat ik weer toeleef naar onze vakantie in Frankrijk. Ik voel dat ik daar hard aan ben om de accu weer wat op te laden. Wandelen langs de Loire, kuieren door Nantes, wijntje drinken op een terrasje in Saumur. Gewoon het idee om weer van die lekkere rillettes en kaasjes in te slaan, of gewoon in een restaurant een plat-du-jour te bestellen… mmmm. Dat valt mij trouwens ook altijd op als we in Frankrijk zijn: kijk eens bij een slager aldaar. Daar is het aanbod van vlees toch heel anders dan bij de slager hier. Als je goed bij die slager in Frankrijk om je heen kijkt tref je verschillende soorten vlees aan, niet standaard kip, rund en varken. Je treft daar zelfs vleesprodukten aan die hier zelfs verboden zijn. Dan denk ik aan runderhersenen of bijvoorbeeld varkensoren. Niet voor de hond, maar voor menselijke consumptie. In restaurants vind je ook gerust gerechten met pens of met varkenspoten, nieren. Doordat ik van de menukaart nooit de exacte vertaling paraat heb stel ik mij dan voor dat er gerechten geserveerd worden die de verbeelding een ietsje te boven gaan:

Voorgerecht:

  • een gebonden soep met bonkjes, verkregen door antiperistaltische bewegingen van een kat, gebonden met snijsel van paardenbloem;

Hoofdgerecht:

  • buffelpenisvoorhuidringen gemarineerd in Teckel-urine afgewerkt met een vleugje gier of
  • verstopte zwanenhals op een bedje van een carpaccio van gevulde hertenreet.

Dessert:

  • hemelse modder; een mousseachtige substantie van endeldarm van de kievit afgewerkt met wat walvistraan.

Ik zou zo een Facebook-groep op kunnen zetten met durfals denk ik.

Dit is zo’n dag

Dit is zo’n dag waarin alles als een vertraagde film voorbij komt. 06:30 uur ze belt mij: “Pap, het is begonnen, maar het doet zeer joh!” Ik geloof haar. Maar wat ben ik trots op haar en wat voel ik mij vereerd dat ze mij belt terwijl de weeen door haar lichaam golven. Met tussenposen is het stil aan de andere kant van de lijn: “Sorry hoor, maar het was er weer een”. In al mijn wijsheid vertel ik dat warm douchen en rond lopen de bevalling bespoedigen. Ook maar van horen zeggen, maar goed het is goed bedoeld. Ik heb met haar te doen. En waarom belt ze mij en niet haar moeder, die weet meer over wat haar te wachten staat dan ik? Ik vind het spannend.

Om net 07:00 uur loop ik al met de honden buiten. Mijn gedachten zijn er niet echt bij. Ik loop bijna een Citroen C1 ondersteboven (ik ben toch veel zwaarder). Thuis gekomen zet ik een grote kop koffie. Zoals gebruikelijk volgens mijn vaste ritueel met koffie van de koffiebrander uit Breda, koffie Java-Makassar. Wezenloos kijk ik wat om mij heen. Dat wezenloos kijken is voor mij geen kunst, lukt altijd. Terwijl ik zo rondkijk realiseer ik mij dat ik vandaag opa wordt. Wat een voorrecht! Praten gaat trouwens niet geweldig nu. Al hakkelend vertel ik wat mij dwarszit. Iets met emotioneel-incontinent zijn en zo. Maar van blijheid dan.

Alles ontgaat mij een beetje van wat er om mij heen gebeurt. Mijn gedachten zitten bij mijn papa’s-kind. Twee uren verglijden als ik wederom gebeld wordt. “Op weg naar het ziekenhuis”; hoor ik mijn schoonzoon zeggen. Het klinkt mij als muziek in de oren. Op deze manier krijgen we ongeveer elk uur een update van de stand van zaken. “Pap, het doet heeeel zeer nu”. Als ik al stotterend vraag of ik naar het ziekenhuis moet komen antwoord ze ontkennend. “Het lukt wel pap, maak je geen zorgen je wordt alleen maar opa. Het gaat mij lukken!” Ik ben zo trots op haar. Of heb ik dat al gezegd. Ik bid voor haar en mijn ongeboren kleinkind.

Nog een paar uur dan mag ik kennismaken met deze, mijn Indo-kleinkind, die kleine Hoedat. Mijn kleine nona manis. Uren verstrijken. Geen berichten, geen updates meer de laatste uren. De zenuwen gieren inmiddels door mijn keel. “Gaat het wel goed?” vraag ik mij hardop af. Zenuwen of geen zenuwen maken geen verschil. Ik kan er toch niets aan bijdragen. Feit is wel dat de zenuwen bij mij blijven hangen, terwijl ik dat helemaal niet wil. Ik ben onrustig.

Dan komt het verlossende woord. “Pa, je bent opa geworden van een kleindochter. Ze heet Romy. Jullie komen toch wel?”. Direct spoeden we ons naar het ziekenhuis om onze kleine telg te bewonderen. Als ik haar zie liggen is het liefde op het eerste gezicht. Een rustig en tevreden kindje, zo mooi, zo glad, zo… zo lief. Als ik dit kleine Godswonder zo zie liggen ben ik sprakeloos. Dat zo’n klein mensje zoveel bij mij teweeg kan brengen…

Ze moeten allebei in het ziekenhuis blijven. De bloedwaarden van zowel dochter als kleindochter zijn niet goed. Er worden onderzoeken gedaan. Onzekerheid overvalt mij. Men weet nog niet wat het is, maar bij onze kleindochter worden wat zaken extra onderzocht. Ze vertrouwen het niet. De volgende dag worden de onderzoeken in het Sophia Kinderziekenhuis voortgezet. Mogelijk iets met haar hartje. “Willen jullie ook meegaan, als steun?” Maar natuurlijk! Al vroeg spoeden we ons naar het kinderziekenhuis. Een tweetal onderzoeken worden gedaan. Een hartfilmpje en een hartecho. De uitslag krijgen we direct te horen: een minuscuul klein gaatje in het hart waarvan men vermoedt dat dit binnen twee maanden gewoon dicht zal groeien. En als het niet vanzelf dichtgroeit is er een mogelijkheid dat haar kleine lijfje het zelf oplost door het zelf allemaal te reguleren. En anders is er altijd nog een kleine ingreep om de zaak operatief te herstellen. Terug in het ‘gewone’ ziekenhuis is er verder geen reden meer om mijn kleine badmuts aan de monitor te koppelen; ze mogen allebei mee naar huis. Wat een heerlijkheid en wat een opluchting. De rust in mij en bij het gezinnetje keert weer. Mijn gezin is weer een telg groter.

Er waren momenten dat ik niet of nauwelijks kon praten; teveel emoties. Stotteren, haperen, geen communicatie mogelijk en nu voel ik mij vrij. Meerdere keren hebben mijn nagels het die dagen moeten ontgelden. Meerdere keren die dagen was ik emotioneel incontinent, maar het meeste wat mij zo heeft diep heeft geraakt is dat zij van mij een opa hebben gemaakt.

Een zure pruim

Lekker samen met de honden even de polder in. Honden achterin de auto en relaxed rijden we richting een klein begrasd knotwilgenpaadje wat tussen de weilanden meandert. Er is geen mens, alleen wij. Het zonnetje breekt langzaam door. De honden schooieren door het gras en het riet. Mijn Broer staat ineens voor bij het kleine slootje wat het wilgenpaadje scheid van de weilanden. Een eend weet niet hoe snel hij weg moet komen. Beer rent onder een hek door en de neus staat als een stofzuiger aan de grond. Zigzaggend loopt hij het spoor uit. Tot bij het water. Een plons en Beer zwemt zo hard hij kan richting de drie eenden die hij luid kwakend laat opvliegen. Niet veel later rent Broer de wereld uit. In de verte zie ik hem rond een vrouw ‘dansen’. De vrouw, jaar of 67, staat met haar armen omhoog stil. Spelen, moet Broer gedacht hebben want hij probeert de handen die in de lucht steken te pakken. Ik fluit, maar hij komt niet. Die vrouw doet veel te leuk. Als we naderbij komen horen we de vrouw schelden: “Rothond, rot op. Sodemieter op rothond!” Als Beer dat hoort gaat hij er zich ook mee bemoeien. Je moet tenslotte niet zijn maat uitschelden. Luid blaffend springt ook hij om de vrouw heen die wild zwaaiend met haar armen bij het gespring van Broer weg wil blijven. Als we dichterbij zijn reageren de honden weer op de fluit en op mijn hand. Een stukje lamslong verricht toch een wondertje van miniformaat. We lijnen de honden aan en ik verontschuldig ons bij de vrouw. Nu krijg ik de volle laag. Maar goed, ik tel tot 200 en loop door. Aan het einde van dit paadje besluiten we om te keren en weer richting auto te gaan. De honden scharrelen weer door het gras en het riet, verdwijnen weer onder een hek richting weiland en ravotten samen wat af. Als we zo’n 10 minuten hebben gelopen staat Broer weer op scherp en neemt een spurt. Beer reageert direct en zet de achtervolging in. En ja, hoor de zuurpruim is ook omgekeerd en komt ons tegemoet. Ook nu weer staat ze stil met haar armen in de lucht en natuurlijk weer schelden. Ik fluit en waarachtig ze keren per direct om. Nu verontschuldig ik mij niet.

Ik snap best dat iemand niet van honden houdt, maar door wild met de armen te zwaaien wordt het voor de honden een echt spelletje. Als ze ons weer passeert gromt ze wat. Wij antwoorden geen van beiden. Wat een zuurpruim. Is het er een of heeft ze er een vraag ik mij dan af.

Als het praten weer lukt

Als het praten weer niet lukt voer ik het gevecht weer. Het gevecht met mijzelf. De angst, de wanhoop, de boosheid, maar ach het helpt niet. Van een drukke dag naar de eindelijke rust thuis. De overgang van gecontroleerd ademhalen en gecontroleerd wegen van woorden teneinde er voor te zorgen dat het stotteren wegblijft tijdens het werk. Eenmaal thuis is er de rust, ik mag weer volledig mijzelf zijn. Schoenen uit, douchen, makkelijke kleding aan. Niets moet alles mag. In rust zittend, buiten op mijn zelf gemaakte bank. Starend naar wolken die voorbij drijven. Denkend aan rust, ruimte, vrijheid in een eigen huisje in Frankrijk. Ik droom weg. Ze komt bij mij zitten. Kopje thee in haar hand. Vragend hoe mijn dag was en wat ik had beleefd. Ik vertel haar van het meisje op school, net 4 jaar, wat in het Engels tegen mij zegt hoe leuk mijn sikje is. ‘Het is zo jong nog’, het kleine baardje wat ik heb. Ik vertel over het jongetje wat in het Engels vraagt of ik de nieuwe priester op school ben. En hij wijst op mijn dikke agenda met leren omslag. Ik wil gaan vertellen van het jongetje van 6 jaar dat mij een ‘high-five’ wil geven. Echter het praten gaat moeizamer. Er zitten te lange tussenposen tussen de woorden. Het begin van de woorden wordt herhaald. De figuurlijke, verstikkende deken voel ik langzaam over mij heen glijden. Met kracht probeer ik te schelden en ‘NOU’ te zeggen. Soms helpt dat. Nu niet. De tussenposen tussen de woorden worden langer. Woorden blijven weg. En ik weet precies wat ik wil en probeer te zeggen, maar de verkramping in mijn wangen en tong slaat toe. En niet veel later komen er geen woorden meer uit mijn mond. Drie keer bijt ik op mijn wang, Een keer bijt ik op mijn tong in een poging te vertellen wat er door mijn hoofd gaat. Tevergeefs. Tranen wellen op in mijn ooghoeken. Het maakt alleen geen enkel verschil, woorden blijven weg. Wanhoop voel ik. Ik ben toch niet gek! Door nog harder te proberen, door te ‘werken’ om te kunnen vertellen wat ik voel, wat ik zo graag wil, blokkeert alles. Niets anders dan wat gemummel komt mijn mond uit.

Ze komt dichtbij zitten. Slaat haar arm om mijn nek en zegt dat ik rustiger moet worden omdat deze situatie anders langer blijft aanhouden. “Onthoud wat je wilt zeggen of schrijf het op”. “Vertel het straks maar, ik heb geen haast”. De troost, haar liefde geeft mij weer moed, want ik weet het gaat heel langzaam over. Na een half uur word ik langzaam wat rustiger. Soms weet ik mij niet te herinneren wat ik belangrijk vond om te vertellen. Soms kan ik dan al stotterend juist wel vertellen wat ik zo graag wilde zeggen. Maar het gevoel niet te kunnen praten wat juist voor ieder mens zo gewoon lijkt maakt mij zo boos. En ook boosheid is funest. Elke emotie is funest om foutloos en goed verstaanbaar te kunnen praten. Eens gaat het over en blijft het definitief weg. Het heeft tijd nodig. Het kan mij niet snel genoeg gaan ‘die tijd’. Maar die arm om mijn nek, die kus op mijn voorhoofd, die lieve stem van haar, dat zorgt dat ik er in blijf geloven. Een toekomstige opa moet toch kunnen voorlezen en praatjes kunnen maken met zijn kleinkind? Ik kijk uit naar die tijd dat het praten weer lukt, die arm om mijn nek en de kus op mijn voorhoofd zullen dan best blijven.

 

Voor Febe

Genieten van het leven

Vrienden en familie uitgenodigd, het was tenslotte hun dag. Afgesproken bij hen thuis om gezamenlijk naar het gemeentehuis te gaan voor het ‘ja-woord’. In colonne reed de familie door de polder naar het gemeentehuis. En daar stonden de andere genodigden al te wachten. Ze straalden allebei. Hun dag. Hun bezegeling van de liefde voor elkaar.

In het gemeentehuis vertelde de dame van de burgerlijke stand hoe zij hen had ervaren in het voorgesprek een aantal dagen voor de voltrekking. De glimlach was niet van hun gezichten af te slaan. Wederzijdse ouders en de getuigen zaten apart in een gereserveerde stoelen. De vader van de bruid zat wat te draaien op zijn stoel wetende dat hij straks het woord tot zijn dochter en kersverse schoonzoon zal gaan wenden.

Daar zat hij, het zweet in de handen en op het voorhoofd. De vrouw van de burgerlijke stand wendde haar gezicht naar de vader van de bruid en zei: “Ik weet dat de vader van de bruid ook wat woorden tot het paar wil richten. Mag ik u nu het woord geven?”

Hij slikte even, wreef in zijn handen, voelde een brok in zijn keel die niet weg te slikken was. Zo trapte hij af.

“Kijk jullie nu zitten zitten, jullie stralen. Allebei! Vandaag ben ik de trotse vader van de bruid en tegelijkertijd ook de opa van mijn ongeboren kleinkind. Robin, met deze ceremonie raak ik mijn ‘papa’s-kind’ kwijt, maar krijg er een zorgzame moeder en vader voor terug.Als ik terug denk aan hoe je bent moet ik denken aan jouw zorgzaamheid. Als kleine meid van 4 kwam je al voor anderen op. Ik denk aan je oudste zus die ruzie had en jij wel even erop af ging. Andere kinderen waren als de dood voor je. Nu zorg je voor ouderen, voor jouw lief en zijn dochter en zijn zij blij om wie je bent. Ook moet ik denken aan: samen hand in hand met mij naar de paardjes van de manege kijken. Nu loop je hand in hand met hem naar jouw paard. Samen gingen we vaak vissen in Frankrijk, met een stok en een draadje. En nog vangen ook. Nu ga je vissen met jouw lief in Frankrijk, en nog vangen ook! Met de poppenwagen samen wandelend door de straat en nu, nu binnenkort met een kinderwagen bij ons door de straat.

Lieve schoonzoon, je hebt het netjes gedaan. Je vroeg mij om de hand van mijn papa’s-kind. Alles heb je voor haar over. In de gesprekken die wij samen hadden vertelde je mij dat je samen heel oud met haar wil worden. Dat ze alles krijgt waar ze om vraagt (en dan refereer ik maar even aan een hoeslakentje van bijna massief goud). Het siert je. Ik geef mijn dochter met overtuiging aan jouw over. Je bent het waard.”

Tranen werden weggeveegd. Ringen werden uitgewisseld, handtekeningen gezet. Het was echt, het was bezegeld. Het gezelschap vertrok voor de lunch.

In de avond trok het gezelschap naar een wok-restaurant. Ook een oude man was van de partij. Nog goed ter been, nog steeds helemaal bij de tijd. Het concept van eten halen, in dit geval Aziatische gerechten opscheppen en laten bakken of grillen, was de man wat ontgaan. Maar hij genoot van het samenzijn. Hij genoot van de eer deze dag getuige te mogen zijn op de bruiloft van zijn kleindochter. Hij genoot van het eten, al waren de combinaties soms vooruitstrevend te noemen. Nasi goreng en pisang goreng met wat frites, gecombineerd met een paar stukjes vlees (lees frikandel) met wat van die rode jus met pitjes erin (lees sambal). De jus was wat pittig, maar zeer de moeite waard. Ik denk dat een trend geboren is. En waarom ook niet. Gewoon genieten van het leven kan heerlijk zijn!

Lief kleinkind, je hoort er al helemaal bij

Een paar lang gekoesterde wensen zijn langzaam aan het groeien. Wachtend om geboren te worden. Een wens om met mijn kleinkind langs en door de velden in Frankrijk te struinen. Zo’n heel schattig en piepklein mensje, mijn kleinkind, in de verte zichtbaar aan de horizon. Het komt steeds een stukje dichterbij. Ik wil dat zo graag. Daar in het Noorden van Frankrijk. Makkelijk samen rijdend voorop op de fiets samen met oma fietsend langs de koolzaadvelden. Je haartjes wapperend in de wind. Thuisgekomen samen van papier en karton plakkend van de Velpon een kasteel of prinsessenhuis plakken. Even de ogen dicht en ik zie het zo voor me. Het is zo gewenst.

Een lang gekoesterde wens is langzaam mee aan het groeien. Wachtend om geboren te worden. Een wens, dat huisje in Frankrijk doemt heel schattig en piepklein op aan de horizon. Het lijkt steeds een stukje dichterbij te komen of wil ik dat gewoon te graag. In het noorden van Frankrijk. Makkelijk aan te rijden als je vrijdag plotseling de behoefte hebt om het weekend in Frankrijk te verblijven. Zo’n huisje waarvan je het idee hebt dat 200 jaar geleden een lokaal iemand de oude stenen met Velpon aan elkaar zou hebben geplakt. Even de ogen dicht en ik zie het zo voor me. Het is zo gewenst. In dit huis kan ons kleinkind bij ons op bezoek komen, logeren. Kom maar hoor, ik ben het wachten al beu!