Oud geld

Als het verzoek van een naburige Wild Beheer Eenheid (WBE) komt of ik bij hen mee wil tellen voor het in kaart brengen van de reeënstand bel ik even wat rond. Schoonzoon, twee dochters, mijn vader en een van mijn cursisten, Simon, geven aan wel mee te willen tellen. Er werden 4 telmomenten aangegeven; vrijdagochtend om 05:30 uur, vrijdagmiddag om 17:00 uur, zaterdagochtend 05:30 uur en zaterdagmiddag om 17:00 uur. Per e-mail geef ik aan de WBE door dat we met 6 personen komen, echter uitsluitend op de zaterdagochtend. Als woensdagavond mijn vader belt de komende zaterdag niet mee te kunnen vanwege griep besluit ik dit niet door te geven aan de WBE, er zijn tenslotte elk jaar voldoende deelnemers.

Als om 04:30 uur Alex voor komt rijden stap ik samen met dochter Stephanie in. Al babbelend rijden we richting het volgende eiland. Stipt 05:30 komen we bij het dorpshuis aan. Ik meld ons aan en geef aan dat we met 1 persoon minder zijn. Simon zie ik in de deuropening staan en kijkt rond waar hij zich moet melden. De WBE functionaris kijkt zijn lijsten na en vraagt nogal verontwaardigd waar we de vrijdag waren. Als ik de man vraag of hij wil weten waar ik de vrijdag gewerkt heb en of hij dat van de anderen ook wil weten snapt hij dat er in de communicatie iets niet is goed gegaan. Hals over kop wordt er een telleider uit zijn bed gebeld. “We hebben een ploegje tellers extra Johan, en die moeten worden weggebracht”. Een half uur later stapt er een man binnen gekleed in een geelgroene tweed knickerbocker en dito jasje en een pet die van Sherlock Holmes geweest moet zijn, met aan voor en achterzijde een klep. De man stelt zich voor: “Johan”. Hij vraagt ons vijven om mee te gaan. Buiten op de parkeerplaats vraagt hij wie er in zijn Mercedes mee wil rijden. “Ik heb een Mercedes” meldt de man nogmaals. “Er kan makkelijk iemand in mijn Mercedes meerijden, het is tenslotte een Mercedes”; laat de man weten. Langs mijn neus weg vraag ik de man in wat voor auto hij rijdt. “Een Mercedes, dat zeg ik toch”; zegt de man verbaasd. Een pesterijtje, ik weet het wel, maar het lag er zo dik bovenop dat ik vond dat dit wel kon.

Niet veel later rijdt de man voorop met Simon als passagier. Wij zitten bij Alex in de auto. De man scheurt over de weggetjes richting het bos. Scherpe bocht naar rechts, weer een bocht naar links. Keihard over een hobbel in de weg, weer hard naar links. Zo een bosweggetje in. Nog net zie ik een kapotgereden kadaver, van wat net nog een lief haasje was, achter de spatborden omhoog gelepeld worden. Met een smak valt deze roadpizza voor de banden van Alex zijn auto. Een kort ‘Sssslush-geluid’ laat weten dat Alex dit haasje ook niet meer kon ontwijken. De auto, het merk kent u inmiddels, scheurt een ander bospad in en gaat vol in de ankers. Simon probeerde even het dashbord weg te koppen geloof ik.  Alex kan nog net een aanrijding vermijden. Vlak voor de auto van de man springt een ree het bospad over en wordt net niet geraakt. Een 500 meter verderop stopt de auto langs de kant. Alex volgt zijn voorbeeld. We stappen uit. Ik gooi het portier zachtjes dicht. “SSSSStt” sommeert de man. “Twee man gaan nu even met mij mee naar 2 hoogzitten, de rest breng ik zo meteen weg”. Simon en ik maken aanstalte om de man te volgen. Hij opent de achterklep van zijn auto om zijn ruwharige Teckel eruit te laten. De hond gilt en loeit van enthousiasme. “SSSSSSSSSSSttt” sis ik naar de man. “JAHA” zegt hij enigszins geirriteerd. Op het bosweggetje gaat de man ook nog eens op de poot van de Teckel staan. De hond gilt van pijn. “SSSSSSSSSSSSSSTTTTT!!!” laat Simon de man weten. “JAHAAAA” sist de man. De toon is gezet. Terwijl we zo langs het pad lopen zien we 4 schimmen waarvan de koppen dan weer naar de grond gericht zijn en dan weer spiedend voor zich uit kijken; reeën. Als ik opmerk dat ik die nu geteld heb zegt de man dat HIJ ze wel door zal geven. Ook goed, als ze maar op het lijstje komen denk ik nog.

Als ik mijn hoogzit krijg toegewezen begeef ik mij door het struikgewas naar mijn plekje voor de komende uren. Simon volgt mijn voorbeeld een paar honderd meter verderop. Als ik eenmaal zit wennen mijn ogen aan het donker. Het begint te schemeren. Langzaamaan wordt de dag wakker. De omgeving krijgt langzaam kleur. Nu ik alles wat beter kan zien zie ik onder de hoogzit 2 hazen met elkaar spelen. Naast mij, op dezelfde hoogte waar ik zit, hamert een specht op een boom. Voor de rest niets. Het is stil. Even. Dan komt er een man met een herdershond aanlopen. Direct rent de hond naar mijn hoogzit en gaat keihard onderaan mijn ladder staan blaffen. Als u denkt dat de wandelaar zijn hond aanspreekt of wegroept, dan heeft u het mis. De hond staat zeker 5 minuten onderaan mijn ladder te blaffen. In de verte hoor ik de wandelaar, die inmiddels honderden meters verder moet zijn, fluiten. En waarachtig de hond neemt een spurt en is weg. Het is 10 minuten stil als er 2 wandelaars met rugzak om druk en hard pratend voorbij komen. Dit begrijp ik nooit je loopt met een halve meter tussenruimte naast elkaar, waarom moet er dan hard gepraat worden? Het zal u niet verbazen dat ik de uren erna geen reeën heb gezien.

Ook al heb ik mij goed en warm aangekleed, na een paar uur zitten krijg ik het koud. Koude tenen, koude handen en een plakzak. Wat ben ik blij als ik word opgehaald. Ik begon al te rillen. De kou trok op vanuit mijn tenen tot op het bot.

Er is geen ontkomen aan, ik moet mee in de Mercedes. Mijn dochters zitten ook in de Mercedes (dat u het merk kent he). Mijn jongste dochter fluistert dat de man hen op een ‘spannend’ plekje heeft gezet. Zij zouden geheid wat zien, volgens de man. Klopt; ze zagen de bomen heen en weer wiegen en hebben meeuwen gezien. Een ieder moest van de man alleen op een hoogzit. ‘Nou” zei mijn jongste dochter “Ik zit samen met mijn zus”. Volgens de man kon dat beslist niet. “Gewoon opletten” zei mijn jongste “Moet u eens zien hoe dat dat gebeurt”. En inderdaad, welke argumenten de man ook aanwendde, zij zaten samen op een plek.

Intussen slingerde de man over de weg. Met zijn telefoon probeerde hij via bluetooth muziek op zijn radio te krijgen. Toen hij bijna een paal uit de grond reed en niet veel later als spookrijder over de weg scheurde was ik vastberaden er wat van te zeggen. De man probeerde het gesprek een andere wending te geven: “Ik heb hier ook een jachtveld!”. “Och wat leuk” zei ik quasi onverschillig. “Wil je weten hoe groot?” “Bwah….. nee hoor” antwoordde ik. “180 hectare” ging hij onverdroten verder; “Was veel groter hoor, maar ja een deel kwijtgeraakt aan natuurmonumenten”. Het boeide mij echt helemaal niks. “Wil je weten hoeveel pacht ik betaal?” vroeg hij. “Welnee” zei ik toch echt duidelijk. “26.000 euro per jaar” ratelde de man verder. “Ach dat is een schijntje” zei ik pesterig. Het kon de man niet deren. Nadat hij verteld had wat hij voor zijn pensionering aan pacht betaalde was ik blij toen het dorpshuis weer in zicht is.

Gezamenlijk dronken we nog een kop koffie na het doorgeven dat we op Simon na niets gezien hadden. We groetten de mensen en Sherlock in het bijzonder en gingen terug naar huis, mijn sigaren tellen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s