Kerstgabber

Een kerstgabber

 

De wind joeg fel om het gezicht van Tim. Al fietsend bereikte hij het pad dat langs het bos voerde. Af en toe, daar waar de wind de sneeuw had op doen waaien, waren de bladeren te zien vanonder de dikke laag sneeuw. Tim was op weg naar zijn nichtje Sophie. Zij was ziek en woonde aan de andere kant van het Heijkerveld.

Af en toe was het best wel een beetje eng in het Heijkerveld. De wind joeg langs de bomen en over de heidevelden. De wind maakte een huilend geluid, net een jankende hond, dacht Tim. Het kostte hem moeite om in het juiste spoor over het zandpad te fietsen. In gedachten verzonken fietste Tim langs het weiland van boer Ter Velde. “Hé Tim!” hoorde hij roepen. Verschrikt keek hij op. “Oh, hallo meneer Van Vliet!” riep Tim terug. Daarna werd het weer stil en Tim reed onverdroten voort op weg naar Sophie. Het begon weer te sneeuwen, grote dikke vlokken dwarrelde op het pad neer. De laatste zichtbare bladeren verdwenen onder de sneeuwlaag. Nog maar drie dagen, dan is het kerst, dacht Tim. Maar wat moest hij Sophie nu voor de kerst geven. Hij had immers beloofd haar iets op kerstavond te komen brengen, vlak voordat hij met vader en moeder naar de kerstnachtdienst zou gaan. Hij moest er nog maar eens goed over nadenken, dacht hij. Een mooi cadeau voor zijn favoriete nichtje, tja, hoe zag dat er uit?

Eindelijk, na drie kwartier fietsen kwam de boerderij van tante Pien en oom Koos in zicht. Moe en bezweet zette Tim zijn fiets tegen het varkenshok. De varkens knorden onrustig door het gestommel van de fiets. Tante Pien had Tim al aan zien komen en stond hem op te wachten bij de deel. Ze keek verdrietig. Tim schrok ervan. “Er is toch niets ergs gebeurd?” vroeg Tim. Tante Pien barstte in tranen uit. Het ging niet goed met Sophietje, vertelde ze. De koorts was erger geworden. Als de koorts nog erger zou worden, moest Sophietje naar het ziekenhuis in de grote stad, wel 2 1/2 uur fietsen hier vandaan. “Je kunt niet lang blijven Tim, dat is te vermoeiend voor Sophietje. Kijk maar even om het hoekje, misschien is Sophietje wakker.” Tim schopte z’n klompen uit en ging stil de trap op naar Sophietjes kamer. Daar lag ze dan, bezweet en met rode wangetjes. Even opende Sophie haar ogen en er kwam een glimlach op haar gezicht toen ze Tim in de deuropening zag staan. Tante Pien pakte Tim bij de schouder en gebaarde dat hij moest gaan. Er brandde een traan in zijn ooghoek. Nu wist hij het zeker, hij moest het allermooiste cadeau van de hele wereld voor Sophietje zoeken, maar waar en wat?

Tante Pien stopte Tim nog een appel toe voor onderweg. “Als je meneer Van Vliet nog tegenkomt, zeg dan maar dat hij geen wild hoeft te brengen hoor. Oom Koos en ik zijn niet in zo’n kerststemming, snap je? Nou Tim, doe voorzichtig onderweg en als je op kerstavond nog langs wil komen mag dat best hoor.”

Tim pakte zijn fiets en sprong erop. Weer driekwartier fietsen door de sneeuw. Het begon al schemerig te worden en de frisse wind deed hem zijn sjaal nog steviger om zijn hals knopen. Voor de zekerheid trok hij zijn muts diep over z’n oren. Na twintig minuten fietsen zag hij meneer Van Vliet bij de houtwal staan. Hij had zijn Viszla Job bij hem. Beiden stonden te turen naar een schim in de verte. Het was geen ree, dat kon Tim wel zien. Meneer Van Vliet zag Tim aan komen rijden en maande Tim af te stappen. Nadat Tim was afgestapt, fluisterde meneer Van Vliet: “Zie je daar die hond staan? Ja, daar naast die bomenrij, bij dat konijnenhol!” “Ja.,” fluisterde Tim terug. “Ik zie die hond al een paar weken. ’t Is een jonge hond, dat zie je aan z’n bouw. Hij is vast zijn baas kwijtgeraakt en sterft bijna van de honger, maar hij laat zich niet benaderen.” “Wat is het voor een hond?” fluisterde Tim weer. “Ik kan het niet goed zien Tim, hij is zo beweeglijk,” antwoordde meneer Van Vliet al turend door zijn verrekijker. Tim zag nog net de hond half onder de grond verdwijnen na het graven in het hol. Even later stoof de hond als afgeschoten weg de begroeiing in. Tim fietste langzaam langs de plek waar hij de hond de struiken in zag rennen. Gespannen tuurde hij naar het struikgewas. Even dacht Tim dat hij de hond zag. Maar dat kon niet; de hond was zo ver weggerend. Maar… Ja, dat is wel die hond. Naast de boom zag Tim duidelijk een bruine hondenneus. Tim sprong van z’n fiets en liet de fiets met een plof vallen. Langzaam liep Tim in de richting van de hond. “Hé Tim, doe voorzichtig, misschien is hij wel vals!” riep meneer Van Vliet. “Wacht maar, ik kom wel naar je toe.” Nog voordat meneer Van Vliet bij Tim was, liep Tim dichter naar de hond toe. Voetje voor voetje kwam Tim dichterbij de hond. “Kom maar jongen, ik doe niks. Kom maar.” De hond had zijn korte staartje helemaal naar beneden. Tim zag de hond rillen van de kou. Steeds dichter kwam Tim bij de hond. Toen bleef Tim op ongeveer vijf meter van de hond staan, steeds zachtjes tegen hem pratend. De hond kwam een klein stukje naar Tim toelopen. Tim deed ook weer een stapje dichterbij. De hond begon voorzichtig te kwispelen en jankte zachtjes. Uiteindelijk kwam de hond langzaam naar Tim toe. Tim spreidde zijn armen, alsof het een begroeting was, en de hond kwam letterlijk in Tim zijn armen gelopen. Meneer Van Vliet stond op een afstandje met open mond te kijken. “Tim jongen, dat hem je mirakels goed gedaan joh!” zei hij. “Warempel Tim, ’t is nog een jachthond ook, een nog jonge Draadhaar. Kijk maar naar z’n vacht, nog niet helemaal volgroeid. Daarom heeft-ie het natuurlijk zo koud.” “Tim, had jij het laatst niet over een cadeautje voor Sophie? Dit lijkt me een prachtcadeau voor je nichtje,” zei meneer Van Vliet. “Hier, doe Job z’n lijn maar bij hem om.” Tim pakte de hondenriem aan en deed deze om de hals van de jonge Draadhaar.

Inmiddels was het bijna donker geworden. In de verte hoorde je de laatste kraaien vechten om een plekje in de bomen. Tim liep samen met meneer Van Vliet naar de boerderij van tante Pien en ome Koos. Z’n fiets zou meneer Van Vliet later wel thuisbrengen.

De maan scheen door de bomen, het was gestopt met sneeuwen en tevreden liepen Tim en meneer Van Vliet het erf op. Tim klopte op de deur bij de deel. Tante Pien deed open en keek de twee verbaasd aan. “Mijn beloofde cadeau voor Sophietje, tante,” zei Tim. “Nou Tim, misschien dat Sophietje hiervan snel beter wordt, ga maar gauw naar haar toe, ” zei ze. Tim snelde samen met de hond de trap op. Met een zwaai gooide hij de deur open. “Voor jou, Sophietje, je eigen hond.” De hond sprong met twee poten op het bed en likte uitbundig haar gezicht. Een brede glimlach verscheen op haar bleke gezicht. De hond zocht een plekje bij het voeteneind van het bed en weigerde er weg te gaan. “Nou, laat die twee maar,” zei tante Pien tegen Tim. Meneer Van Vliet bracht Tim met de auto naar huis.

Twee dagen later zag Tim oom Koos in de kerkbank zitten. Hij schoof naast oom Koos aan.“Sophie heeft hem Gabber genoemd, en… het gaat nu een stuk beter met haar,” zei hij. Gezamenlijk zongen zij het ‘Ere zij God’. En Tim? Tim zong het hardst van allemaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s