De dierenmoordenaar en ander geneuzel

Het is vroeg. De sporen voor de cursisten leg ik uit, ver weg van de geëigende paden. Als ik uit een bosperceel kom loopt daar een vrouw met een hond. De hond snuffelt aan mijn handen, aan het flesje bloed en aan de 2 reeënlopertjes die ik in mijn handen heb . Als de vrouw dat in de gaten krijgt wordt ze bijna hysterisch. “Bent u een dierenmoordenaar? Bent u dat? Nou? NOU?” In alle rust leg ik haar uit wat ik aan het doen ben. Ze bedaart, maar ze blijft het vreemd vinden. “Je mag toch niet zomaar van de paden af? En dat bloed, hoe zit dat dan?” Even overweeg ik haar een verhaal op de mouw te spelden, van bloeddrinken en zo, maar  ook nu vertel ik in alle rust dat ik voor het afwijken van de paden schriftelijke toestemming heb en het bloed van reeën opvang tijdens het slachten of runderbloed bij de slager haal. Ze vindt het nog steeds raar.

Een week later geef ik in hetzelfde bos een workshop zweethondenwerk. Het ochtendprogramma heb ik met de deelnemers al doorlopen en we zijn lekker bezig met de lunch. Het is druk met wielrenners en auto’s. Ik vind het wat drukker dan normaal en dat met dit slechte weer. De regen komt met bakken uit de hemel. Ineens stopt er een auto met een vrouw met twee jongelui er in. Ze stapt uit en komt op ons af. “Is de postkoets al langsgeweest?”; vraagt ze. Als ik haar antwoord dat de post niet op zondag bezorgd wordt kijk ze mij raar aan. “Huh,… nee, maar er zou een koets langskomen en wij zijn wat laat”. Niet veel later komt er inderdaad zo’n Amerikaanse hoge postkoets aan met allemaal feestvierders er in. En hop, ze proppen zich naarbinnen. Ze hadden nog net geen schoenlepel nodig om naar binnen gewipt te worden. Hutje mutje zitten ze.

Als de workshop teneinde is en ik afscheid heb genomen van de deelnemers stopt er een auto met 4 bejaarden er in. Nou het leken wel mummie’s. Het autoraampje gaat naar beneden. Met klapperend gebit begint de man te praten en ontstaat de volgende conversatie: “Fasantelie”; zegt de man. “Het Witte Paard”; antwoord ik. “Fasantelie”; zegt de man nog eens. Ik herhaal mijn antwoord ook nog maar een keer: “Het Witte Paard”. Geen idee waar dit gesprek heen gaat. “Nee, neehee, de Fasantelie is een restaurant”; zegt de man. “Och wat leuk, Het Witte Paard ook”; zeg ik. “Nee,… wij moeten naar de Fasantelie”. “Fasantelie ken ik niet, de Fazanterie wel”. De man kijkt mij vragend aan. Ik kijk vragend terug, een van mijn sterke gezichtsuitdrukkingen. Er volgt een stilte. “Maar waar is de Fasantelie?” vraagt hij. “De Fazanterie is hier terug aan het einde van de weg aan de rechterkant”; antwoord ik. Het raam gaat weer omhoog. Omslachtig keert de man met heel veel steken en draaien de auto. Tergend langzaam rijdt de man weg. Ik klop nog even op het raampje. “Graag gedaan”; zeg ik. De man opent zijn raampje weer en zegt: “Wah?”. “Graag gedaan”; herhaal ik. “Huh, waarom?”; vraagt de man. “Dat heet goed fatsoen. U vraagt de weg en hoort te zeggen ‘Bedankt voor de uitleg’ of ‘Tot ziens’. Zo hoort dat. Maar je rijdt niet weg als een hond die gescheten heeft, dat heet asociaal”. leg ik de man uit. “Huh”; krijg ik als antwoord. Die snapt het echt niet, de hork.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s